Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/6.2.1
6.2.1 Het ancien régime en het droit d’aubaine: rudimentair Frans burgerschap in het erfrecht
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181184:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover meer: Peter Rietbergen, ‘Staat, standen en klassen’, in: Willem Frijhoff, Leo Wessels (red.), Veelvormige dynamiek. Europa in het ancien régime 1450-1800, Amsterdam: Sun 2006, p. 125 e.v.
W.R. Brubaker, ‘The French Revolution and the Invention of Citizenship’, French Politics and Society, vol. 7, no 3, 1989.
R.R. Palmer schrijft dan ook terecht: “[…] what a later generation would call inequality was built into the fabric of society […]. All persons in principle had rights recognized by law or custom, but their rights […] depended on the social category to which one belonged.” R.R. Palmer, The World of the French Revolution, New York: Harper & Row 1971, p. 34. Deze standenmaatschappij waarbij ten aanzien van de werking van het burgerschapsbegrip ertoe doet tot welke stand een bepaalde person behoort, vertoont raakvlakken met de in Hoofdstuk II behandelde hervormingen voorgesteld door de Griekse archont Solon. Hij verdeelde de burgerij in vier vermogensklassen, waarbij de personen die deel uitmaakten van de eerste vermogensklasse meer aanspraak konden maken op burgerschapsrechten dan personen van een lagere vermogensklasse. Zie ook 2.2.1 (‘Burger van Sparta of van Athene: eenzelfde verschijnsel, verschil in uitwerking’).
Rietbergen 2006, p. 116-117. De preambule van de Grondwet van 14 september 1791 illustreert treffend waarvan de revolutionairen afstand wilden doen, waaronder stand, maatschappelijk onderscheid op basis van erfelijke rechten, het feodaal stelsel: “L’Assemblée nationale voulant établir la Constitution française sur les principes qu’elle vient de reconnaître et de déclarer, abolit irrévocablement les institutions qui blessaient la liberté et l’égalité des droits. - Il n’y a plus ni noblesse, ni pairie, ni distinctions héréditaires, ni distinctions d’ordres, ni régime féodal, ni justices patrimoniales, ni aucun des titres, dénominations et prérogatives qui en dérivaient, ni aucun ordre de chevalerie, ni aucune des corporations ou décorations, pour lesquelles on exigeait des preuves de noblesse, ou qui supposaient des distinctions de naissance, ni aucune autre supériorité, que celle des fonctionnaires publics dans l’exercice de leurs fonctions. - Il n’y a plus ni vénalité, ni hérédité d’aucun office public. - Il n’y a plus, pour aucune partie de la Nation, ni pour aucun individu, aucun privilège, ni exception au droit commun de tous les Français. - Il n’y a plus ni jurandes, ni corporations de professions, arts et métiers. - La loi ne reconnaît plus ni voeux religieux, ni aucun autre engagement qui serait contraire aux droits naturels ou à la Constitution.”
Zie paragraaf 2.4 (‘Burgerschap in de Renaissance: de teloorgang en de wedergeboorte’).
In de praktijk pakte deze regel echter anders, enigszins soepeler uit. Dat heeft te maken met de omstandigheid dat de jurisprudentie van de parlementen – die ter sprake zijn gekomen in Hoofdstuk II – een nogal inclusieve benadering hadden ten aanzien van de aubain. Het gevolg hiervan was dat relatief veel personen niet onder het droit d’aubaine vielen. Een andere bijkomstigheid was dat, teneinde tegemoet te komen aan de vestiging van geschikte buitenlandse werknemers op het Franse grondgebied, nogal veel personen werden uitgezonderd van het droit d’aubaine dan wel door middel van lettres de naturalité werden genaturaliseerd in Fransen. Brubaker 1989, p. 32-33. Zie ook: Jean-Francois Berdah, ‘Citizenship and National Identity in France from the French Revolution to the Present’, in: Ellis, Halfdanarson, Isaacs (red.), Citizenship in Historical Perspective, Pisa: Pisa University Press 2006; Peter Sahlins, Sylvie Rab, Cécile Alduy, ‘La nationalité avant la letter. Les pratiques de naturalisation en France sous l’Ancien Régime’, Annales. Histoire, Sciences Sociales, 55e année, no 5, 2000.
Aangezien in een feodaal stelsel de leenheer een rechtsverhouding aanging tot de aubain, verschilden de voorwaarden om te worden aangemerkt als een aubain gedurende het ancien régime in Frankrijk. Marguerite Vanel, Evolution historique de la notion de français d’origine du XVIe siècle au code civil. Contribution a l’étude de la nationalité française d’origine, Paris: Ancienne Imprimerie de la Cour d’Appel 1945, p. 5.
M. Boulet-Sautel, ‘L’aubain dans la France cautumière du Moyen Age’, in: Recuels de la Société Jean Bodin, Vol. 10, L’Etranger, Brussels: Éditions de la Librairie Encyclopédique 1958, p. 68-95.
Brubaker 1989, p. 33: “The legal distinction between French citizen and foreigner thus originated in the late medieval consolidation of royal authority at the expense of seigneurial rights.” Zie ook: P. Sahlins, ‘Sur la citoyenneté et le droit d’aubaine à l’époque moderne’, Annales. Histoire, Sciences Sociales 2008/2 (63e année).
