Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.7
2.7 Besluit
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181168:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aristoteles, Politica, Historische Uitgeverij: Groningen, p. 108.
Zie hierover bijvoorbeeld St. Gregory of Narek, Book of Lamentations (vertaling van: Մատեան ողբերգութեան), Surb Etchmiadzin 2016, gebed 93.12 (gecompileerd in 1001-2, vertaling van prof. dr. M. Papazian): “This holy oil of wondrous, blessed light, / Unites both Jew and savage, / Indian and barbarian, Scythian and Greek, / Hostile brute and fearsome dog-headed giant, / Noble lord and slave born to servitude, / Making of them all Christians […].” Ook het Europees Unieburgerschap overstijgt het staatsburgerschap van de lidstaat. Zie daarover meer in Hoofdstuk V van dit proefschrift.
Wederkerige rechtsverhouding
In dit hoofdstuk is beoogd enkele wezenlijke kenmerken van het begrip burgerschap bloot te leggen. Deze exercitie heeft doen blijken dat burgerschap is ontstaan in de zevende eeuw v.Chr. als een instrument om bepaalde individuen in de samenleving te belonen voor bijvoorbeeld hun politieke, militaire dan wel economische weldaden en inzet. Een juridische status – politeia – werd deze mensen toegekend om hen te onderscheiden van de ‘rest’. Dit beloningsaspect illustreert dat burgerschap een uitsluitende werking heeft. Het brengt onderscheid teweeg tussen de ingezetenen van een bepaalde rechtsorde. Het beloningsaspect werd gegoten in een wederkerige rechtsverhouding tussen de burger en de rechtsorde. Wederkerig, omdat de burger in ruil voor de actieve bijdrage en inzet bescherming, rechten en privileges kon krijgen van de rechtsorde.
Klassieke oudheid
In de klassieke oudheid varieerden de rechten en privileges van het verkopen van koopwaar op de markt tot het huwen van andere burgers. De specifieke invulling van wat wordt verstaan onder ‘wederkerig’ is door de jaren heen onderhevig geweest aan verandering. Zoals blijkt uit het onderzoek naar het Atheense en Spartaanse burgerschap verschilde het accent dat beide burgerschappen typeerde. Daar waar in het Atheense burgerschap de nadruk werd gelegd op het betalen van belastingen en de verplichte opkomst bij juryrechtspraak, werd de nadruk in het Spartaanse burgerschap gelegd op de heroïsche en militaire handelingen van de burger. Niettemin is het wederkerige karakter van de rechtsverhouding die burgerschap veronderstelt overeind gebleven.
Theoretisering en christelijk-theoretische transcendentie
De wederkerige rechtsverhouding is voor zover te overzien voor het eerst getheoretiseerd door Aristoteles in zijn Politica. Aristoteles definieert de burger theoretisch als degene ‘die aan de regering kan of mag deelnemen en gerechtelijke en bestuurlijke beslissingen [kan] nemen’.1 Voor de jaren van de Renaissance raakt het begrip burgerschap echter vanwege omstandigheden op de achtergrond. In dit verband is aandacht besteed aan christelijk-theologische literatuur aangaande burgerschap, onder meer van de hand van de heilige Johannes Chrysostomos en Augustinus. Het christendom kenmerkt zich door een eigen christelijk burgerschap. Iedere christen is burger van Gods Koninkrijk. In dit opzicht overstijgt het christelijk burgerschap het aards burgerschap. Een Fransman, een Engelsman en een Nederlander kunnen allen het christelijk burgerschap bezitten.2 De loyaliteit waar het Spartaanse, Atheense en Romeinse burgerschap van uitgaan, jegens de aardse rechtsorde, wordt binnen de christelijk-theologische literatuur verschoven naar loyaliteit jegens God en zijn Koninkrijk. De vraag rijst welke rechtsverhouding een christen dan dient te hebben tot zijn aardse rechtsorde. Een antwoord op deze vraag kan worden gevonden in Augustinus’ De civitate Dei. Hierin stelt de kerkvader dat de christen tevens een innige rechtsverhouding dient te hebben tot zijn aardse rechtsorde omdat alle macht (ook in de Stad der Wereld) is afgedaald van God. Om deze reden is de christen tevens gehoorzaamheid verschuldigd aan zijn aardse rechtsorde. De praktijk pakte echter anders uit. Hoezeer Augustinus een voorstander was van een innige rechtsverhouding tussen de christen en zijn aardse rechtsorde, het (aardse) burgerschapsbegrip raakte niettemin op de achtergrond gedurende de Middeleeuwen door onder andere de opkomst van het feodale stelsel.
