Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.4.1.3
6.4.1.3 Wet educatie en beroepsonderwijs
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949624:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1995, 501.
Kamerstukken II 23 778, nr. 3, p. 13 en p. 102.
Artikel 7.6.1 in Kamerstukken II 23 778, nr. 2, p. 47.
Kamerstukken II 23 778, nr. 8, p. 24.
Kamerstukken II 1994/95, 23 778, nr. 9, p. 72-73 en artikel 7.4.4. van de Web (Stb. 1995, 501).
Artikel 1.6.1 van de Web (Stb. 1995, 501).
Kamerstukken II 23 778, nr. 8, p. 25-26.
Kamerstukken II 1994/95, 23 778, nr. 8, p. 76-77.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 205, nr. 3, p. 12-14 & artikel 7.4.9a van de Web (Stb. 2004, 138).
S. Karsten, De hoofdstroom in de Nederlandse onderwijsdelta, Een nuchtere balans van het mbo, Garant: Antwerpen – Apeldoorn 2016, p. 156-157.
In 1995 kwam de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) tot stand.1 In de Web werden – net als eerder onder de Wet op het nijverheidsonderwijs, het leerlingwezen uit de Wcbo en het lager en middelbaar beroepsonderwijs uit de Wvo, samen geregeld in één wet. In het ontwerp van de Web bleef het eerdere onderscheid tussen het leerlingwezen en het lager en middelbaar beroepsonderwijs, dat van oudsher bestond, in stand. De wetgever beoogde de opleidingen uit het leerlingwezen herkenbaar te laten voortbestaan.2 Er werd daarom onderscheid gemaakt tussen enerzijds opleidingen met een grote praktijkcomponent (de beroepsbegeleidende leerweg) en opleidingen met een kleinere praktijkcomponent (beroepsopleidende leerweg). De landelijke organen zouden – net als in het leerlingwezen – deze opleidingen aansturen en de examens afnemen.3 De precieze taakverdeling tussen de instellingen en de landelijke organen bij onder andere de examens wilde de wetgever bij algemene maatregel van bestuur regelen.4
Gedurende de behandeling van het wetsvoorstel van de Web in de Tweede Kamer zijn de bepalingen omtrent examinering gewijzigd.5 Hierdoor werd de wijze van examinering in de beroepsbegeleidende en de beroepsopleidende leerweg grotendeels gelijk getrokken. Beoogd werd om de taakverdeling tussen de landelijke organen en de instellingen te verduidelijken, daarnaast bestond de wens om een bepaalde mate van externe legitimering van examens te ontwikkelen.6 Het ontwerp van de Web werd daarom zodanig gewijzigd dat de instelling een deel van het examen extern moest laten legitimeren door een onafhankelijke instantie.7 Deze onafhankelijke instantie was de exameninstelling.8 De landelijke organen konden gaan functioneren als exameninstelling, daarnaast werd het mogelijk voor andere organisaties om eveneens als exameninstelling te fungeren.9 Hiermee werd afgestapt van de gedachte uit het leerlingwezen dat erkenning van het bedrijfsleven van diploma’s van het beroepsonderwijs alleen bereikt zou kunnen worden als brancheorganisaties voor alle stappen in de examenketen verantwoordelijk zouden zijn. Er werd niet beoogd om het gehele examen extern te laten legitimeren. Per opleiding dienden een aantal daartoe aangewezen deelkwalificaties extern gelegitimeerd te worden. Hoe de exameninstellingen examens extern zouden legitimeren werd in de Web niet voorgeschreven.10 Externe legitimering zou plaats kunnen vinden via itembanken, toezicht op de afname van het examen of een gezamenlijke examencommissie.
In 2004 is de externe legitimering van examens door de exameninstellingen afgeschaft, omdat hierbij geen eenduidige standaard voor examenkwaliteit werd gehanteerd.11 In de praktijk was externe legitimering een marktmodel geworden: de instelling contracteerde een exameninstelling en in onderling overleg werd de prijs en de vorm van de externe legitimering bepaald. Daarnaast werden exameninstellingen ingeschakeld voor andere diensten, zoals het maken en het afnemen van examens. In die gevallen legitimeerden de exameninstellingen hun eigen werk. In het vervolg zou het Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleiding (KCE) examens extern gaan legitimeren.12 Op het KCE kwam echter al snel kritiek: het KCE zou bureaucratisch, star en te gedetailleerd te werk gaan.13 Het KCE werd daarom opgeheven.14 De Inspectie moet daarom nu toezicht houden op de kwaliteit van de examens, het bedrijfsleven heeft hier geen rol meer bij.