Over het ontstaan van het Unieburgerschap zie paragraaf 5.2 (‘Het EU-burgerschap als legitimatie- en beloningsinstrument’).
M. Vanel, Histoire de Nationalité Française d’Origine, Paris: Ancienne Imprimerie de la Cour d’Appel, 1945, p. 27-29.
Zie paragraaf 2.5.1 (‘De verzoening van soevereiniteit en burgerschap’). Dit kenbaar maken van de wil van de burger geschiedt thans, zoals opgemerkt in Hoofdstuk II, in het vertegenwoordigende orgaan. In dit kader is de bijdrage van Constant in zijn De la liberté des Anciens comparée à celle des modernes relevant. Hij zet daarin uiteen dat een fundamenteel verschil tussen het burgerschapsbegrip voor en na de revolutie is dat dit begrip na de revolutie wordt ingevuld door middel van politieke representatie. Zie daarover paragraaf 2.6.1 (‘De verandering van Hobbes’ mensbeeld en het belang van de individuele vrijheid’).
Jean Bodin, La République, 1, I, hoofdstuk VI; Vanel 1945b, p. 28; Lefebvre 2003, p. 16
Jean Bodin, La République, 1. I, hoofdstuk VI; Vanel 1945b, p. 25.
Vanel 1945b, p. 34; Brubaker 1989, p. 33. Zie ook: R. Brubaker, ‘De l’immigré au citoyen’, Actes de la recherche en Sciences Sociales, 99, 1993.
Brubaker 1989, p. 33.
Ook in de Nederlanden is het burgerschapsbegrip ontstaan in het burgerlijke recht: zie daarover nader Hoofdstuk VII van deze studie. Zie ook: G.R. de Groot, M. Tratnik, Nederlands nationaliteitsrecht, Deventer: Kluwer 2010.
Het stelsel van het ‘oude regime’ was allesbehalve egalitair ingesteld. Het stelsel omvatte in totaal drie standen. De eerste stand bestond uit de geestelijkheid, de tweede stand uit de adeldom en de derde stand omvatte de burgerij van de steden waarbij de nadere invulling per streek verschilde.1 Hoewel de geestelijkheid en de adel tezamen slechts enkele procenten omvatten van de Franse bevolking, maakten zij politiek, economisch en sociaal de dienst uit in de maatschappij. Daarnaast bezette de adel de belangrijke functies op het gebied van het staatsapparaat en waren zij uitgesloten van de voornaamste belasting, de zogenoemde taille.2 Rechtsongelijkheid tussen en binnen de standen was derhalve aan de orde van de dag.3 Onder meer hierom werd in de tweede helft van de achttiende eeuw kritiek geuit op de gevestigde orde op het Europese continent. Er ontstond verzet tegen de enigszins verstarde structuren in de Franse samenleving waarin ideeën van verlichte denkers subiet werden afgekeurd. Verschillende auteurs omschreven deze verstarde gevestigde orde op het Europese continent tussen de vijftiende eeuw en de achttiende eeuw als het ‘ancien régime’.4
Met betrekking tot de rechten en plichten die een persoon had gedurende de eerste eeuwen van het ancien régime, was het in beginsel irrelevant of iemand een Fransman was of niet. Dit was een van de gevolgen van het feodalisme, zoals is uiteengezet in Hoofdstuk II.5 De landheer ging daarbij een rechtsbetrekking aan met de leenman. Het burgerschap deed er in beginsel niet toe in die rechtsverhouding. Relevant was in die rechtsverhouding de stand van de persoon in kwestie. Het was immers van belang of een persoon behoorde tot de geestelijke dan wel de adelstand. In ieder geval in één opzicht was de vraag of een persoon een Franse afkomst had wel relevant. Dat was het geval in het erfrecht. Wanneer een persoon kwam te overlijden, was het relevant te achterhalen of hij Fransman was. Indien een niet-Fransman (een zogenoemd aubain) kwam te overlijden op Frans grondgebied en geen Franse nabestaande(n) naliet, kwam het gehele vermogen van de aubain in de handen van de landheer. Het voorgaande werd juridisch mogelijk gemaakt door het zogenoemde droit d’aubaine.6 Dit droit d’aubaine kwam aanvankelijk toe aan de landheer, bij wie de aubain in dienst stond. De positie van de aubain werd dan ook gedefinieerd in relatie tot de landheer, zoals gebruikelijk in een feodaal stelsel.7
Gedurende de late dertiende eeuw tot aan de vijftiende eeuw kwam hier geleidelijk verandering in. De koning usurpeerde namelijk dit droit d’aubaine en herdefinieerde de positie van de aubain aldus dat hij in relatie stond tot de koning.8 Dit creëerde voor het eerst in de Franse geschiedenis een definitie van de aubain die gold voor het gehele Franse koninkrijk.9 Door het (her)definiëren van de aubain ontstond ook een eerste juridische status van de Franse burger. Deze definities van de burger en de aubain waren echter niet eenduidig vanwege de omstandigheid dat het burgerschapsbegrip een nogal rudimentaire invulling had. Burgerschap en burgerschapsrechten waren immers niet gecodificeerd, maar vloeiden veeleer voort uit gewoonte. De rudimentaire invulling hing ook samen met de omstandigheid dat de rechtsprekende parlementen het burgerschapsbegrip casuïstisch benaderden. De verklaring daarvoor was dat de parlementen werd gevraagd uitspraak te doen in een concreet geschil dat zich voordeed. De analyse van verschillende commentatoren op de uitspraken van deze parlementen illustreert dat deze uitspraken niet uitblinken in consistentie en systematiek. Vermoedelijk is de casuïstische benadering van de parlementen en het gebrek aan eenduidige wetgeving de reden hiervan.
