Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/7.2.2.5
7.2.2.5 Enkele kanttekeningen bij het toetskader
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270103:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Roording 1994a p. 28 en Hartmann en Van Russen Groen 1998, p. 82-83.
Omdat de feiten waarvoor een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd vallen onder het Nederlandse strafrecht.
Stijnen 2011, paragraaf 2.2.
Tollenaar 2019, onderdeel 5.2.
Kelk 2012, p 357.
Conclusie A-G Niessen van 22 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:828.
Albers 2009.
Geschriften van de vereniging voor belastingwetenschap, nr. 184, Kluwer Deventer 1990, p. 29.
Zie ook Albers 2009, die schrijft dat bij de intrekking van een begunstigende beschikking vaak onduidelijkheid over het karakter van deze sanctie. Zij wijst in dit verband op ‘grillige rechtspraak’.
Feteris 1991, p. 22.
Feteris 1991, p. 19.
HR 28 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2391, BNB 1998/147, r.o. 3.6.
HR 28 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2391, BNB 1998/147, r.o. 3.6.
HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2753, BNB 1999/260 enHR 23 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1787, BNB 2001/280.
Feteris 1991, p. 341 en 629.
Feteris 1991, p. 341.
Zo beschrijven Budhu en Van Aerle (1992, p. 3).
Wattel en Feteris 1993, p. 15.
HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675, onderdeel 2.
Feteris 2007, p. 309.
HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2337, BNB 1998/326.
Feenstra 2016.
Zie naast Feenstra bijv. ook: M.M.W.D. Merkx en M.H.T. Verstappen, Italmoda: wat past, klopt niet, WFR 2015/655.
HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:442, BNB 2016/97 en daarvoor HvJ EU 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2455 (Italmoda), BNB 2015/61.
HvJ EU 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2455, (Italmoda), BNB 2015/61, r.o. 61.
HvJ EU 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2455, (Italmoda), BNB 2015/61, r.o. 72.
HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:442, BNB 2016/97, r.o. 2.2.
Ook A-G Wattel (conclusie van 26 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1198) vindt het arrest Italmoda merkwaardig: “r.o. 6.24: Dit is een hoogst interessant arrest omdat het sterk riekt naar omgekeerde verticale directe werking van een EU-richtlijn (ten nadele van de burger), iets wat het HvJ EU altijd expliciet heeft afgewezen.56 Kennelijk werkt het ongeschreven algemene beginsel van EU-recht dat strekt tot een verbod op misbruik en fraude wél rechtstreeks ten nadele van de (frauderende) burger, zélfs als daardoor de neutraliteit van de BTW-heffing verstoord zou worden. Dit impliceert mijns inziens dat het EU-recht de nationale autoriteiten ertoe verplicht de weigering van aftrek (mede) punitief te gebruiken in geval van geconstateerde fraude waarvan de belanghebbende de hoed en de rand gekend moet hebben, al ontkent het HvJ dat aftrekweigering in een dergelijk geval het karakter van een straf zou hebben.”
A-G Ettema gaat in haar conclusie (Conclusie A-G Ettema van 1 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:28) ook in op de vraag of de weigering van rechten een strafrechtelijke straf oplevert (overweging 7.1 t/m 7.13). Zij meent dat als de weigering van deze rechten leidt tot dubbele btw-heffing bij dezelfde belastingplichtige ter zake van dezelfde belastbare handeling, een strafrechtelijke sanctie als hier bedoeld wel aan de orde is.
Peters en Auerbach 2019 en Witpeerd 2019.
Witpeerd 2019.
