Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.2.3.3.2:11.2.3.3.2 Transport van goederen
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.2.3.3.2
11.2.3.3.2 Transport van goederen
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258330:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 11 mei 2017, nr. C-59/16 (The Shirtmakers BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:362.
HvJ EEG 6 juni 1990, nr. C-11/89 (Unifert Handels GmbH tegen Hauptzollamt Münster), ECLI:EU:C:1990:237.
HvJ EU 11 mei 2017, nr. C-59/16 (The Shirtmakers BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:362, r.o. 28.
HvJ EU 11 mei 2017, nr. C-59/16 (The Shirtmakers BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:362, r.o. 29.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanuit Europeesrechtelijk perspectief lijkt (het assisteren bij) het organiseren van het transport niet zondermeer aangemerkt te kunnen worden als commissiedienst. Uit het The Shirtmakers BV tegen Staatssecretaris van Financiën-arrest van het Hof van Justitie zou namelijk kunnen worden afgeleid dat dergelijke diensten kwalificeren als hoofd- en nevenkosten die betrekking hebben op het vervoer van de goederen en als zodanig onderdeel moeten uitmaken van de douanewaarde.1 Ik licht dat hierna nader toe.
The Shirtmakers importeert textielgoederen uit Azië. Voor het vervoer, de opslag van de textielgoederen in Nederland en het vervullen van diverse invoerformaliteiten maakt The Shirtmakers gebruik van de diensten verleend door Fracht FWO BV. De vergoeding die Fracht FWO BV aan The Shirtmakers in rekening brengt bestaat deels uit een doorbelasting van de kosten die de feitelijke vervoerders aan Fracht FWO BV in rekening hebben gebracht, vermeerderd met een winstopslag/vergoeding voor haar tussenkomst. Fracht FWO BV heeft geen uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de in rekening gebrachte kosten (lees: onderscheid tussen de doorbelaste kosten die verband houden met het feitelijk vervoer en de winstopslag). In het douanerecht is vastgesteld dat vervoersdiensten tot aan het douanegebied van de Europese Unie in aanmerking genomen moeten worden voor het bepalen van de douanewaarde. Het begrip ‘kosten van vervoer’ omvat, hoewel niet gedefinieerd in de wetgeving, alle hoofd- en nevenkosten die verband houden met het vervoer van de goederen naar het douanegebied van de Europese Unie.2 Het Hof van Justitie oordeelt dat ‘kosten van vervoer’ niet alleen betrekking heeft op kosten die verband houden met het feitelijk vervoer van de goederen naar het douanegebied van de Europese Unie, maar ook met de kosten die verband houden met de overbrenging van de goederen naar het douanegebied van de Unie. Het Hof van Justitie overweegt dat dit oordeel recht doet aan de “[…] doelstellingen van de regeling van de Unie inzake de vaststelling van de douanewaarde. Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft deze regeling namelijk tot doel een billijk, uniform en neutraal systeem in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit. De douanewaarde moet dus de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven en rekening houden met alle elementen van dat goed die een economische waarde vertegenwoordigen […]”.3 Volgens het Hof van Justitie maakt het in dat kader niet uit tot welke categorie van de door het nationale recht omschreven overeenkomsten de overeenkomst tussen The Shirtmakers en Fracht FWO BV behoort.4 ‘Kosten van vervoer’ is namelijk een autonoom Unierechtelijk begrip.
Ik ben een genuanceerdere mening toegedaan. Indien het organiseren van het vervoer door The Shirtmakers zelf zou zijn geregeld, zouden de kosten niet in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de douanewaarde. Door dit uit te besteden aan Fracht FWO BV zou dit, gelet op de overwegingen van het Hof van Justitie, anders zijn, omdat de kosten dan als ‘kosten van vervoer’ worden aangemerkt. Dit is opmerkelijk, omdat met dit onderscheid de belastbaarheid afhankelijk wordt gesteld van de vraag of het organiseren van het transport in-house wordt geregeld of door tussenkomst van een expediteur. Om een dergelijk onderscheid in belastbaarheid te voorkomen en de neutraliteit van het douanewaardestelsel te bewaken, moet het organiseren van het transport naar mijn mening onder voorwaarden als inkoopcommissiedienst worden aangemerkt. Deze voorwaarden luiden als volgt. Ten eerste moeten de kosten die verband houden met het organiseren van het vervoer uitdrukkelijk worden onderscheiden van de kosten die betrekking hebben op het feitelijk vervoer van de goederen naar het grondgebied van de Europese Unie. Ten tweede moet rekening worden gehouden met de werkelijke functie van een agent om op die manier de eerdergenoemde doelstellingen in acht te nemen, die beantwoorden aan de eisen van de handelspraktijk. Dat houdt in dat de dienstverlener zich ertoe verbindt om bij het vervoer te bemiddelen (overeenkomst van expeditie), in plaats van zich jegens de koper te verbinden in de zin dat hij zorgdraagt voor het vervoer zonder dat de koper zicht heeft op welke partij het feitelijk vervoer verzorgd (overeenkomst van goederenvervoer). De werkelijke functie hangt derhalve af van de gesloten overeenkomst. Anders dan het Hof van Justitie stelt, ben ik derhalve dan ook van mening dat de categorie overeenkomsten waartoe de overeenkomst tussen koper en dienstverlener behoort, van belang kan zijn om een onderscheid aan de brengen tussen diensten die worden aangemerkt als ‘kosten van vervoer’ en commissiediensten. Tot slot, ten derde, moet de bemiddelingsdienst bij het vervoer worden verricht ten behoeve van de koper van de goederen om de dienst als inkoopcommissiedienst te kwalificeren.