Renaissance en Middeleeuwen
Het waren de humanisten in de jaren van de (vroege) Renaissance die door middel van het herontdekken van literatuur uit de klassieke oudheid aandacht vestigden op de wederkerige rechtsverhouding tussen burger en aardse rechtsorde. De herontdekking van literatuur uit de klassieke oudheid bracht met zich dat vooraanstaande auteurs uit de Renaissance, zoals Marsilius van Padua, Bartolus van Saxoferrato en Baldus van Ubaldis, aandacht besteedden aan burgerschap, in het bijzonder aan de (destijds herontdekte) theoretische definitie van de burger van Aristoteles. Marsilius van Padua is voor zover te overzien de eerste auteur die stelt dat burgers, die samen de wetgevende macht vormen en dus wetgeving uitvaardigen, ook personen konden kiezen die namens hen wetgeving zouden kunnen uitvaardigen. Waar Marsilius enigszins voorzichtig stelt dat burgers ervoor kunnen kiezen om politiek gerepresenteerd te worden, breken Bartolus en Baldus definitief met de Aristotelische theoretische benadering van de burger als degene die direct meedoet aan het bestuur van de rechtsorde. Bartolus stelt dat burgerschap een rechtsverhouding behelst tussen de burger en zijn rechtsorde waarbij ongewis is of volgens hem burgers ook actief dienen te zijn in de rechtsorde. Baldus benadrukt in zijn beschouwingen wel dat burgers geen actieve houding hoeven te hebben in de rechtsorde van de desbetreffende samenleving. Deze benadering wordt in de late Middeleeuwen, in enigszins andere opzet, voortgezet door Guicciardini en Machiavelli: de activiteit van de burger op politiek terrein wordt gegoten in de vorm van het uitoefenen van het kiesrecht voor de eigen representanten. Politieke representatie wordt een relevant thema in de jaren na de Middeleeuwen. Bodin, bijvoorbeeld, stelt dat er een burgerschapsinstituut dient te komen waar de wil van de burgers kenbaar kan worden gemaakt. Hoewel hij niet specifiek ingaat op de vorm van een dergelijk burgerschapsinstituut, wordt alsnog gesteld dat burgerschap een wederkerige rechtsverhouding is tussen de burger en zijn rechtsorde, waarbij de nadruk met name ligt op vrijheid en bescherming van de burger. Voor Hobbes, die het mens- en samenlevingsbeeld karakteriseert als zelfzuchtig en verstoord, lijkt burgerschap met name onderworpenheid aan het soevereine gezag te impliceren. Dit wordt gedeeld door meer tijdgenoten van Hobbes, zoals Pufendorf.
De Franse Revolutie: politieke representatie met vrij mandaat
Het is de Engelsman Locke die burgerschap niet zozeer definieert als onderworpenheid aan het soevereine gezag waar het recht zijn oorsprong vindt, maar juist als bezit van het recht. Het zijn immers de burgers zelf die het recht goedkeuren en zodoende bezitter van het recht worden. Hiermee lijkt het soevereiniteitsbegrip te worden verzoend met het burgerschapsbegrip. Rousseau trekt deze gedachte door naar territoriaal omvangrijke staten. Politieke representatie is een noodzakelijk kwaad voor territoriaal omvangrijke staten, aldus Rousseau. De toevoeging van politieke representatie aan het burgerschapsbegrip omvat een breuk met het begrip in zijn oorspronkelijke vorm. In zijn oorspronkelijke vorm is de burger politiek gezien per definitie direct van aard, de toevoeging van politieke representatie brengt hier verandering in – zoals gesteld door Constant. De burger wordt politiek vertegenwoordigd en hoeft in beginsel alleen direct een beslissing te nemen bij de keuze van zijn politieke representant. De Condorcet voegt hieraan toe dat burgers een gelijk kiesrecht dienen te hebben, hetgeen gelijke invloed in het bestuur met zich brengt. Na de jaren van de Franse Revolutie wordt in het burgerschapsdenken de aandacht gevestigd op enerzijds de individuele vrijheid van de burger door middel van verschillende politieke rechten en anderzijds de emancipatie van de mens, waarbij de nadruk wordt gelegd op sociale rechten.
