Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.6.2.7
17.6.2.7 HR 29 mei 2015, nr. 14/00584; bevestiging HR 21 maart 2008, nr. 43 050
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493611:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 mei 2015, V-N 2015/28.7.
R.o. 2.3.3.
Zie het slot van § 17.6.2.6.3 hiervoor. In lijn met zijn arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050, had de raad kunnen volstaan met de vaststelling dat de belanghebbende al als rekeninghouder was geïdentificeerd, zodat de inspecteur het bestaan van de gevraagde bescheiden en – zo voeg ik hieraan toe – de beschikbaarheid daarvan bij de belanghebbende mocht aannemen.
De vraag kan worden gesteld of deze overweging te absoluutgeformuleerd is, in zoverre datniet in elke afgedwongen overhandiging van bescheiden de erkenning van het bestaan ervan besloten ligt. Zo kan de betrokkene bescheiden overhandigen die de inspecteur al heeft gezien of waarvan hij het bestaan anderszins kent, bijvoorbeeld naar aanleiding van een derdenonderzoek. Hier kan tegenin worden gebracht dat in dergelijke gevallen het bestaan c.q. de beschikbaarheid van de bescheiden door de betrokkene zelf wordt erkend.
Zie § 17.6.2.6.3hiervoor. Zie in dit verband § 5.3.3.2.2, betreffende de in de annotatie bijBNB 2014/101 opgeworpen vraag of er na een vordering van de Belastingdienst nog wel sprake kan zijn van wilsonafhankelijk materiaal, omdat ook het toegeven aan de met die vordering gepaard gaande dwangmiddelen als een wilsbesluit van de betrokkene kan worden beschouwd.
Ik wijs tot besluit op het arrest van de belastingkamer van de HR van 29 mei 2015, nr. 14/00584, betreffende aanslagen opgelegd naar een geschat bedrag aan een houder van in Luxemburg aangehouden, verzwegen rekeningen.1 Omdat de inspecteur het bestaan van de onderhavige bescheiden (te weten rekeningafschriften en door de bank opgestelde portfolio-overzichten die betrekking hebben op rekeningen waarvan de belanghebbende reeds als rekeninghouder was geïdentificeerd) mocht aannemen, staat buiten twijfel dat het gaat om materiaal dat onafhankelijk van de wil van de betrokkene bestaat (welk materiaal voor de boeteoplegging mag worden gebruikt). Dit oordeel is een bevestiging van het arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050, waar de belastingkamer ook naar verwijst.
Een nieuw element ten opzichte van eerdere arresten is de overweging van de belastingkamer dat met de regel in het Saunders-arrest, dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van onder dwang verkregen wilsonafhankelijk bewijsmateriaal, niet verenigbaar zou zijn dat, zoals de belanghebbende in zijn eerste cassatiemiddel stelt, het nemo tenetur-beginsel zich uitstrekt tot alle bescheiden waarvan het overhandigen de erkenning van het bestaan ervan impliceert. In elke afgedwongen overhandiging van bescheiden ligt immers een zodanige erkenning besloten. Aanvaarding van het standpunt van belanghebbende zou derhalve meebrengen dat het onderscheid dat is gemaakt in het arrest Saunders zinledig is, aldus de raad.2
Dit is een overweging ten overvloede, in zoverre dat uit het kort ervoor gewezen arrest van 24 april 2015, nr. 14/02414, expliciet volgt dat bij de vaststelling of bescheiden al dan niet wilsafhankelijk zijn, het erom gaat of de inspecteur aannemelijk kan maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning kan verkrijgen.3 Ik vermoed dat deze overweging ten overvloede is ingegeven door de behoefte of wens om duidelijk(er) af te kaderen waarop het onderscheid tussen wilsafhankelijke en wilsonafhankelijke bescheiden steunt.4 Zie eerder de overweging van de civiele kamer van de HR in het laatstgenoemde arrest, dat voor de vaststelling of bescheiden wilsafhankelijk of wilsonafhankelijk zijn, niet bepalend is of die bescheiden zonder medewerking van de betrokkene kunnen worden verkregen, omdat het afgeven van bescheiden op grond van een veroordeling in kort geding nimmer zonder medewerking van de betrokkene kan plaatsvinden.5