De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/7.3.3:7.3.3 De kwalificatie van de arbeidsrelatie in het EU-recht: beschouwing
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/7.3.3
7.3.3 De kwalificatie van de arbeidsrelatie in het EU-recht: beschouwing
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583417:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 3 juli 1986, C-66/85, ECLI:EU:C:1986:284 (Lawrie-Blum), r.o. 17.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de hiervoor besproken rechtspraak van het HvJ EU volgt dat het Unierechtelijke werknemersbegrip ruim wordt uitgelegd. Van belang is dat bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie moet worden uitgegaan van objectieve criteria die kenmerkend zijn voor het bestaan van een arbeidsverhouding. In grote lijnen komen die criteria overeen met het Nederlandse werknemersbegrip: als hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding geldt dat de werkende ‘gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt.’1 Of aan die criteria wordt voldaan wordt beoordeeld aan de hand van feitelijke omstandigheden: de bedoeling van partijen speelt hierbij dus geen rol.
Dit laatste werd in de literatuur genoemd als een belangrijk verschil tussen de Nederlandse en Europese benadering. Dit verschil lijkt met het arrest X/Gemeente Amsterdam goeddeels verdwenen, nu daarin expliciet is overwogen dat de partijbedoeling (gericht op de kwalificatie van de overeenkomst) niet ter zake doet bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Wel is het de vraag hoe in de Nederlandse toets de rol van de ‘resterende’ partijbedoeling moet worden geduid. Zoals in (onder meer) hoofdstuk 5 is toegelicht, meen ik dat X/Gemeente Amsterdam de betekenis van de hier bedoelde ‘resterende’ partijbedoeling – dus: de partijbedoeling die op andere zaken dan de kwalificatie gericht is – voor de Nederlandse toets onverlet laat. Of dit ook voor de Europese benadering geldt, is moeilijker te beoordelen. Een aanwijzing voor een bevestigend antwoord op deze vraag kan worden gevonden in de B./Yodel-beschikking. Daarin overwoog het HvJ EU dat een kwalificatie als werknemer in beginsel niet aan de orde is wanneer de werkende vrij is om zich te laten vervangen; opdrachten te weigeren of in aantal te beperken; werkzaam te zijn voor andere (al dan niet concurrerende) partijen; en binnen bepaalde kaders zijn eigen werktijden te bepalen. Het is niet duidelijk in hoeverre de hiervoor beschreven vrijheden zich daadwerkelijk dienen te hebben gematerialiseerd, wil daarvan gesproken kunnen worden. Indien daarvoor voldoende zou zijn dat die vrijheden ‘in abstracto’ aanwezig zijn, dan zou dit betekenen dat de (resterende) partijbedoelingen wel degelijk een rol kunnen spelen in de EU-rechtelijke werknemerstoets. Immers gaat het er dan om wat partijen in dit verband hebben beoogd. Het is niet duidelijk of het HvJ EU B./Yodel op deze wijze heeft bedoeld.
In elk geval staat vast dat de ruimte voor de partijbedoeling in het EU-recht zeer beperkt is. Met het arrest X/Gemeente Amsterdam is de 610-toets op dat vlak een stuk dichter richting de EU-rechtelijke toets bewogen. Dit lijkt gunstig, nu het belang van het Unierechtelijke werknemersbegrip lijkt toe te nemen. Zo is onder meer zichtbaar dat het Unierechtelijke werknemersbegrip ook een rol kan spelen bij de toepassing van richtlijnen die een expliciete verwijzing naar het nationale werknemersbegrip bevatten. Wanneer de toepassing van het nationale werknemersbegrip ertoe leidt dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de betreffende richtlijn in gevaar komt, lijkt het Unierechtelijke werknemersbegrip in toenemende mate als ‘ondergrens’ te worden gehanteerd. In de volgende paragraaf wordt stilgestaan bij de betekenis van deze bevinding voor de beantwoording van de kwalificatievraag ex artikel 7:610 BW.