Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.4.2.1
II.4.4.2.1 Voldoende bepaaldheid bij levering
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623189:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Brahn/Reehuis 2010, nr. 125 e.v.; Hijma & Olthof 2011, nr. 109; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 302 e.v.; Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 219.
Brahn/Reehuis 2010, nr. 144; Hijma & Olthof 2011, nr. 110; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 314; Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 113; Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 230.
Brahn/Reehuis 2010, nr. 145; Hijma & Olthof 2011, nr. 110; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 314; Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 272.
Asser/Van Mierlo & Van Velten 2010, nr. 204; Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 230.
Zie de jurisprudentie genoemd in Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 259 en voetnoot 78 en recentelijk nog HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947, NJ 2012/261.
Struycken 1999; Asser/Van Mierlo & Van Velten 2010, nr. 204; Brahn/Reehuis 2010, nr. 153-154; Hijma & Olthof 2011, nr. 116a; Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 117; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 316; Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 230.
Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 117. Zie ook Reehuis 2004, nr. 8. Vgl. art. 4:115 BW waarin de woorden ‘daarbij aangewezen’ ook voorkomen.
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 316, waarover zij meer opmerken in nr. 80 en nr. 425, 345 en 546. Zie ook Struycken 2007, p. 790-791.
Kaptein 2013, par. 4. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 117 die de term hanteren voor de levering van een registergoed.
Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 117; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 316; Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 230.
Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 230. Zie ook Asser/Van Mierlo & Van Velten 2010, nr. 204.
Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 117. Over de bewoording van art. 3:84 lid 2 BW voorts ook Brahn/Reehuis 2010, nr. 153 en 154; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 316.
Zie ook Kaptein 2013, par. 4: ‘Hoe dan ook: dát het bepaaldheidsvereiste voor de levering geldt is onomstreden’, met verwijzing naar Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 316. Zie ook Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 230.
Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 895. Zie ook Parl. Gesch. Boek 3, p. 1123: ‘Het vereiste van een bepaald onderwerp geldt voor alle rechtshandelingen, doch behoeft niet uitdrukkelijk in de wet te worden vermeld (curs. NB).’
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 316, over deze ‘individualisatie-eis’ merken zij meer op in nr. 80 en nr. 425, 345 en 546.
Struycken 1999, p. 579.
In art. 3:84 lid 1 BW zijn de vereisten voor de eigendomsoverdracht van een goed gegeven, te weten: 1) geldige titel, 2) bevoegdheid om over het goed te beschikken van degene die het goed levert en 3) een levering, die zoals gezegd bestaat uit een (goederenrechtelijke) overeenkomst van overdracht en een leveringshandeling.1Art. 3:84 lid 2 BW bepaalt dat:
‘Bij de titel moet het goed met voldoende bepaaldheid omschreven zijn (curs. NB)’.
Het bepaaldheidsvereiste heeft hier eveneens betrekking op het onderwerp van de rechtshandeling, in dit geval het goed (vgl. paragraaf 4.3 waarin de prestatie het onderwerp vormde). Het goed moet, zo bepaalt art. 3:84 lid 2 BW, bij de titel met voldoende bepaaldheid zijn omschreven. Met ‘de titel’ wordt in art. 3:84 lid 1 BW bedoeld de rechtsgrond van de overdracht ofwel de rechtsverhouding die aan de overdracht ten grondslag ligt en deze rechtvaardigt.2 Doorgaans is de titel een verbintenis uit overeenkomst. Zo kan de titel bijvoorbeeld zijn ‘koop’ of ‘schenking’. De titel kan evenwel ook een verbintenis uit de wet zijn, zoals de onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling of gerechtvaardigde verrijking, of een verbintenis die voortvloeit uit een uiterste wil, zoals het legaat.3 Als met ‘de titel’ bedoeld wordt de rechtsverhouding die aan de overdracht ten grondslag ligt en deze rechtvaardigt, dan sluit het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW (weliswaar in het kader van de overdracht) aan bij het bepaaldheidsvereiste van art. 6:227 BW, dat betrekking heeft op de verbintenisscheppende overeenkomst. Art. 6:227 BW vereist, zoals in paragraaf 4.3 naar voren is gekomen, dat de verbintenissen die partijen op zich nemen bepaalbaar moeten zijn. Deze bepaalbaarheid is, zoals ik hierna zal toelichten, echter (toch) niet hetzelfde als de in art. 3:84 lid 2 BW vereiste ‘voldoende bepaaldheid.’4