Binnen de autonome uitleg van het criminal charge-begrip, is vooral het derde criterium (de aard en de zwaarte van de sanctie) van onderscheidend belang gebleken voor het aanmerken van sancties als punitief, wanneer zij volgens de nationale regels niet als strafrechtelijk kunnen worden aangemerkt. Met de aard van de sanctie wordt vooral het doel ervan bedoeld. Ook naar nationale maatstaven is het doel van de sanctie van belang voor het aanmerken van een sanctie als punitief (in Nederlandse begrippen als ‘straf’ gebleken). Het doel van de sanctie moet altijd op voorhand door de wetgever worden vastgesteld. De wetgever kan aangeven dat het doel van een sanctie niet is om leed toe te voegen of af te schrikken, terwijl de sanctie dit misschien tegelijkertijd (tegen wil en dank) wel doet. Met andere woorden: onbedoeld (of heimelijk bedoeld) kunnen bepaalde non-doelen toch bereikt worden. Uit de literatuur blijkt ook dat het criterium dat ziet op het doel van een sanctie, niet altijd als onderscheidend en/of rechtvaardig wordt ervaren, bijvoorbeeld door Roording en Hartmann en Van Russen Groen.1 Dit geldt overigens voor regelingen binnen en buiten de fiscaliteit. Kennelijk is de vraag of sprake is van een criminal charge binnen meerdere rechtsgebieden actueel. Hierna wordt een aantal voorbeelden gegeven van lastige situaties.
Onduidelijkheid over het criminal charge-karakter van de toepassing van niet-fiscale regels
Een eerste voorbeeld biedt de strafbeschikking. Deze daad van vervolging wordt als criminal charge aangemerkt.2 Stijnen beschrijft vervolgens de volgende situatie: als bij een strafbeschikking de aanwijzing wordt gegeven de benadeelde te compenseren of de in strijd met de wet aangetrokken gelden terug te betalen aan de beleggers, kan de vraag worden gesteld of nog sprake is van bestraffing. Een dergelijke sanctie is immers niet op leedtoevoeging gericht, maar op schadeloosstelling. Als via de modaliteit van de strafbeschikking een boete of taakstraf wordt opgelegd, dan zal deze vraag niet opdoemen.3
Een tweede voorbeeld geeft Tollenaar. In het socialezekerheidsrecht is het officieel een maatregel om geheel of gedeeltelijk een uitkering te onthouden wegens schending van een wettelijke verplichting, bijvoorbeeld een arbeids- of inschakelingsverplichting. Het gaat dan om een tijdelijk verlagen met een voorgeschreven percentage van de uitkering. De verlaging van de uitkering is niet punitief omdat de aard van de normschending niet strafrechtelijk is en dat de omvang van de sanctie gering is. Tollenaar meent dat de maatregel indringender moet worden getoetst, omdat de uitwerking het tegenovergestelde van gering is:
“Er is mijns inziens alle reden voor de rechter om de maatregel indringender te beoordelen. Immers: in de uitwerking – vanuit het perspectief van de burger – is de maatregel een ingrijpender sanctie dan de boete. Bij de invordering van de boete wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet, hetgeen betekent dat de uitkeringsgerechtigde altijd kan beschikken over 90% van de bijstandsnorm. Bij de maatregel wordt de uitkering niet uitbetaald gedurende één tot drie maanden. Dit betekent dat de overtreder gedurende die periode in het geheel geen uitkering ontvangt.”4
Ten derde een voorbeeld is van Kelk, die schrijft:
“Het verdient daarom de voorkeur om bepaalde reacties ronduit straf te noemen en ze ook als zodanig te hanteren, eenvoudig omdat ze door alle betrokkenen zo worden ervaren, in plaats van ze – hun primitieve geladenheid ten spijt – de schijn van uitsluitend verbetering, begrip, herstel etc. om te hangen. Onder de noemer: educatieve en therapeutische doeleinden is in de geschiedenis aan jeugdigen in jeugdbeschermingsinrichtingen en aan patiënten in psychiatrische ziekenhuizen heel wat leed aangedaan. Zo kwam bijvoorbeeld vroeger meer dan eens naar buiten, dat in een jongensinternaat door groepsleiders soms buitensporig hardhandig werd opgetreden en is het bekend, dat psychiatrische patiënten bij tijd en wijle aan bikkelharde maatregelen worden onderworpen, zoals eufemistisch klinkende separeerprogramma’s.”5
