Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.1
2.1 Inleiding
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181147:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zoals de Franse rechtshistoricus Christian Bruschi terecht stelt: “Si le terme «citoyen» est fort ancien, il n’a pas toujours eu la même signification selon les époques et les civilisations. Pour partir à la recherche non pas du mais des sens de la citoyenneté, il faut examiner celle-ci à ses débuts, dans l’Antiquité, pour en arriver à ce qu’elle est ou à ce qu’elle pourrait être aujourd’hui.” C. Bruschi, ‘La citoyenneté hier et aujourd’hui’, Hommes et Migrations, n. 1196, mars 1996, ‘Jeunesse et citoyenneté’, p. 11-13.
Ter afbakening van het onderzoek zal enkel aandacht worden besteed aan het ontstaan en de ontwikkeling van burgerschap in de westerse beschaving. Het ontstaan en de ontwikkeling van burgerschap in oude wereldrijken buiten de Europese kring, bijvoorbeeld in Babylonië, zal derhalve achterwege blijven.
Dit proefschrift beoogt de vragen te beantwoorden hoe het Nederlanderschap vanuit conceptueel-theoretisch perspectief kan worden geduid en welke betekenis de toepassing van het Europees Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk der Nederlanden heeft voor de duiding van het Nederlanderschap. Deze materie wordt vanuit een rechtsvergelijkend Frans perspectief bestudeerd. Daartoe is een begrip van het burgerschapsconcept onontbeerlijk. Alvorens uitspraken kunnen worden gedaan met betrekking tot het Unieburgerschap, het Franse burgerschap en het Nederlanderschap is het noodzakelijk om te achterhalen wat de oorsprong van de term burgerschap is en welke ontwikkeling zij heeft meegemaakt.1 In dit hoofdstuk zal daarom een onderzoek worden ingesteld naar het verschijnsel burgerschap en zijn verschijningsvormen. Welke ideeën hebben ten grondslag gelegen aan het ontstaan van burgerschap? Wat is de wisselwerking geweest tussen de theorie achter burgerschap en de formalisering ervan in het positieve recht? Op welke wijze werd nadere invulling gegeven aan burgerschap in vroeger tijden, zoals in Athene en de Romeinse Republiek? Op welke wijze hebben de Renaissance en de Franse Revolutie de inhoud van het begrip burgerschap beïnvloed? Dit zijn voorbeelden van vragen die in dit hoofdstuk de revue zullen passeren. Getracht wordt aan de hand van een studie naar het verschijnsel burgerschap zijn wezenskenmerken en connotaties bloot te leggen. De bestudering van oude vormen van burgerschap in dit hoofdstuk staat ten dienste van de ontleding van de ontwikkelingen van het Unieburgerschap en de gevolgen daarvan voor het Nederlanderschap. De oude vormen van burgerschap en hun ontwikkelingen die op deze plek worden besproken, kunnen de blik op de huidige ontwikkelingen scherpen. Hierbij verdient opmerking dat sommige historische tijdvakken in verband met hun betrekkelijke relevantie voor het onderzoek marginaal worden beschreven. Dit geldt met name voor de periode vanaf de klassieke oudheid tot en met de Middeleeuwen.
De opzet van het hoofdstuk is als volgt. In de tweede paragraaf zal worden ingegaan op het ontstaan van het verschijnsel burgerschap in de klassieke oudheid.2 De overeenkomsten en verschillen tussen het Atheense burgerschap en het Spartaanse burgerschap zullen hierbij ter sprake komen (paragraaf 2.2.1). Daarnaast zal een kort uitstapje worden gemaakt naar het burgerschap in de Romeinse Republiek en het Romeinse Keizerrijk (paragraaf 2.2.2). Vervolgens zal het begin van de theoretisering van het concept burgerschap aan bod komen, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan een verhandeling van Aristoteles over burgerschap (paragraaf 2.2.3). Deze verhandeling is – voor zover bekend – de eerste expliciete theoretische benadering van het verschijnsel burgerschap. Daarbij zal voornamelijk worden ingegaan op de vraag welke elementen van burgerschap bij deze eerste theoretisering van burgerschap werden benadrukt. In de derde paragraaf staat de vraag centraal welke verhouding de burger tot zijn rechtsorde heeft volgens de theologisch christelijke literatuur. Het christendom vormde namelijk een van de redenen waarom het verschijnsel burgerschap gedurende de Middeleeuwen tijdelijk in vergetelheid raakte. Aansluitend wordt in de vierde en vijfde paragraaf stilgestaan bij de wedergeboortes van burgerschap in de Renaissance (paragraaf 2.4) en de Franse Revolutie (paragraaf 2.5). Tot slot wordt in paragraaf 2.6 aandacht besteed aan de invulling van het begrip na de Franse Revolutie.