Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/1.1.3
1.1.3 Werknemersperspectief
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS575627:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
P. van Echtelt en S. Hoff, Wel of niet aan het werk. Achtergronden van het onbenut arbeidspotentieel onder werkenden, werklozen en arbeidsongeschikten, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau 2008, p.34-35 (SCP 2008). Ook andere aspecten spelen in die afweging een rol zoals het toekomstig inkomen (minder werken kan de kans op een carrière schaden) en de noodzaak van inkomen (is iemand kostwinner of zijn er meerverdieners in het huishouden?).
SCP 2008, p.52, bevestigd door onderzoek van verschillende instellingen te weten SCP, het Centraal Bureau voor de Statistiek, TNO en UWV Kenniscentrum, uitmondend in een rapport, M. Versantvoort en P. van Echtelt (red.), Belemmerd aan het werk. Trendrapportage ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en arbeidsdeelname personen met gezondheidsbeperkingen, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau augustus 2012, p.75 (SCP 2012).
SCP 2008, p.35.
Richtlijn 2000/78/EG en Eurofound, Employment and disability: Back to work strategies, 2004, p.21: ‘It is not difficult to grasp the implications of moving from being a productive worker to long-term absence. Apart from the distressing experience of having developed an illness or disability, the altered status of long-term absence brings with it reduced income, negative self-esteem and confidence, stigma (particularly in relation to mental health conditions), disengagement from work, and a loss of skills and knowledge within a job role or occupation. There are also exclusionary impacts on the person’s family, particularly if there are dependents. On a broader scale, chronic illness and work disability have impacts on the community, colleagues in the workplace, and the wider society. Many of these can be described in economic or financial terms, but there are also repercussions for quality of life and social marginalisation.’ Nationaal klinken soortgelijke overwegingen, Kamerstukken II 2010/11, 32 500, nr.2, p.9.
Verslag van de Staatscommissie inzake onvolwaardige arbeidskrachten, Den Haag 1938, p.22.
Sociale nota 1995, Kamerstukken II 1994/95, 23 902, nr.1-2, p.6 en p.69.
H.K. Klamer, ‘Inkomensbescherming en activering’ in: S. Klosse, Bevordering van arbeidsparticipatie ofwel: Werk boven ‘wig’ of ‘wig’ boven werk? Over achtergronden, doelstelling en middelen tot bevordering van arbeidsparticipatie, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht nr. 22. Samsom H.D. Tjeenk Willink: Alphen aan den Rijn 1995, p.77.
S. Klosse, Bevordering van arbeidsparticipatie ofwel: Werk boven ‘wig’ of ‘wig’ boven werk? Over achtergronden, doelstelling en middelen tot bevordering van arbeidsparticipatie, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht nr. 22, Samsom H.D. Tjeenk Willink: Alphen aan den Rijn 1995, p.9-21.
Al geconstateerd in 1975 door de SER, SER-advies inzake de opneming van gehandicapten in het arbeidsproces 1975-9, p.6, Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr.3, p.3-4.
Kamerstukken II 2010/11, 32 500, nr.2, p. 9.
SER-advies inzake de opneming van gehandicapten in het arbeidsproces 1975-9, p.6.
SCP 2008 voor arbeidsongeschiktheid, maar het mechanisme wordt breder onderkend. Koning constateert bijvoorbeeld bij re-integratie van werklozen in de bijstand significante effecten van de dreiging met sancties, P. Koning, ‘Beter een stok dan een wortel. Toeleiding naar werk’ in: J. Uitermark, A. Gielen en M. Ham, Wat werkt nu werkelijk? Politiek en praktijk van sociale interventies, Van Gennep: Amsterdam, 2012, p.105-120.
SCP 2008, p.36-37.
Het gaat om mensen tussen 15 en 65 jaar.
57% van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten wil werken (SCP 2008, p.45), 15% van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten die werkt wil meer werken (SCP 2008, p.58). Een kanttekening daarbij is dat het SCP 2008-onderzoek zich richtte op WAO-ers en niet zozeer op werknemers in de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid. Mijn veronderstelling is dat die echter geen wezenlijk andere antwoorden zouden geven.
SCP 2008, p.49-51, waarbij het percentage arbeidsongeschikten en werklozen wordt samengevat als ‘niet-werkenden’.