Overigens wil ik met dit voorbeeld niet duidelijk maken dat ik me in de redenering van Kelk, die inhoudt dat een sanctie ook een straf kan zijn als leedtoevoeging niet het primaire doel is maar als wel waarschijnlijk is dat subjectieve leedervaring het gevolg is, kan vinden. Integendeel: het nadeel van dit subjectief georiënteerde uitgangspunt is mooi verwoord door Niessen, die schrijft dat elke euro extra die moet worden betaald voelt als extra leed.6 Ook de kritiek die Albers uit op het standpunt van Kelk, is goed te volgen:
“Kelk zou tegengeworpen kunnen worden dat subjectieve leedervaring niet doorslaggevend zou moeten zijn. Toch valt er in ieder geval wat voor te zeggen niet blind te varen op (expliciet in de parlementaire geschiedenis neergelegde) doelstellingen van de wetgever. Volgt de rechter kritiekloos de wetsgeschiedenis dan kan dat met zich brengen dat een sanctie wordt ‘geoormerkt’ als herstelsanctie terwijl zij materieel (naar haar werking) bekeken (in een concreet geval) bestraffing behelst. Bestuursorganen kunnen bovendien een herstelsanctie misbruiken om een (verkapte) bestraffende sanctie op te leggen (détournement de pouvoir) als de rechter alleen kijkt naar het etiket dat de wetgever op de sanctie heeft geplakt.”7
Onduidelijkheid over het criminal-charge karakter van fiscale regels
Het zal niet verbazen dat binnen de fiscaliteit, waarbinnen belastingmaatregelen in de regel ‘pijn doen in de portemmonee’, regelmatig betoogd wordt dat een bepaalde regel een strafkarakter heeft.
De Commissie ter bestudering van het begrip belastingen, legt het onderscheidend criterium tussen belastingen en vermogenssancties bij de intentie waarmee de overheid het desbetreffende gedrag (met dwang) vordert: wordt de keuze van de overheid bepaald door de wens overheidsinkomsten te genereren, dan gaat het om belastingen.8
Anti-misbruikregelingen en faciliteiten onder voorwaarden
Feteris haalde in zijn dissertatie uit 1991 in dit verband bijvoorbeeld anti-misbruikregelingen en faciliteiten onder voorwaarden aan. In algemene zin beschrijft hij, waar de verwarring ten aanzien van het onderscheid tussen dergelijke belastingregelingen en bestraffing door kan ontstaan. Normaal gesproken is er geen sprake van een bestraffende sanctie als iemand een fiscale faciliteit mist of verliest vanwege het feit hij de daarvoor geldende voorwaarden niet vervult. Toch erkent Feteris dat soms getwijfeld kan worden aan het karakter van faciliteiten onder voorwaarden.9 Enerzijds is immers sprake van normale regulering, een normale toepassing van rechtsregels, waarbij (gunstige) rechtsgevolgen alleen intreden wanneer aan bepaalde voorwaarden voldaan is. Anderzijds komt een bestraffend karakter volgens hem in beeld als de faciliteit aan belastingplichtige wordt onthouden wegens laakbaar gedrag, en de betrokkene niet alsnog voor de faciliteit in aanmerking komt wanneer hij naderhand wel aan de voorwaarden voldoet.10 Verder worden anti-misbruikregelingen in de regel in het leven geroepen om het belastingvoordeel ervan ongedaan te maken, of althans te beperken. Van bestraffing zou volgens Feteris pas kunnen worden gesproken
“in het uitzonderlijke geval dat de constructie wordt getroffen met een heffing die bewust hoger is gesteld dan een belasting die bij een normale gang van zaken verschuldigd zou zijn en waarbij het de bedoeling is om op die manier tot uiting te brengen dat het om een ongewenste constructie gaat.”11
Kortom: volgens Feteris is bij belastingheffing kennelijk sprake van een normale gang van zaken of regulering, die niet zozeer gericht is op afkeuring of laakbaar gedrag en die de uitkomst is van een neutrale formule en niet hoger is dan dat.
