Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.3.1
5.3.1 Inleiding
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581200:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Overeenkomstig art. 5 van Verordening 17/62 was het mogelijk om bestaande overeenkomsten aan te melden tot 1 november 1962 met het oog op ontheffing ex art. 81 lid 3 EG. Voor overeenkomsten tussen twee ondernemingen was het tot 1 februari 1963 mogelijk om dit te doen. Voor zover nog van enige relevantie voor de praktijk moet de nationale rechter ten aanzien van oude tijdig aangemelde overeenkomsten waarover de Commissie nog steeds geen formele beschikking heeft gegeven, afzien van iedere verdere beoordeling. Na meer dan 35 jaar lijkt het onwaarschijnlijk dat er nog een beschikking zal volgen en kan dan ook worden gecondudeerd dat deze overeenkomsten niet meer voor de nationale rechter kunnen worden betwist. Zie Van den Bossche 1995, p. 1106. Zie over de voorlopige geldigheid van tijdig aangemelde oude overeenkomsten in afwachting van een formele beschikking van de Commissie HvJ EG 6 februari 1973, zaak 48/72 (Brasserie de Haecht), Jur. 1973, p. 77. Zie ook HvJ EG 6 april 1962, zaak 13/61 (De Geus en Uitdenbogerd/Bosch), Jur. 1962, p. 93.
Zie art. 4 lid 2 van Verordening 17/62, Deze vrijstelling van de aanmeldingsplicht gold voor drie situaties: 1) voor nationale overeenkomsten, 2) voor overeenkomsten tussen slechts twee ondernemingen, waarbij niet vergaande beperkingen worden opgelegd, 3) voor bepaalde overeenkomsten aangaande standaardisatie, onderzoek en ontwikkeling en specialisatie.
Ik bespreek nu eerst de institutionele verhouding tussen de nationale rechter en de Europese Commissie zoals die bestond onder de reeds vervangen Verordening 17/62, die van kracht was tot de invoering van Verordening 1/ 2003. Daarna wordt in § 5.4 de huidige situatie besproken zoals die bestaat onder Verordening 1/2003. Een bespreking van de oude situatie is, mede gelet op de beantwoording van de centrale vraagstelling, zinvol omdat op deze manier duidelijk te zien is op welke wijze de modernisering en decentralisering van de handhaving van het mededingingsrecht invloed heeft gehad op de rol van de nationale burgerlijke rechter bij de handhaving van het mededingingsrecht (zie ook § 5.1).
Onder het regime van de nu reeds vervangen Verordening 17/62 moest de nationale rechter, indien partijen zich beriepen op artikel 81 EG, nagaan of de overeenkomst aangemeld was bij de Europese Commissie. Daarnaast moest gekeken worden wanneer de overeenkomst gesloten was.1 Wanneer de betwiste overeenkomst niet aangemeld was bij de Commissie, moest de nationale rechter nagaan of het om een aanmeldingsplichtige overeenkomst ging. Voor bepaalde categorieën overeenkomsten gold aanmelding niet als formele voorwaarde voor het krijgen van een negatieve verklaring of een ontheffing van het kartelverbod ex artikel 81 lid 1 EG.2