Einde inhoudsopgave
Vijandige overnames (IVOR nr. 79) 2010/1.3
1.3 Afbakening en verantwoording
mr. M.J. van Ginneken, datum 23-11-2010
- Datum
23-11-2010
- Auteur
mr. M.J. van Ginneken
- JCDI
JCDI:ADS616567:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De vraag is wanneer sprake is van controle. Ik ga ervan uit dat hier sprake van is als de ovememer voldoende aandelen heeft verworven om de zittende vennootschapsleiding te kunnen vervangen door zijn eigen vertegenwoordigers. Zie ook de definitie van control transaction in The Anatomy of Corporate law (2009), p. 225.
Zie ook Van Schilfgaarde/Winter (2009), p. 113.
De Hoge Raad lijkt hier in zijn RNA-uitspraak ook van uit te gaan. Bij RNA ging het om activisme, maar de Hoge Raad spreekt ook over een ongewenste overname. Zie HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 m.nt. Maeijer, JOR 2003, 110, m.nt. Blanco Femandez (RNA/Wesijield), rov. 3.7. Zie over de RNA-uitspraak § 2.4.2 onder A en Hoofdstuk 10.
Zie over dit onderscheid o.a. The Anatomy of Corporate Law (2009), p. 229 en 256-263, Winter (2001a), p. 11, Gilson & Gordon (2003) en Gilson (2006). Dit aspect neem ik wel mee in mijn bestudering van het level playing field argument. Vaak wordt gezegd dat Europa en (dus) ook Nederland blockholder systemen zijn, met veel controlerende aandeelhouders. In veel gevallen is dat misschien zo, maar in veel gevallen ook niet. De meeste AEXvennootschappen hebben (in normale omstandigheden) geen controlerende aandeelhouder. Vaak is het aandelenkapitaal van een Nederlandse beursvennootschap net zo wijdverspreid als in de VS. Zie ook Timmerman (2001), p. 125, waar hij een trend signaleert dat het belang van grootaandeelhouders in Europese beursvennootschappen zal afnemen en dat als gevolg hiervan meer vennootschappen een gespreid aandelenbezit kennen zoals dit bij Amerikaanse beursvennootschappen al lang gebruikelijk is.
Zie voor de beperking van rechtsvergelijking Kroeze (2004), p. 297. De rechtsvergelijking levert aanvullende argumenten op. Maar niet alle factoren kunnen worden gewaardeerd. Zie voor een rechtsvergelijkend overzicht van corporate governance Winter (2006) en Winter (2007).
Zie Kroeze (2004), besproken door Verdam (2006a).
Zie Assink (2007a).
Zie Assink (2007a), Hoofdstuk VI en VII. In Hoofdstuk VI ontvouwt hij de door hem ontwikkelde werkmethode. Hij bepleit dat deze werkmethode zowel binnen enquêterecht wordt toegepast als wordt ingepast in de systematiek van art. 2:9 BW. In Hoofdstuk VII gaat hij hier nader op in. Assink wijdt ook enkele passages aan de business judgment rule en de toetsing van bestuurlijk handelen in vijandige overnamesituaties. Zie Assink (2007a), p. 580-586. Dit betrek ik uiteraard in dit onderzoek. De business judgment rule en (dus) ook de studie van Assink is echter veel breder, en ziet met name op de vraag hoe moet worden getoetst of bestuurders (en commissarissen) aansprakelijk zijn voor hun handelen. Hierop, en op het algemene pleidooi van Assink voor een Nederlandse business judgment rule, ga ik niet in.
Zie SER-Advies (2008). Zie hierover het themanummer van Ondernemingsrecht, 2008-6. Overigens heeft deze oproep vooralsnog geen gehoor gekregen van de Minister. In het consultatiedocument over herziening van het enquêterecht wordt gesteld dat de Minister niet van plan is invoering van de business judgment rule voor te stellen.
Zie Parijs (2005).
Zie bijvoorbeeld de conclusies van AG Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434, m.nt. Maeijer, JOR 2007/178 m.nt. Nieuwe Weme (HR ABN AMRO) en HR 9 juli 2010, JOR 2010/228 m.nt. Van Ginneken (HR ASMI).
Zie Timmerman (2001), p. 124 e.v. Zie voor de invloed van het Amerikaanse effectenrecht op Nederlandse beursvennootschappen Van Ginneken (2003) en Van Ginneken (2004) over de Sarbanes-Oxley Act.
