Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/2.5.4
2.5.4 Voldoende tijd
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268520:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Richtsnoer 151 en bijbehorende Annex I.
Art. 91, tweede lid, CRD IV.
Art. 91, derde t/m zesde lid, CRD IV. Deze limitering komt niet overeen met de limiteringsregels voor grote rechtspersonen in het BW, die per 1 januari 2013 zijn ingevoerd bij de Wet bestuur en toezicht. In de artikelen 3:8 en 4:9b Wft zijn de artikelen 2:132a, 142a, 242a en 252a BW daarom bij significante banken buiten toepassing verklaard.
Titel III, hoofdstuk 4 van de Richtsnoeren. EBA is hiertoe expliciet gemandateerd, zie art. 91, twaalfde lid, CRD IV. De Richtsnoeren uit 2012 kenden wel het criterium “voldoende tijd”, maar lichtten dit verder niet toe.
Beoordelingscriterium 4.4 van de ECB Gids.
Richtsnoer 43, aanhef en a t/m k. Niet-commerciële instellingen tellen bij de limiteringseis niet mee; wel wordt hier rekening mee gehouden bij de toets of aan de hoofdnorm, “voldoende tijd”, wordt voldaan.
Richtsnoer 42.
Annex A bij de Richtsnoeren.
Richtsnoer 43, aanhef en onder k.
Zie D.Busch & A. Teubner, ‘Fit and proper assessments within the Single Supervisory Mechanism’, in: D. Busch & G. Ferrarini (red.), European Banking Union, Second Edition, Oxford: Oxford University Press, 2020.
EBA, Q&A Calculation of the number of directorships held (privileged counting of mandates), 12 april 2019, https://eba.europa.eu/single-rule-book-qa/-/qna/view/publicId/2018_4158.
ECB, Report on declared time commitment of non-executive directors in the SSM, augustus 2019.
Art. 1.2.1, aanhef en onder A van de Beleidsregel bepaalt dat beleidsbepalers onder meer geschikt dienen te zijn met betrekking tot Bestuur, organisatie en communicatie. Hieronder valt ook het naleven van algemeen aanvaarde sociale, ethische en professionele normen. De toelichting verwijst hierbij naar de corporate governance codes en gedragscodes.
De Annex bij de Beleidsregel verstaat onder Loyaliteit: identificeert zich met de onderneming en voelt zich betrokken. Kan motiveren dat hij of zij (ondanks eventuele nevenfuncties) voldoende tijd aan zijn of haar functie kan besteden om deze naar behoren te kunnen uitvoeren. Nu de opsomming van de competenties niet limitatief noch imperatief is, is voor kandidaten niet steeds duidelijk aan welke competenties wordt getoetst.
Principe 2.4 van de Nederlandse Corporate Governance Code (2016) bepaalt dat het bestuur en de raad van commissarissen voldoende tijd besteden aan hun taken en verantwoordelijkheden.
2.1.6 van de Code Banken bepaalt dat iedere commissaris voldoende beschikbaar en bereikbaar is om zijn taak naar behoren te vervullen (Code Banken van 9 september 2010, Nederlandse Vereniging van Banken, www.nvb.nl).
Zie art. 1.2.1, onder E. Door de cross-sectorale toepassing van de beleidsregel is dit aspect nu ook geëxpliciteerd voor andere instellingen dan banken en beleggingsondernemingen. Hierover zijn in de consultatieperiode vragen gesteld. In antwoord hierop hebben de toezichthouders laten weten dat met deze verduidelijking geen afwijking is beoogd van de reeds bestaande praktijk (AFM en DNB, “Feedback statement consultatie wijzigingen Beleidsregel geschiktheid 2012,” 12 december 2019). Zie ook par. 2.2.2.
Een vierde criterium is dat de kandidaat voldoende tijd aan zijn functie dient te kunnen besteden.1 Voor een kandidaat bij een significante instelling stelt de CRD IV een limiet aan het aantal bestuursfuncties en commissariaten dat de kandidaat tegelijkertijd mag vervullen.2 Ook als deze limiet niet is bereikt, dient nog aan de hoofdnorm “voldoende tijd” te worden voldaan.
Zowel de Richtsnoeren3 als de ECB Gids4 werken deze hoofdnorm nader uit.