Het anoniementarief in de loonbelasting
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 januari 1998 over het anoniementarief (art. 26b Wet op de Loonbelasting 1964, een tarief van 60%, als automatisch gevolg van het voldoen aan de voorwaarden in de genoemde bepaling) in de loonbelasting ook aangegeven dat de logische inbedding van dit tarief in de gedifferentieerde tariefstructuur een belangrijk gegeven was om te concluderen dat geen sprake was van een criminal charge:12
“De toepassing van het anoniementarief op werknemers waarvan de identiteit inderdaad niet bij de belastingdienst bekend is, levert geen maatregel met een bestraffend of afschrikwekkend karakter op. Indien belasting wordt geheven volgens een gedifferentieerd tarievenstelsel en de identiteit van de belastingplichtige is niet bekend, is het redelijk – mede ter voorkoming van schade door te lage belastingheffing – de in te houden belasting af te stemmen op het hoogste bedrag dat de belastingplichtige, gezien de mogelijkheid van andere onbekende inkomsten, over zijn looninkomsten uiteindelijk aan inkomstenbelasting verschuldigd zou kunnen zijn. Dat is geen straf, maar een logisch gevolg van de tariefdifferentiatie.”13
Alhoewel de Hoge Raad dit standpunt nadien nog meermaals heeft herhaald,14 is in de literatuur regelmatig anders bepleit. Zo meent Feteris bijvoorbeeld dat het anoniementarief wel een repressieve sanctie is, omdat de heffing per definitie hoger is dan de loonbelasting die normaal verschuldigd zou zijn. Ook geeft hij aan dat het gedrag dat aan de toepassing van het tarief ten grondslag ligt, (ook) strafbaar is (toen art. 69 onderdeel c AWR). Tot slot merkt hij op dat het tarief geen toepassing vindt bij afwezigheid van schuld.15 Feteris geeft ook duidelijk het gevolg aan, van het volgens hem onterecht niet aanmerken van het anoniementarief als zodanig:
“Het zal duidelijk zijn dat de rechter hier de ruimte mist om een strafmaat te kiezen die naar zijn oordeel passend is. Ik acht deze beperking van de toegang tot het recht dan ook in strijd met art. 6, lid 1 EVRM.”16
Omkering en verzwaring van de bewijslast
Ook al sinds jaar en dag, wordt de vraag opgeworpen of de procedurele sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast een criminal charge inhoudt. Omkering en verzwaring van de bewijslast is een procedurele reactie (onder andere) in fiscale procedures. In het geval van aanslagverhogende posten krijgt de belastingplichtige de taak te doen blijken dat het bedrag van de aanslag niet correct is. De toepassing van de sanctie is verplicht. Deze volgt als het ware automatisch van de zijde van de inspecteur indien sprake is van een niet-vereiste aangifte of een onherroepelijk geworden informatiebeschikking. De rechter kijkt ambtshalve naar de toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Het doel van de sanctie is het mogelijk te maken voor de inspecteur om tot een richtige belastingheffing te komen, door te voorkomen dat hij in dit opzicht in bewijsmoeilijkheden verzeild raakt.