Zie ook Timmerman (2003c), p. 1639.
Zie Uniken Venema (1962), p. 8. Zie ook Uniken Venema (1971).
Zo zou een vergelijking met het VK, waar juist wel voor de passiviteitsregel is gekozen, ook interessant zijn. Ik heb voor vergelijking met de VS gekozen omdat dat systeem in bepaalde opzichten juist meer op ons systeem lijkt, in die zin dat ook daar de passiviteitsregel is afgewezen en de normering van bestuurlijk handelen in vijandige ovemamesituaties door rechters plaatsvindt. Bovendien bestaat juist daar een uitgebreide discussie over de voor- en nadelen van de passiviteitsregel. Ten slotte merk ik op dat met de toevoeging van een rechtsvergelijkend deel met het VK dit onderzoek ook te omvangrijk zou worden. Overigens is de vergelijking tussen de VS en het VK ook interessant, omdat deze twee Anglosaksische rechtsgebieden, met grote overeenkomsten, op dit punt zulke verschillende keuzes hebben gemaakt. Zie hierover uitgebreid Armour & Skeel (2007). Zie voor enige vergelijkende beschouwingen tussen Nederland, de VS en het VK Winter (2006), Winter (2007) en Raaijmakers & Van der Schee (2008). Gelukkig verschijnen ook mooie studies over andere rechtstelsels. Om er enkele te noemen: Verbrugh (2007), Klaassen (2007), Koster (2009).
Uniken Venema (1962), p. 18.
HR 9 juli 2010, JOR 2010/228 m.nt. Van Ginneken (HR ASMI).
Dit onderzoek gaat over de rol van de vennootschapsleiding in vijandige overnamesituaties en de wijze waarop het bestuurlijk handelen in die situaties wordt genormeerd. Het uitgangspunt hierbij is een vijandige overname van een beursvennootschap (de doelvennootschap) door een derde, door middel van een openbaar bod op alle of een deel van de uitstaande aandelen in de doelvennootschap, met het oogmerk controle te verwerven over de doelvennootschap.1 Indien succesvol, zal het bod doorgaans worden gevolgd door het uitstoten van de overgebleven minderheidsaandeelhouders die in eerste instantie niet op het bod zijn ingegaan. Ik richt mij specifiek op vijandige situaties, waarbij de overname dreigt te geschieden tegen de wil van de leiding van de doelvennootschap. Ik bestudeer dus niet zogenoemde vriendelijke overnames. Dit zijn fusies of overnames die het resultaat zijn van overeenstemming tussen de bieder en de (leiding van de) doelvennootschap. Bij dergelijke transacties legt de vennootschapsleiding het onderhandelingsresultaat (een fusie of overname door middel van een openbaar bod) met een positief advies voor aan haar aandeelhouders. De vennootschapsleiding stemt hierbij dus duidelijk in met de overname en werkt hieraan mee. Dit in tegenstelling tot een vijandige overnamesituatie, waarbij de leiding van de doelvennootschap de overname probeert te verhinderen, al dan niet door het nemen van beschermingsmaatregelen. Deze afbakening van het onderzoek wil niet zeggen dat dit onderwerp alleen relevant is voor de relatief weinig voorkomende situaties waarbij sprake is van een vijandig overnamebod. De meeste overnames eindigen vriendelijk, met overeenstemming tussen de overnemer en de doelvennootschap. Deze transacties komen doorgaans niet zonder slag of stoot tot stand. Zij kunnen vijandig zijn begonnen, of er kan tijdens de onderhandelingen met een vijandig bod zijn gedreigd. Juist voor deze situaties is het voor de leiding van de doelvennootschap belangrijk om te weten wat de grenzen van hun bevoegdheden en mogelijkheden zijn en hoe dit door rechters zal worden beoordeeld. De wijze waarop bestuurlijk handelen in vijandige situaties wordt genormeerd, bepaalt dus mede hoe ver men in onderhandelingen kan gaan. Ook voor de overige belanghebbenden, zoals de overnemer en de aandeelhouders, is deze duidelijkheid van belang. Deze normen worden doorgaans ontwikkeld in vijandige situaties, waarin de grenzen worden opgezocht. Het is veelal in deze situaties dat de rechter om een oordeel wordt gevraagd. Vriendelijke transacties leiden minder snel tot rechterlijke uitspraken.
