Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.4.2.4
II.4.4.2.4 Voldoende bepaaldheid voor vorderingen op naam
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624146:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de rechtsgevolgen van stille cessie Biemans 2011.
Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 231. Zie in dit kader ook HR 19 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2434, NJ 1998/689 en Reehuis 2004, nr. 88.
Voor een recentelijk overzicht van deze jurisprudentie verwijs ik naar Rongen 2012, p. 981 e.v. en Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 259 en voetnoot 78; Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 231.
HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4499, NJ 2005/96. Zie ook Reehuis 2004, nr. 77.
HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488, NJ 1995/447 (Spaarbank Rivierenland/ Gispen q.q. ).
Kaptein 2013, par. 4.1: ‘Vele schrijvers spreken in dit verband van een verschuiving van bepaaldheid naar bepaalbaarheid.’ Kaptein verwijst hierbij naar Reehuis 2004, nr. 78, p. 83; Struycken 2007, p. 790; Verhagen & Rongen 2000, p. 86; Bartels 2004, p. 5.
HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488, NJ 1995/447. Zie ook Reehuis 2004, nr. 78; Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 259.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 259, voetnoot 78 en de daarin weergegeven arresten. Zie ook Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 231.
HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, NJ 2004/182 (Mulder q.q./Rabobank Alphen aan den Rijn). Over dit arrest ook Verdaas 2002.
Zie ook de aanbeveling van Kortmann & Faber 1998 en Kortmann & Faber 1999.
Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 259a. Zie over de mogelijkheid van een generieke omschrijving ook Reehuis 2004, nr. 79, waarin ook een voorbeeld wordt gegeven van een vordering die door een generieke omschrijving onvoldoende bepaald was, namelijk HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2903, NJ 1999/733.
Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 259b. Zie voor hoe het bepaaldheidsvereiste vóór 1992 werd geïnterpreteerd Rongen 2012, p. 990 e.v.
Zie HR 20 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7248, NJ 1998/362; Objectief zijn bijvoorbeeld facturen en boekhoudingen van de pandgever en de schuldenaar, zie Kaptein 2013, par. 4.2.
Zie hiervoor paragraaf 4.3.2.2 onder ‘C’: ‘Bepaaldheid van verbintenissen…in de literatuur’. Evenals: Pitlo/Bolweg 1979, p. 224. Bolweg, lijkt met zijn ‘objectieve maatstaf’ subjectieve elementen, zoals het oordeel van een derde, niet uit te sluiten.
Ten aanzien van de levering van vorderingen is het, anders dan bij de levering van een onroerende zaak, mogelijk om toekomstige vorderingen te leveren, zelfs zonder dat daarvan mededeling behoeft te worden gedaan aan de schuldenaar (zie art. 3:94 lid 3 BW, evenals art. 3:239 lid 1 BW voor de verpanding van vorderingen).1 Welnu:
‘Omdat in deze gevallen mededeling van de levering, dan wel de verpanding, niet aan de schuldenaar van de desbetreffende vordering behoeft te worden meegedeeld, is ook niet vereist dat de identiteit van deze schuldenaar reeds bij de levering/verpanding bekend is (curs. NB).’2
De mogelijkheid om toekomstige vorderingen te leveren en te verpanden zonder dat daarvan mededeling behoeft te worden gedaan aan de schuldenaar heeft ertoe geleid dat de vraag naar de mate van bepaaldheid in cessie- en pandakte de afgelopen jaren meerdere malen aan de Hoge Raad is voorgelegd.3 Of een vordering met voldoende mate van bepaaldheid is omschreven, is een vraag van overwegend feitelijke aard.4
Sinds het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 1994,5 ook bekend als het arrest Spaarbank Rivierenland/ Gispen q.q., kan gezegd worden dat er ten aanzien van vorderingen op naam een soepel bepaaldheidsvereiste geldt, in de zin dat bepaalbaarheid volstaat.6 De Hoge Raad besliste in dit arrest dat het voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat, dat, eventueel achteraf, aan de hand van de akte kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Het is dan ook niet vereist dat de vordering in de akte zelf moet worden gespecificeerd door vermelding van bijzonderheden zoals de naam van de debiteur, het nummer van een factuur of een aan de debiteur toegekend cliëntnummer. Er kan bijvoorbeeld worden volstaan met een verwijzing in de cessieakte naar een ter gelegenheid van het opmaken van de akte uitgedraaide computerlijst waarop de te leveren vorderingen nader omschreven zijn.7 Deze opvatting van het bepaaldheidsvereiste heeft de Hoge Raad in latere arresten herhaald.8 In HR 20 september 2002, NJ 2004/182 (Mulder q.q./Rabobank Alphen aan den Rijn)9 werd zelfs toegestaan, een ‘generieke omschrijving’ van de te verpanden vorderingen in de trant van:
‘alle ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande rechten of vorderingen jegens derden en alle rechten of vorderingen jegens derden die worden verkregen uit de ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande rechtsverhoudingen met die derden.’10
De Hoge Raad overweegt in dit arrest in r.o. 3.5 dat:
‘[…] voor het vestigen van een pandrecht op een of meer vorderingen voldoende is dat de pandakte zodanige gegevens bevat, dat eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering(en) het gaat. Anders dan in onderdeel 1 wordt betoogd, kan een generieke omschrijving als hiervóór in 3.1 onder (v) weergegeven tot een geldige overdracht of verpanding leiden, omdat het generieke karakter van een dergelijke omschrijving en het ontbreken van een nadere specificatie van de betrokken vorderingen niet in de weg staan aan het oordeel dat een dergelijke omschrijving voldoet aan het vereiste van voldoende bepaaldheid in de zin van art. 3:84 lid 2. Zulks in overeenstemming met de in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 7 besproken arresten, waaruit volgt dat het vereiste van voldoende bepaaldheid bij de akte van cessie of verpanding niet strikt moet worden uitgelegd (curs. NB).’
En in r.o. 6 dat:
‘Dat voor nadere specificaties te rade moet worden gegaan bij de boekhouding van de pandgever doet niet af aan de voldoende bepaaldheid van de vorderingen.’
De boekhouding van de pandgever vormt namelijk een objectieve bron voor de nadere specificatie van de individuele vorderingen.11
Het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor de cessie en verpanding van vorderingen kan dus, blijkens de jurisprudentie, soepel worden geïnterpreteerd in die zin dat bepaalbaarheid voldoet. Indien aan de hand van de akte of als aanvulling daarop buiten de akte liggende gegevens (zoals administratie), de te leveren of te verpanden vordering kan worden geïdentificeerd is aan het bepaaldheidsvereiste voldaan.12
De bepaalbaarheid die geldt voor de levering en verpanding van vorderingen op naam is niettemin van een andere orde dan bepaalbaarheid die geldt voor de verbintenisscheppende overeenkomst (art. 6:227 BW). De gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat, dienen namelijk telkens objectief te zijn.13 Deze objectieve maatstaf is, zoals ik hierna zal toelichten, een andere als door Bolweg werd bedoeld.14