Omkering en verzwaring van de bewijslast wordt als zware sanctie beschouwd. In dit verband wees Hertoghs op een arrest van de Hoge Raad van 11 december 1991 waarin halsstarrig zwijgen van de verdachte belastingplichtige werd gesanctioneerd met een omkering van de bewijslast. Hij plaatst hierbij enkele kritische kanttekeningen. Zo vraag hij zich af of niet reeds de dreiging van deze zware sanctie onder omstandigheden kan worden gekwalificeerd als een pressie tot het afleggen van verklaringen.17 Ook Wattel stelde in 1993 al de vraag of de omkering van de bewijslast geen straf was als bedoeld in art. 6 EVRM.18 Ook Van Eijsden noemt de omkering en verzwaring ingrijpend. Hoewel de wezenlijke strekking van de omkering van de bewijslast het herstellen van het door belanghebbendes toedoen verstoorde processuele evenwicht is wordt de omkering van de bewijslast wel degelijk als een sanctiemaatregel ervaren, zo schrijft hij.19 In de praktijk betekent omkering van de bewijslast bijna altijd dat een bezwaar- of beroepschrift moet worden afgewezen, zo schrijft Feteris.20
In een arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1998 werd de vraag beantwoord of de omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden gezien als een criminal charge. In dit arrest ging het om een belastingplichtige aan wie een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over de jaren 2007 tot en met 2009 en een correctie op de aanslag van 2010 werd opgelegd. Het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde in deze zaak dat de bewijslast diende te worden omgekeerd en verzwaard. Het Hof stelde dat de aangifte van 2009 niet binnen de gestelde termijn was gedaan en dat voor de jaren 2007, 2008 en 2010 de vereiste aangifte niet was gedaan, omdat de inkomsten uit de handel in softdrugs niet waren opgenomen in de aangifte. De belanghebbende voerde hiertegen aan dat de omkering en verzwaring van de bewijslast een criminal charge was in samenhang met een tegen hem lopend strafrechtelijk onderzoek. De Hoge Raad ging hier echter niet in mee en oordeelde dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van art. 27e AWR (destijds art. 29 lid 2 AWR) geen sanctie van strafrechtelijke aard is in de zin van art. 6 EVRM. Volgens de Hoge Raad dient de omkering en verzwaring van de bewijslast te worden gezien als een dwangmiddel van administratiefrechtelijke aard, gericht op het bevorderen van juiste en volledige aangiften, en niet als een maatregel met een afschrikkend of bestraffend karakter.21
Het weigeren van rechten in de btw-sfeer
Feenstra wijdde in 2016 een bijdrage aan het onderscheid tussen belasting en straf. Niet in algemene zin, zoals Feteris deed, maar specifiek ten aanzien van het weigeren van rechten in de sfeer van btw-fraude. Het feit dat het weigeren van rechten in de btw-sfeer geen criminal charge oplevert, verbaast haar.22 Ze analyseert (overigens niet als enige) de uitspraken in de zaak Italmoda.23/24
De zaken gingen over de weigering van rechten aan een Nederlandse v.o.f. (Schoenimport Italmoda) die verstrikt raakte in een Italiaanse btw-carrousel. Het betrof de export van door de Nederlandse v.o.f. ingekochte computers naar Italië. De v.o.f. had in Nederland de inkoop-btw in aftrek gebracht en de levering aangegeven als intracommunautaire levering aan Italië, zodat het nul-tarief kon worden toegepast. Aldaar werd de levering niet als intracommunautaire verwerving aangegeven en ook werd geen btw afgedragen. In Italië werd, toen de fraude aan het licht kwam, vanzelfsprekend nageheven, maar ook in Nederland was dit het geval: de teruggaaf van de inkoop-btw en de toepassing van het nultarief werden geweigerd, waardoor nog extra btw betaald moest worden.