Ik richt mij in dit onderzoek met name op vijandige overnames door middel van een openbaar bod op de aandelen in de doelvennootschap. Er zijn ook andere manieren om de controle over een beursvennootschap over te nemen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren in situaties waarbij een (groot)aandeelhouder, al dan niet in samenwerking met anderen, probeert een strategiewijziging door te voeren, al dan niet via een vervanging van bestuursleden en/of commissarissen. In dergelijke situaties van aandeelhoudersactivisme, waarin juist geen vijandig bod wordt uitgebracht, kan ook sprake zijn van de verwerving van feitelijke zeggenschap in een beursvennootschap zonder instemming van het bestuur van die vennootschap.2 De activisten zijn niet op zoek naar een daadwerkelijk overname van de doelvennootschap, maar proberen slechts een strategiewijziging te bewerkstelligen. In deze situaties krijgen aandeelhouders dan ook geen mogelijkheid om hun aandelen te verkopen, maar worden ze gevraagd voor de plannen van hun mede-aandeelhouders te stemmen. Dit is een belangrijk verschil tussen aandeelhoudersactivisme en een vijandige overname door middel van een openbaar bod. Ondanks het feit dat deze situaties van aandeelhoudersactivisme niet primair onderwerp zijn van dit onderzoek, komen zij wel aan de orde. Dit omdat de in Nederland gehanteerde beschermingsmaatregelen vaak zowel gericht kunnen zijn tegen een vijandig bod als tegen aandeelhoudersactivisme. De rechterlijke uitspraken in activismesituaties zijn dus voor de bestudering van vijandige overnames relevant. Daar komt bij dat aandeelhoudersactivisme ook veel vaker voorkomt dan vijandige overnames. De jurisprudentie ziet dan ook doorgaans op dit soort situaties. Ten slotte kan in Nederland naar mijn mening de normering van bestuurlijk handelen in beide situaties dezelfde zijn.3 Het soort situatie (wel of geen vijandig bod) is voor de toepassing van de norm wel van belang, maar de norm zelf kan en moet mijns inziens in deze situaties zoveel mogelijk dezelfde zijn. Hierop ga ik in Hoofdstuk 10 in.
Bij het onderzoek naar de juiste rol van de vennootschapsleiding in vijandige overnamesituaties ga ik uit van beursvennootschappen met een wijdverspreid kapitaal. Ik ga dus niet in op het specifieke onderscheid tussen het al dan niet aanwezig zijn van controlerende grootaandeelhouders.4 In dat geval ligt de macht veel minder bij het bestuur en veel meer bij de grootaandeelhouder, die in de praktijk de besluitvorming in de ava controleert en een overname kan tegenhouden. Vijandige overnames spelen bij dergelijke vennootschappen dan ook een geheel andere rol dan bij vennootschappen met een wijdverspreid kapitaal. Dit is een belangrijk gegeven. In dergelijke situaties speelt een geheel andere problematiek, namelijk de verhouding tussen de grootaandeelhouder en de minderheidsaandeelhouders. Het gaat veel minder om de spanning tussen de vennootschapsleiding en aandeelhouders, zoals dat bij vennootschappen met een wijdverspreid kapitaal het geval is.
Tot slot nog een opmerking over rechtsvergelijking, met name met de VS.5 Rechtsvergelijking met de VS is de laatste jaren populair. Ook in de Nederlandse rechtsliteratuur lijkt men zich in toenemende mate te laten inspireren door Amerikaanse concepten. Ik noem enkele voorbeelden, die allen voor het onderwerp vijandige overnames van belang kunnen zijn. Zo heeft Kroeze, mede geïnspireerd door het Amerikaanse systeem, gepleit voor invoering in Nederland van een variant op de derivative suit zoals dat in de VS voorkomt.6 Hiermee kunnen aandeelhouders in een afgeleide actie schadevergoeding eisen namens de vennootschap als de vennootschap zelf hiertoe niet overgaat. Een dergelijke actie kent het Nederlandse vennootschapsrecht niet. Assink heeft in zijn proefschrift een Nederlandse variant op de Amerikaanse business judgment rule bepleit, waarmee hij invulling tracht te geven aan de rechterlijke toetsing van bestuurlijk gedrag.7 Hij leunt daarbij zeer sterk op de Amerikaanse jurisprudentie en literatuur op dit punt, en vertaalt dat naar een concrete werkmethode voor Nederlandse rechters bij de toetsing van bestuurlijk gedrag.8 Zijn oproep is niet onopgemerkt gebleven. Ook in het SER-Advies uit 2008 over de herziening van het enquêterecht wordt de invoering van de business judgment rule bepleit.9 Een ander voor de praktijk belangrijk maar wellicht minder fundamenteel onderwerp dat recent aan de hand van de Amerikaanse praktijk aan een grondig onderzoek is onderworpen, is het gebruik van fairness opinions.10 In zijn proefschrift hierover komt Parijs onder meer tot de conclusie dat het bestuur van een doelvennootschap in een vijandige ovemamesituatie niet zou moeten worden verplicht om een fairness opinion van een bank te vragen en dat er op dit punt geen wetgeving nodig is.
