Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.6
2.6 (Politiek) burgerschap na revolutie: individuele vrijheid en emancipatie
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181158:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover paragraaf 2.4.2 (‘Middeleeuwse visies op burgerschap: Marsilius, Bartolus en Baldus’).
Vermeldenswaardig in dit kader is dat de thematiek rondom politieke representatie in het burgerschapsbegrip gedurende de jaren van de Renaissance in beginsel theoretisch wordt benaderd. In de praktijk doen burgers in bijvoorbeeld de Italiaanse stadstaten in beginsel direct mee aan het bestuur van hun rechtsorde, in lijn met de Aristotelische theoretische definitie van de burger.
Zie daarover paragraaf 2.5.1 (‘De verzoening van soevereiniteit en burgerschap’).
Zie daarover paragraaf 2.5.2 (‘Politieke representatie, kiesrecht en vrij mandaat’).
Zie daarvoor paragraaf 2.2.2 (‘Het Romeinse burgerschap in de Republiek en het Keizerrijk: experimenteren met de uitbreiding van burgerschap’).
In de vorige paragraaf kwam aan bod welke rol burgerschap heeft gespeeld vanaf het einde van de Middeleeuwen tot en met de Franse Revolutie. Gebleken is dat in de jaren van de Renaissance geleidelijk afstand is genomen van Aristoteles’ theoretische definitie van de burger, zoals uiteengezet in paragraaf 2.2.3 (‘Burgerschap getheoretiseerd: Aristoteles’ Politica en de wezenlijke karakteristiek van de polis-burger’). Die definitie neemt als uitgangspunt dat de burger deelneemt aan het bestuur van een bepaalde rechtsorde, de polis¸ en aldaar gerechtelijke en bestuurlijke beslissingen neemt. Kenmerkend aan de burger in de klassieke oudheid is derhalve dat hij direct, zonder tussenkomst van een derde, politiek bedrijft in zijn rechtsorde. Gedurende de eerste wedergeboorte van het burgerschapsbegrip in de jaren van de Renaissance komt hier in de theorie achter het burgerschapsbegrip verandering in. Geleidelijk aan wordt in de geschriften van prominente schrijvers in de Renaissance een representatieve component toegevoegd aan dit eeuwenoud concept. Voor zover te overzien is de eerste auteur die in het kader van het denken over burgerschap heeft gesteld dat de burger politiek kan worden gerepresenteerd door een medeburger, de uit Padua afkomstige Marsilius.1 Deze aanname krijgt vanaf het einde van de Middeleeuwen en in aanloop naar de Franse Revolutie in beginsel een theoretische benadering bij verschillende auteurs.2 Dat geldt ook voor Guicciardini en Machiavelli. Beide Florentijnen waren de mening toegedaan dat burgerschap niet zozeer direct, maar veeleer indirect zeggenschap met zich brengt, namelijk door middel van het uitoefenen van het kiesrecht voor de eigen vertegenwoordigers. Na de Middeleeuwen stelt Bodin dat er een burgerschapsinstituut in het leven dient te worden geroepen teneinde de wil van de burgers kenbaar te maken. Het burgerschapsinstituut wordt echter niet nader toegelicht door Bodin. Het is de verzoening van soevereiniteit met burgerschap, mede aangezet door Locke,3 die illustreert wat met dit burgerschapsinstituut als instelling van de staat wordt bedoeld. In zijn Two Treatises of Government uniformeert Locke de begrippen burgerschap en soevereiniteit door te stellen dat de burger die door middel van representatie vertegenwoordigd is op staatsniveau niet – anders dan voorheen gesteld door Hobbes – onderworpen is aan het recht, maar juist bezitter is van het recht. Aangezien de burger de auteur is van het recht, kan hij volgens Locke dan ook niet onderworpen zijn aan het recht. Rousseau trekt, vanwege de opgetreden schaalvergroting in de wereld, het voorgaande door naar territoriaal grote staten. Deze zijn mede bestuurbaar door politieke representatie van de burgers in een burgerschapsinstituut, hetgeen neerkomt op de creatie van het parlement, alwaar representanten zich verzamelen en namens de burgers beslissingen nemen.