De v.o.f. voerde aan dat er voor de weigering van deze rechten, die strafrechtelijk van aard aanvoelden, geen wettelijke basis was. Voor strafrechtelijke maatregelen geldt op grond van het legaliteitsbeginsel dat een wettelijke basis bij uitstek vereist is (art. 49 EU-Handvest). De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen en door het HvJ EU werd geoordeeld dat de weigering van rechten louter de consequentie was van betrokkenheid bij fraude en het daarom van het niet voldoen aan de voorwaarden uit de BTW-richtlijn. Daarom kon niet gesproken kan worden van een straf of sanctie.25 Het HvJ EU maakt ook duidelijk dat een wettelijke basis dus niet vereist is:
“Het bepaalde in de Zesde richtlijn (77/388/EEG) (…) moet aldus worden uitgelegd dat de nationale autoriteiten de belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij deelnam aan fraude, de toepassing moeten weigeren van het recht op aftrek van voorbelasting, het recht op vrijstelling ter zake van de intracommunautaire levering en het recht op verlaging van de maatstaf van heffing krachtens de regeling van artikel 28 ter, A, lid 2, tweede alinea, van deze richtlijn, alsook van ieder eventueel daarmee samenhangend recht op teruggaaf, zelfs indien de nationale wet hierin niet uitdrukkelijk voorziet.”26
De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het aan nationale instanties is om rechten te weigeren ook indien de wet niet voorziet in bepalingen van die strekking:
“Uit de hiervoor onder 1 weergegeven verklaring voor recht volgt echter dat op grond van het recht van de Europese Unie op het gebied van de btw het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een belastingplichtige in het kader van een intracommunautaire levering de toepassing te weigeren van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van btw, ook indien de nationale wet niet voorziet in bepalingen van die strekking, indien aan de hand van objectieve gegevens komt vast te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de btw in het kader van een keten van leveringen.”27
De Hoge Raad komt met andere woorden niet meer toe aan de vraag of de weigering van rechten nu wel of geen punitief karakter kent. Vast staat dat rechten in de btw-sfeer geweigerd kunnen worden als vast staat dat de belastingplichtige wist dat hij bij fraude was betrokken. Feenstra heeft kritiek op deze redenering.28
Op grond van het eerste criterium uit de zaak Öztürk/Duitsland kan dus niet tot maatregelen met een bestraffend karakter worden geconcludeerd. Vervolgens loopt Feenstra de andere twee criteria na.29 Volgens haar is op basis van deze toets zeer wel verdedigbaar dat sprake is van een criminal charge, wanneer genoemde rechten worden geweigerd, onder meer omdat:
De weigering van de rechten rechtstreeks in verband wordt gebracht met (strafbare) fraude;
De inspecteur – net als in het strafrecht – moest aantonen dat belastingplichtige wist of had moeten weten van btw-fraude (terwijl de bewijslast voor aftrekposten normaal gesproken op de belastingplichtige rust);
De waarborg van belastingneutraliteit opzij wordt gezet, wat dubbele heffing tot gevolg kan hebben, en waardoor niet meer kan worden gesteld dat enkel de financiële schade van de unie wordt hersteld;
De naheffingsaanslag die voortvloeit uit de weigering van rechten aanzienlijk kan zijn.
Excessief lenen van de eigen vennootschap
Recenter nog, heeft het wetsvoorstel dat ziet op het excessief lenen van de eigen vennootschap in de in de literatuur een discussie veroorzaakt tussen Peters en Auerbach aan de ene kant, die menen dat de regeling een criminal charge behelst, en Witpeerd aan de andere kant, die denkt dat dit een onjuiste conclusie is.30 Het voert – in het licht van dit onderzoek – te ver de inhoud van de regeling integraal te behandelen. Daarom kort: vanaf 2023 worden de mogelijkheden beperkt voor aanmerkelijkbelanghouders om onbelast geld te lenen van hun eigen onderneming. Zij mogen vanaf dan nog tot 500.000 euro lenen, met uitzondering van bestaande eigenwoningschulden. De regeling is als ‘belastingregeling’ gekwalificeerd en de drie genoemde auteurs laten het eerste Öztürk criterium dan ook voor wat het is. Wel gaan ze allemaal in op het tweede criterium. Het EHRM maakt een onderscheid tussen voor eenieder geldende strafmaatregelen en disciplinaire maatregelen zoals die gelden voor specifieke beroepsgroepen. Auerbach en Peters menen dat de voorgestelde maatregel in het wetsvoorstel excessief leven van de eigen vennootschap voor alle burgers geldt omdat iedereen potentieel een DGA is. Dit is volgens Witpeerd geen sluitende redenering. Ondanks de andere route er naartoe, komen ze alle drie tot de conclusie dat op grond van het tweede criterium niet van een criminal charge kan worden gesproken. In het kader van het derde criterium uit de zaak Özturk/Duitsland, schrijven Auerbach en Peters dat de maatregel voorziet in een sanctie die leedtoevoeging of afschrikking beoogt. Het ontmoedigen van excessief lenen wordt door hen dus als punitief doel gezien. Witpeerd is het op dit punt (wederom) niet met de auteurs eens, en merkt op:
”Daar (excessief lenen, verklaring CH) is immers niets op tegen. De reden voor het voorstel is het feit dat het excessief lenen van de eigen vennootschap leidt tot belastinguitstel (of zelfs afstel) en tot langdurige discussies over verkapte winstuitdelingen.”31
Resumerend
Op grond van de voorgaande voorbeelden, die zowel uit de jurisprudentie als uit de literatuur voortvloeiden, en die zowel binnen als buiten de fiscaliteit te vinden zijn, kan de conclusie worden bevestigd, dat het lastig is om vast te stellen of de toepassing van een bepaalde regel een criminal charge inhoudt.
