Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.4.2.3
6.4.2.3 Vuistpand op roerende zaken
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS418317:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Schuldeisers zonder vuistpandrecht konden zich slechts naar evenredigheid van ieders vordering verhalen op de roerende zaken van de schuldenaar. Art. 2092 en 2093 Cc. Art. 656 Code de Procédure. Merlin XXII (1827), p. 246. De regel die vóór de Code civil in bepaalde regio’s werd toegepast, inhoudende dat een eerste beslaglegger voorrang had boven latere beslagleggers, heeft de wetgever niet willen laten voortbestaan. Zie ook: Sirey, Recueil général des lois et des arrêts, VII (1807), p. 243 e.v.
Fenet 1836, XV, p. 215.
Fenet 1836, III, p. 150.
Het ontwerp van de commissie kende slechts het vuistpandrecht op roerende zaken.1 Om antedatering te voorkomen, heeft de commissie registratie van de pandakte voorgeschreven.2 Op de keuze om geen stil pandrecht in te voeren is vrijwel geen kritiek gekomen. Slechts het gerechtshof van Angers plaatste bij de behandeling van het ontwerp van de commissie de opmerking dat de regel ‘les meubles n’ont pas de suite par hypothèque’ onvoldoende duidelijk was. Volgens het gerechtshof sloten de bewoordingen onvoldoende uit dat de schuldenaar geen stil pandrecht kon vestigen en het college stelde dan ook als alternatief voor: ‘les meubles ne sont pas susceptibles d’hypothèque.’3 Dit advies is echter niet opgevolgd.