Opvallend aan het denken over burgerschap in de aanloop naar en tijdens de Franse Revolutie is dat de ontwikkeling in het burgerschapsbegrip stapsgewijs meer duidelijkheid verschaft over de noodzaak en de grondslagen van het begrip. Anders dan in de jaren van de Renaissance worden de discussies rondom burgerschap niet louter op theoretisch niveau gevoerd. De praktische uitwerking ervan wordt onder de aandacht gebracht. Na de Franse Revolutie blijft de wederkerige rechtsverhouding die burgerschap met zich brengt tussen de burger en zijn rechtsorde, zoals tevens het geval was in de klassieke oudheid, sterk overeind staan. Deze wederkerigheid kenmerkt zich door rechten en plichten tussen de burger en de rechtsorde over en weer. De specifieke invulling van deze rechten en plichten verschilt per rechtsorde. Een nieuw uitgangspunt sinds de Franse Revolutie, dat niettemin zijn vroege sporen heeft in de jaren van de Renaissance, is dat niet de burger zelf deelneemt aan het bestuur van de staat, maar zich laat vertegenwoordigen door zijn politieke representant. Daarnaast geldt dat dit stemrecht voor de representant onder de kiesgerechtigden gelijk dient te zijn verdeeld, aldus De Condorcet.4
Dan resteert het omzetten van de gevormde theorie achter het burgerschapsdenken tot de Franse Revolutie in de staatsrechtelijke praktijk. Daarbij rezen verschillende vragen: Wie dient de kwalificatie ‘burger’ te krijgen? Welke burgers zijn kiesgerechtigd? Voor welk representatief orgaan dienen de kiesgerechtigde burgers hun kiesrecht uit te oefenen? Aan de hand van welk kiesstelsel dienen de representanten te worden gekozen? Sinds het ontstaan van het burgerschapsbegrip in de antieke wereld heeft men geworsteld bij het vinden van een antwoord op de eerste twee vragen – wie dient de kwalificatie ‘burger’ te krijgen en welke burgers zijn kiesgerechtigd? In de voorgaande paragrafen wordt dit onder meer duidelijk bij de experimenten in zowel de Romeinse Republiek als het Romeinse Keizerrijk met betrekking tot de uitbreiding van burgerschap.5 De overige gestelde vragen, onder meer naar het te verkiezen representatief orgaan en kiesstelsel, werden relevant vanwege het ontstaan van de representatieve component in de uitleg van het burgerschapsbegrip na de Franse Revolutie. De staatsrechtelijke praktijk met betrekking tot burgerschap kreeg derhalve, vanwege de toevoeging van politieke representatie aan het burgerschapsbegrip, te maken met nieuwe vragen.
De onderhavige paragraaf staat in het teken van de implementatie van de geschetste burgerschapstheorie zoals die zich vormde gedurende de twee wedergeboortes van het burgerschapsbegrip in de staatsrechtelijke praktijk na de Franse Revolutie. Welke kritiek werd bij deze implementatie geuit op de uitgangspunten zoals destijds werden gevormd in het burgerschapsdenken en op welke wijze werd daaraan tegemoetgekomen? Welke, wellicht nieuwe, componenten werden toegevoegd aan of juist afgeschreven van het burgerschapsbegrip? Deze en vergelijkbare vragen worden aan de orde gesteld in deze zesde paragraaf. Bij deze behandeling zal de nadruk liggen op de politieke aspecten ten aanzien van burgerschap.
2.6.1 De verandering van Hobbes’ mensbeeld en het belang van de individuele vrijheid2.6.2 Emancipatie van mens en burger in de samenleving: het politieke en het sociale principe