Opvallend is in ieder geval dat in de hiervoor genoemde eerste aanzet van de koning om de vreemdeling te onderscheiden van de Fransman een beloningsaspect valt te ontwaren. Dit beloningsaspect was eveneens aanwezig gedurende het ontstaan van het burgerschapsbegrip op het Griekse vasteland, zoals beschreven in Hoofdstuk II, en het ontstaan van het Unieburgerschap, zoals beschreven in Hoofdstuk V. Bij het ontstaan van het Franse burgerschapsbegrip ging het echter, anders dan bij het ontstaan van de burgerschapsnotie in de klassieke oudheid, niet zozeer om de wederkerigheid van de rechtsrelatie tussen het koninkrijk van de koning en de Fransman, maar lag de nadruk veeleer op de omstandigheid dat de Fransman in tegenstelling tot de aubain bepaalde rechten heeft die de aubain ontbeert. Het aspect van de legitimatie van geldend recht ontbreekt bij deze vorm van burgerschap, anders dan het geval is bij bijvoorbeeld het ontstaan van het Unieburgerschap waar expressis verbis een beroep werd gedaan op de rol van het Unieburgerschap bij de legitimatie van Unieregelgeving.10 De omstandigheid dat in deze tijd geen beroep werd gedaan op burgerschap als legitimatie van regelgeving is gezien de historische context verklaarbaar. De hiervoor omschreven standenmaatschappij verhinderde immers de betrokkenheid van burgers bij de totstandkoming van regelgeving.
In de zestiende eeuw kreeg het Frans nationaliteitsrecht iets meer gestalte.11 Niet alleen valt in de uitspraken van de parlementen enige mate van consistentie te ontwaren, ook in de literatuur werd gewaagd een definitie te formuleren van het begrip ‘burger’. Een van de auteurs die een poging deed hiertoe is de in Hoofdstuk II aangehaalde Jean Bodin. Jean Bodin werd in Hoofdstuk II aangehaald als de man die als een van de eersten stelde dat een burgerschapsinstituut noodzakelijk is om de wil van de burger kenbaar te maken.12 Teneinde een dergelijk burgerschapsinstituut mogelijk te maken was klaarheid ten aanzien van de term ‘burger’ noodzakelijk volgens hem. Vragen als ‘wie kan deelnemen aan dit instituut’ en ‘aan welke voorwaarden dient hij dan te voldoen’ zijn daarbij essentieel. Bodin definieert de burger als volgt: “Le citoyen naturel est le franc sujet de la République où il est natif soit de deux citoyens, soit de l’un ou de l’autre seulement.”13 Bodin vervolgt: “Le plus notable privilè que le citoyen a par-dessus l’etranger est qu’il a pouvoir de faire testament et disposer de ses biens selon les coutumes: ou bien laisser ses proches parents héritiers. L’etranger n’a nez l’un nez l’autre, et ses biens sont acquis au seigneur du lieu où il est mort.”14 Deze definitie komt enigszins overeen met de definitie die in de Franse staatkundige praktijk werd gehanteerd van de burger. Een persoon werd aangemerkt als een burger indien er was voldaan aan drie voorwaarden. Ten eerste diende de persoon in kwestie te zijn geboren in Frankrijk. Ten tweede diende in ieder geval één van de ouders het Franse burgerschap te bezitten. Tot slot diende de persoon ingezetene te zijn van Frankrijk.15 Het ingezetenschap was in ieder geval tot de achttiende eeuw relevant ter verkrijging van het Franse burgerschap. De eerste twee voorwaarden waren echter niet cumulatief. Indien een burger voldeed aan een van de twee voorwaarden, dan was dat voldoende om de persoon in kwestie aan te merken als een Franse burger.16 Hoewel de definitie van de burger steeds meer invulling kreeg in de praktijk, was het burgerschaps- of nationaliteitsrecht geen onafhankelijk rechtsgebied in het Franse recht gedurende het ancien régime. Burgerschap was namelijk nauw gekoppeld aan het erfrecht.17 Pas na de Franse Revolutie kreeg het burgerschapsbegrip een zelfstandige positie in het Franse recht en in het politieke en juridische debat over de staatsstructuur. Voor de legitimering van de revolutionaire idealen, waarbij burgerschap een relevante rol speelde, deden de revolutionairen een beroep op het gedachtegoed uit de antieke wereld, zoals zal blijken uit het navolgende.