In de rechtspraak5 en literatuur6 is het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW meermaals in verband gebracht met de levering: ook bij de levering dient het goed in voldoende mate te zijn bepaald, zodat duidelijk is welke goederen precies moeten worden geleverd. De goederen die overgedragen worden dienen bij de levering individualiseerbaar te zijn. Want, zoals in Pitlo/Reehuis & Heisterkamp is opgemerkt:
‘Een levering zonder een daarbij aangewezen object is slechts een loze handeling (curs. NB). Voor een geslaagde levering is een grotere mate van bepaaldheid vereist dan voor de titel in de betekenis van lid 1.’7
Het bepaaldheidsvereiste voor de levering wordt ook wel geduid als ‘individualisatie-eis’.8 Naast de individualisatie-eis of individualiseringseis, zien we in de literatuur nog een andere benaming terug voor het vereiste van bepaaldheid dat geldt voor de levering, namelijk het specialiteitsvereiste.9
In de literatuur wordt de bewoording van art. 3:84 lid 2 BW als ‘ongelukkig’, ‘dubbelzinnig’ en ‘gebrekkig’ bestempeld.10 Zo merken Bartels & Van Mierlo op dat in het tweede lid met titel niet hetzelfde begrip kan worden bedoeld als in het eerste lid. Huns inziens is de in art. 3:84 lid 2 BW vervatte eis van voldoende bepaaldheid dan ook van andere aard dan de eis van bepaalbaarheid in art. 6:227 BW. Het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW heeft betrekking op de vaststelling van goederenrechtelijke verhoudingen (en niet van verbintenisrechtelijke) die ook door derden moeten worden gerespecteerd.11 In dezelfde zin Reehuis & Heisterkamp die erop wijzen dat het in de het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad beter is om in art. 3:84 lid 2 BW onder ‘titel’ niet de rechtsgrond voor overdracht te verstaan (zoals in art. 3:84 lid 1 BW), maar de (akte van) levering.12 Hoe het ook zij, de vraag of in art. 3:84 lid 2 BW onder ‘titel’ nu wel of niet de rechtsgrond voor overdracht moet worden verstaan (zoals in art. 3:84 lid 1 BW), of dat ‘titel’ juist verwijst naar de (akte van) levering is voor dit onderzoek niet van belang. Wat daarentegen wel van belang is, is dat men het in de literatuur erover eens is dat voor de levering, ofwel de goederenrechtelijke overeenkomst, een vereiste van bepaaldheid geldt.13 Dat is juist. Zoals reeds door mij is opgemerkt, geldt het bepaaldheidsvereiste immers voor alle rechtshandelingen14 en de levering, bestaande uit een goederenrechtelijke overeenkomst en een leveringshandeling, is een rechtshandeling. Het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor de levering is, zoals hiervoor al naar voren kwam, strikter dan het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor de verbintenisrechtelijke overeenkomst en wordt ook wel geduid als ‘individualisatie-eis’.15 Hoe strikt dient deze ‘individualisatie-eis’, ofwel het bepaaldheidsvereiste voor de goederenrechtelijke overeenkomst, te worden opgevat? Het antwoord op deze vraag kan mijns inziens behulpzaam zijn bij de speurtocht naar de opvatting van het bepaaldheidsvereiste voor de erfstelling. Bij de erfstelling gaat het immers eveneens om goederenrechtelijke verhoudingen, in plaats van om verbintenisrechtelijke zoals bij het legaat.16 Niettemin is een erfopvolging (op grond van een erfstelling) een opvolging onder algemene titel (art. 3:80 lid 2 BW), waarvoor zodoende geen overdracht en dus noch levering is vereist (anders dan bij het legaat, dat een opvolging onder bijzondere titel bewerkstelligt). Bovendien is de levering, anders dan de erfstelling, een tweezijdige- of meerzijdige rechtshandeling.
In onderstaande subparagrafen, waarin de opvatting van het bepaaldheidsvereiste voor de goederenrechtelijke overeenkomst wordt beschreven, richt ik me dan ook met name op de algemenere, voor goederenrechtelijke verhoudingen geldende bevindingen in de literatuur.
Art. 3:84 BW geldt via de schakelbepaling van art. 3:98 BW overigens ook voor de vestiging, overdracht en afstand van een beperkt recht, zoals bijvoorbeeld de verpanding van een goed. Het bepaaldheidsvereiste dat in art. 3:84 lid 2 BW besloten ligt, kan dan ook worden beschouwd als het bepaaldheidsvereiste dat in het algemeen voor goederenrechtelijke verhoudingen geldt.17
In beginsel zal ik hierna slechts spreken van ‘de levering van een goed’, daar waar (ingevolge art. 3:98 BW) ook gelezen kan worden de vestiging, overdracht en afstand van een beperkt recht.