Deze Amerikaanse inspiratie blijft niet beperkt tot de rechtsliteratuur. Wij zagen hiervoor al dat rechters specifiek in het overnamerecht naar uitspraken van hun Amerikaanse collegae lijken te hebben gekeken. In bredere zin kan worden geconstateerd dat ook in de conclusies van de Advocaat-Generaal (AG) bij de Hoge Raad in toenemende mate aandacht wordt besteed aan rechtsvergelijking. Hierbij komt de VS meestal ook aan bod.11 De invloed van de Amerikaanse praktijk moet dus niet worden onderschat.
Deze aandacht voor de VS is begrijpelijk. De VS hebben grote invloed, ook op de regulering van beursvennootschappen.12 Het is verleidelijk om het rechtssysteem van de VS als inspiratiebron te nemen omdat het rechtsgebied zo groot is, met veel rechterlijke uitspraken en auteurs die zorgen voor een diepgaande bestudering van vaak universele thema's, waar ook andere rechtstelsels mee te maken krijgen. Het is dan ook zeker nuttig om bij de bestudering en ontwikkeling van het Nederlands recht hieruit inspiratie te putten.13 In zijn oratie uit 1962 stelt Uniken Venema al dat rechtsvergelijking het inzicht in het eigen recht verdiept. Specifiek over de bestudering van het Anglo-Amerikaanse recht stelt hij:
Kennisneming van en vergelijking met het Anglo-Amerikaanse stelsel is inderdaad zeer verhelderend, juist omdat uit een oogpunt van juridische techniek de verschillen tussen de beide systemen zo groot zijn, terwijl toch dezelfde maatstaven van billijkheid en rechtvaardigheid worden gehanteerd. '14
Ik heb het gevoel dat de hoeveelheid stukken over het Amerikaanse recht toenemen en dat de neiging om Amerikaanse concepten over te nemen groeiende is. Met dit onderzoek sluit ik me onmiskenbaar aan bij de trend om naar de VS te kijken. Dat is in zekere zin jammer, omdat ook andere (Europese) rechtstelsels veel waardevols te bieden hebben.15 Ik heb de redenen voor mijn keuze voor de vergelijking met de VS hiervoor evenwel uiteengezet. Ik ben ervan overtuigd dat het voor de bestudering van dit onderwerp nuttig is. Met het overnemen van Amerikaanse concepten ben ik echter terughoudend. Ik realiseer mij terdege dat met de vergelijking met de VS ook moet worden uitgekeken. Het is zeer verleidelijk om al te gemakkelijk concepten over te nemen. Amerikaanse concepten kunnen echter niet klakkeloos worden gebruikt of omgezet naar ons Nederlands vennootschapsrecht. Er moet met diverse verschillen tussen beide rechtstelsels rekening worden gehouden. Bovendien moeten wij ons niet blind staren op alles wat in de VS wordt gezegd of geschreven. Zoals met alles, is lang niet alles wat uit de VS komt mooi of goed. Dat geldt zeker ook voor het (vennootschaps)recht. In dit verband sluit ik mij aan bij de woorden van Uniken Venema:
Dat ik geen slaafse overneming van allerlei regels van Anglo-Amerikaans recht aanbeveel, behoeft geen betoog. Integendeel, een critische gezindheid is bij rechtsvergelijkende onderzoeken zeer belangrijk. Meer dan door een zeker conservatisme wordt degene die de rechtsvergelijking beoefent, nu eenmaal vaak bedreigd door het gevaar dat hij door datgene wat hij in den vreemde aantreft, al te gemakkelijk wordt verlokt.'16
Het onderzoek is afgesloten op 1 mei 2010. Met ontwikkelingen na die datum is in een enkel geval rekening gehouden. De uitspraak van de Hoge Raad in de ASMI-zaak is nog verwerkt.17