In paragraaf 8.4.3. wordt daarom voorzien in enkele aanbevelingen ten aanzien van een toetskader dat sancties op hun punitieve karakter kan beoordelen.Voor nu wordt, aangezien dit recht is dat nu gelding heeft, gewerkt met het bestaande kader uit de zaak Öztürk/Duitsland.
Uit de uitspraak Öztϋrk/Duitsland bleek in de eerste plaats dat de oplegging van een strafrechtelijke straf dankzij haar nationale kwalificatie als criminal charge kwalificeert. Bij de fiscaal strafrechtelijke straffen hoeft dus niet meer te worden stilgestaan in deze paragraaf. De strafrechtelijke sancties van art. 68, 69, 69a AWR en de sancties uit het Wetboek van Strafrecht (art. 225, 420bis(.1) en 420quater(.1) leveren automatisch een criminal charge op; met zekerheid kan gesteld worden dat de gevangenisstraf, hechtenis, strafrechtelijke geldboete, de ontzetting van rechten, de openbaarmaking van een uitspraak, de verbeurdverklaring en de taakstraf een criminal charge inhouden. Dit geldt ook voor de straffen die via de modaliteit van de strafbeschikking kunnen worden opgelegd.32
Interessanter is de vraag of de andere in hoofdstuk zes besproken fiscale reacties als criminal charge kwalificeren. Deze vraag rijst in het bijzonder voor wat betreft de toepassing van het derde criterium, ten aanzien van:
De bestuurlijke verzuimboeten van art. 67a t/m 67ca AWR. Aan het criminal charge-karakter van de oplegging van deze boeten kan op voorhand getwijfeld worden, omdat de maximale strafbedreiging die eraan gekoppeld is absoluut en relatief laag genoemd kan worden;
De strafrechtelijke maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Aan het criminal charge- karakter van de oplegging hiervan kan getwijfeld worden omdat het doel van de maatregel niet punitief is. Tegelijkertijd is de sanctie opgenomen in het Wetboek van Strafrecht en wordt de ontnemingsprocedure beheerst door strafrechtelijke regels.
De civiele dwangsom. Deze wordt als dwangmiddel gezien volgens de Hoge Raad. Daarmee wordt een punitief karakter uitgesloten, maar vanwege de hoogte waartoe het totaalbedrag aan dwangsommen kan oplopen, kan de dwangsom wel punitief overkomen. Vanaf een bepaald moment lijkt met het verbeuren van nieuwe dwangsommen punitief te zijn.
De openbaarmaking van vergrijpboeten aan deelnemers. Hiervoor geldt hetzelfde dilemma als voor de dwangsom: het doel is niet punitief, maar de effecten zijn wel als zodanig te bestempelen.
In paragraaf 7.3.2. wordt de kwalificatie van deze sancties beoordeeld.