De Richtsnoeren zijn op dit punt behoorlijk uitgebreid. De vraag of er sprake is van “voldoende tijd” moet proportioneel worden beoordeeld. Daarbij dient de onderneming in ieder geval rekening te houden met de aard, omvang en complexiteit van de onderneming, vestigingsplaats (in of buiten de EU), reistijd, het aantal vergaderingen, tijd voor opleiding en training, te verwachten externe besprekingen, aard van de functie en verantwoordelijkheden (CEO, voorzitter van de raad van commissarissen, lidmaatschap van bepaalde commissies) en alle andere nevenfuncties, ook als dit geen commerciële activiteiten betreft.5 Daarnaast dient er “buffercapaciteit” beschikbaar te zijn, tijd voor situaties waarin de functie intensiever is zoals bij een fusie of overname, of in een crisissituatie.6
De Richtsnoeren bevatten voorts een Annex met de uitkomsten van een benchmark onderzoek dat EBA in 2015 heeft uitgevoerd.7 Onderne mingen kunnen de uitkomsten gebruiken om een inschatting te maken van de voor een functie benodigde tijd.8 Opvallend is dat uit het onderzoek blijkt dat een CEO niet zo gek veel meer tijd aan zijn functie besteedt dan andere bestuurders, en dat er geen sterk verband is gevonden tussen de omvang van de onderneming en het aantal dagen dat aan de functie wordt besteed. Wel besteedt een president-commissaris veel meer tijd aan de functie dan “gewone” commissarissen of niet- uitvoerende bestuurders, vaak meer dan het dubbele.
Bij de ECB toets wordt in de eerste plaats nagegaan of bij significante instellingen voldaan wordt aan de limiteringsregels (kwantitatieve toets).9 Vervolgens wordt getoetst op de hoofdregel, namelijk of de kandidaat voldoende tijd beschikbaar heeft (kwalitatieve toets). Deze toets blijft echter achterwege wanneer het aantal dubbelfuncties beperkt is, de kandidaat geen bijzondere verantwoordelijkheden heeft zoals het voorzitterschap van een commissie, en de door de kandidaat aan te leveren bevestiging dat er voldoende tijd beschikbaar is voor de functie, geen verdere vragen oproept. Deze risico-gebaseerde aanpak van de ECB valt, in het licht van de proportionaliteit en het voorkomen van onnodige regeldruk, toe te juichen. In de systematiek van EBA dient echter steeds zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve toets te worden uitgevoerd. Van belang is daarom dat de banken zelf wel steeds de kwalitatieve toets uitvoeren op de wijze zoals in de Richtsnoeren staat beschreven. Ook dient helder te zijn dat de ECB, mocht zij in het lopend toezicht constateren dat toch onvoldoende tijd voor de functie beschikbaar is, zij kan bijsturen. Dit zou in de ECB-Gids kunnen worden verduidelijkt.
De wijze waarop in de verschillende lidstaten wordt omgegaan met het beoordelen van de vraag naar tijdsbesteding en de wijze waarop de kwantitatieve toets wordt ingevuld, kan overigens behoorlijk verschillen.10 Om enkele punten te stroomlijnen heeft EBA in 2019 een Q&A gepubliceerd over de wijze waarop het maximaal aantal bestuursfuncties moet worden berekend.11 Of hiermee alle verschilpunten zijn opgelost kan echter worden betwijfeld.
Daarnaast heeft de ECB heeft in augustus 2019 een “benchmark-onderzoek” gepubliceerd naar de tijdsbesteding van interne toezichthouders bij significante banken in het eurogebied.12 De resultaten kunnen, net als de bij de Richtsnoeren behorende Annex, een ijkpunt vormen voor de banken en hun interne toezichthouders bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van “voldoende tijd”.
De nadere invulling van het begrip “voldoende tijd” in de Richtsnoeren lijkt mij, ook in andere sectoren dan banken en beleggingsondernemingen, een welkome aanvulling voor de Nederlandse praktijk. In de Beleidsregel Geschiktheid werd het aspect “voldoende tijd” tot voor kort beoordeeld via de toets op naleving van de corporate governance codes13 en de competentie Loyaliteit.14 Zowel de Nederlandse Corporate Governance Code,15 de Code Banken16 en de omschrijving van de competentie Loyaliteit bevatten op dit punt echter slechts algemene termen. De Richtsnoeren scheppen nu duidelijkheid over de wijze waarop getoetst wordt of er sprake is van voldoende tijd, en welke aspecten daarbij relevant zijn. Dit geeft de Nederlandse toezichthouders meer handvatten bij de vraag of een kandidaat “voldoende tijd” heeft voor de functie. Het lijkt mij dan ook een goede zaak dat de toezichthouders het aspect Voldoende tijd (en een toelichting op dit begrip) bij de meest recente wijziging van de Beleidsregel Geschiktheid expliciet hebben toegevoegd.17 Dit laat de mogelijkheid van een risico-gebaseerde toetsing van dit aspect overigens onverlet. Zo zou bijvoorbeeld een deel van deze toets (bijvoorbeeld het kwalitatieve deel) bij het uitvoeren van de aanvangstoetsing kunnen worden overgelaten aan de instellingen zelf. De proportionele insteek van de ECB kan daarbij als voorbeeld dienen.18