Wezenlijke karakteristieken
Met het voorgaande in het achterhoofd zijn de volgende wezenlijke kenmerken te destilleren uit het burgerschapsbegrip. Als eerste gaat het begrip uit van een wederkerige rechtsverhouding tussen burger en rechtsorde. Sinds de Franse Revolutie wordt deze wederkerige rechtsverhouding ingevuld aan de hand van politieke representatie van de burgers. Burgerschap brengt derhalve politieke representatie met zich van de burger in de rechtsorde van de desbetreffende entiteit. Dit heeft tot gevolg dat de burger bij het kiesrecht voor de eigen politieke representant direct zeggenschap heeft. Daarbij is van belang dat de burger gelijk kiesrecht heeft en dus ook gelijke invloed kan uitoefenen op het bestuur. Relevant in dit kader is dat het mandaat van de politieke representant niet gebonden is, maar vrij. Vervolgens dienen de individuele vrijheden van de burger, in de vorm van (politieke) rechten, te worden gerespecteerd door de rechtsorde van de desbetreffende entiteit. Tot slot is van belang dat het begrip burgerschap sinds de negentiende eeuw niet alleen politieke rechten, maar tevens emancipatie door middel van het garanderen van sociale rechten met zich brengt.
Vervolg
De hierop volgende hoofdstukken staan in het teken van de burger overzee. De rechtsverhouding die de burger heeft tot de rechtsorde van de Europese Unie en het Koninkrijk der Nederlanden zal worden gekwalificeerd teneinde de betekenis van de toepassing van het Europees Unieburgerschap in de overzeese gebieden van het Koninkrijk te analyseren en het burgerschap van het Koninkrijk vanuit een conceptueel-theoretisch perspectief te duiden. Een rechtsvergelijkende studie naar de rechtsverhouding tussen de Franse burger overzee en de Republiek zal daarbij niet ontbreken. Bij deze analyse zal louter het politieke karakter van de burger en de desbetreffende rechtsorde worden beschouwd. Niet zal worden ingegaan op de emancipatoire (en dus sociaalrechtelijke) positie van de overzeese burger. Dit wil niet zeggen dat een onderzoek naar de koppeling tussen burgerschap en sociale rechten in het Koninkrijk der Nederlanden niet de moeite waard is. In het kader van dit proefschrift staat echter onder meer de koppeling van burgerschap aan politieke representatie met vrij mandaat centraal. Zoals hiervoor werd gesteld, is de weg die Rousseau, Mably en later Marx bewandelen ten aanzien van burgerschap een valide manier om naar de Franse Revolutie te kijken. Niettemin leidt deze interpretatie niet tot de fundamentele koppeling van burgerschap aan politieke representatie met vrij mandaat. De benadering van (met name) Marx is dan ook een aberratie van de ontwikkelingslijn die is geschetst voor het burgerschapsbegrip volgens dit proefschrift. Het burgerschapsbegrip zoals beschreven in deze studie is er een waarbij is gepoogd om de spanning op te heffen tussen aan de ene kant politieke participatie en aan de andere kant individuele vrijheid van de burger om een eigen leven in te richten. De notie die deze combinatie mogelijk maakt, heeft door de Franse Revolutie handen en voeten gekregen: namelijk politieke representatie. Politieke representatie is een middel dat de combinatie van politieke participatie en individuele vrijheid mogelijk maakt. Omdat politieke representatie met vrij mandaat niet de weg is van Rousseau, Mably en Marx, althans niet op de manier waardoor het zinvol bijdraagt aan deze combinatie, is het verder niet de weg die zal worden bewandeld in deze studie.