Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/2.3.2
2.3.2 Art. 4:29 BW
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491173:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Perrick 4 2021/69; Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht (SBR 1) 2021/284; Handboek Erfrecht 2020/IV.1; Van Mourik & Schols, Erfrecht (Mon. Pr. nr. 1) 2018/19; Luijten, Erfrecht (Mon. BW nr. B18) 2012/34; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/52.
Zie over deze bepaling: Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4, p. 1364-1367; Asser/Perrick 4 2021/365-368; Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht (SBR 1) 2021/293; Handboek Erfrecht 2020/XI.3.2; Van Mourik & Schols, Erfrecht (Mon. Pr. nr. 1) 2018/68.2; M.R. Kremer, in: Groene Serie Erfrecht, commentaar op art. 4:29 BW (online, actueel t/m 31 december 2020); Luijten, Erfrecht (Mon. BW nr. B18) 2012/34; Van Es, Erfrecht van de langstlevende echtgenoot (Mon. BW nr. B19) 2019/IV.29.1-29.2; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/646-651a; Pitlo/Van der Burght & Ebben, Erfrecht 2004/170-175; Kraan 1999, p. 89-92.
Preciezer gezegd geldt art. 4:29 BW voor de woning die de echtgenoot en de erflater gezamenlijk bewoonden ten tijde van het overlijden, en voor de woning die de echtgenoot alleen bewoonde, alsmede voor de tot de nalatenschap behorende inboedel. Zie over de betekenis van het begrip ‘de woning’: Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 1707; Van Es, Erfrecht van de langstlevende echtgenoot (Mon. BW nr. B19) 2019/IV.29.1.Op grond van art. 4:30 BW kan de echtgenoot tevens een recht van vruchtgebruik op andere goederen verlangen.
Asser/Perrick 4 2021/366; Van Es, Erfrecht van de langstlevende echtgenoot (Mon. BW nr. B19) 2019/IV.29.1; Kraan 1999, p. 89-92. Zie kritisch over deze opvatting: Pitlo/Van der Burght & Ebben, Erfrecht 2004/171, met verwijzing naar HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0805(LISV/Grifhorst).
15. Mogelijk is ook bij toepassing van art. 4:29 BW sprake van een beperkt recht op een zaak waarvan men mede-eigenaar is. Volgens het versterferfrecht erven de kinderen en de echtgenoot van een erflater voor gelijke delen (art. 4:10 lid 1 onder a en 4:11 lid 1 BW). Heeft een gehuwde erflater bijvoorbeeld twee kinderen, dan zijn de echtgenoot en de kinderen ieder voor een derde deel tot de nalatenschap gerechtigd. Volgens de wettelijke verdeling verkrijgt de echtgenoot van rechtswege de goederen van de nalatenschap. De kinderen verkrijgen een geldvordering op de echtgenoot, die in beginsel pas opeisbaar is bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot (art. 4:13 BW). De wettelijke verdeling heeft tot doel de langstlevende echtgenoot te beschermen tegen aanspraken van de kinderen.1
De erflater kan echter bepalen dat de wettelijke verdeling buiten toepassing blijft. Hij kan zijn echtgenoot ook onterven. De positie van de echtgenoot kan daardoor in het gedrang komen. Art. 4:29 BW beoogt daaraan tegenwicht te bieden.2 De echtgenoot kan op grond van deze bepaling verlangen dat ten gunste van hem een recht van vruchtgebruik wordt gevestigd op de echtelijke woning en de inboedel daarvan. De echtgenoot heeft die bevoegdheid voor zover de woning en de inboedel tot de nalatenschap van de erflater behoren, en de echtgenoot niet of niet enig rechthebbende daarvan is.3 Het gaat voor dit proefschrift om de mogelijkheid dat een recht van vruchtgebruik worden gevestigd op goederen waarvan de echtgenoot de niet enig rechthebbende is. De wet bepaalt hier expliciet dat een beperkt recht kan worden gevestigd op goederen waarvan de beperkt gerechtigde mede-eigenaar is. De echtgenoot heeft belang bij het vruchtgebruik, omdat hij als vruchtgebruiker het volledige genot van de bezwaarde zaak heeft. Als mede-eigenaar moet hij het genot van de zaak in beginsel delen met de andere rechthebbenden (art. 3:169 BW).
Sommige auteurs leiden uit de woorden ‘voor zover’ af dat het recht van vruchtgebruik niet dient te worden gevestigd op de woning zelf, maar op de onverdeelde aandelen in de gerechtigdheid tot de woning van de andere erfgenamen.4 Volgens die opvatting is geen sprake van een beperkt recht op een eigen zaak.