Naast het macroperspectief bestaat een werknemersperspectief, dat inzicht geeft in het waarom van re-integratie voor de werknemer. Ten eerste betekent arbeidsongeschiktheid in de regel op enig moment een teruggang in inkomen. Re-integratie kan de inkomenspositie weer verbeteren, dus zou de wens om (weer) meer te verdienen een reden kunnen zijn te gaan re-integreren. Dit motief past in de algemene theorie dat werk een uitruil is van geld en tijd, een afweging tussen vrije tijd en inkomen. Als iemand meer waarde hecht aan extra inkomen dan aan één uur vrij te besteden tijd, dan zal hij dat uur gaan werken. De werknemer weegt dat af bij zijn beslissing om te gaan werken of niet en zo ja, voor hoeveel uur dan.1
Dit motief kan bij arbeidsongeschikte werknemers meteen worden gerelativeerd. Door onderzoek is in kaart gebracht welke belemmeringen door arbeidsongeschikten worden gezien om (meer) te werken. Niet verrassend bleek dat de arbeidsongeschiktheid zelf het grootste obstakel was.2 De afwegingen om wel of niet (meer) te gaan werken zullen veelal worden gedicteerd door de medischemogelijkheden om te werken of niet en niet zozeer door het inkomen.
De tweede reden voor een werknemer om (meer) te willen werken is het welbevinden. Werk heeft namelijk verschillende functies:
werk structureert de tijd
werk is een belangrijke bron van sociale contacten en sociale ervaringen
werk maakt het mogelijk een bijdrage te leveren aan de maatschappij en geeft daardoor meer zin en betekenis aan individuele activiteiten
werk levert status en identiteit, door het werk ontvangt men respect
werk dwingt tot activiteit en biedt kansen tot het ontwikkelen van competenties en vaardigheden.3
In Europees verband is onderkend dat arbeid en beroep sleutelelementen zijn voor het waarborgen van gelijke kansen voor eenieder en een belangrijke bijdrage leveren aan het volledig deelnemen van burgers aan het economische, culturele en sociale leven en aan hun persoonlijke ontplooiing. Alleen al om die immateriële en intrinsieke reden is re-integratie wenselijk.4 Getuige het fraaie vroeg-twintigste-eeuws overheidsproza is deze gedachte niet nieuw: ‘De beteekenis van het leven berust op het vermogen om te werken. Gebrekkigen zullen zich dan eerst mensch gaan voelen, wanneer ook zij den zegen van den arbeid ondervinden’.5
Re-integratie voorkomt maatschappelijke uitsluiting, vormt een fundament voor de kwaliteit van bestaan en biedt kansen op zelfontplooiing.6
Bij arbeidsongeschiktheid kan ten derde gemakkelijk een beeld ontstaan van het definitief buiten het arbeidsproces staan. Een werkloze is ‘between jobs’; een arbeidsongeschikte is ‘beyond a job’. Zo’n beeld was in het recente verleden niet eens onwaar: een arbeidsongeschiktheidsuitkering werd in de loop van de jaren zeventig en tachtig niet langer meer gezien als een tijdelijke overbrugging op weg naar werk, maar als hét middel om bestaanszekerheid te garanderen. De uitkering was het doel geworden van de sociale zekerheid en niet een middel om de lacune op te vullen als de werknemer niet zelf in zijn onderhoud kon voorzien. Sociale zekerheid was teveel een hangmat geworden, in plaats van een trampoline.7 Zulk blijvend verlies van arbeidsinkomen kan leiden tot het verlies van immateriële zaken, als aanzien en eigenwaarde, dat op zijn beurt weer zelf gezondheidsschade kan veroorzaken. Snelle terugkeer kan voorkomen dat dit soort effecten ontstaat.8 Het beeld van de afgeschreven arbeidsongeschikte werknemer in zijn hangmat is daarbij niet alleen onjuist, maar kan ook stigmatiserend en demotiverend werken.9 Het gevoel van eigenwaarde van een arbeidsongeschikte werknemer kan afnemen als niet wordt geprobeerd hem terug te brengen naar werk.10 Betrokkenen zelf zullen normaal gesproken ook aan de slag willen. Voor hen zal het thuis zitten niet wenselijk aanvoelen; het geeft een gevoel van doelloosheid en uitgeschakeld te zijn in de maatschappij.11
De laatste reden voor re-integratie hangt samen met verplichtingen en verwachtingen. Zo heeft een sollicitatieplicht het effect dat mensen gaan deelnemen op de arbeidsmarkt.12 Wensen van de werkgever of van de partner hebben invloed op het méér gaan werken, terwijl sociale normen, rolpatronen en het eigen arbeidsethos net zo goed bij dragen aan al dan niet (meer) gaan werken.13 Als bijvoorbeeld in de eigen sociale kring ‘ziek vieren’ acceptabel wordt gevonden, gaat daar geen prikkel tot re-integratie van uit. Als ‘aanpakken’ meer in de eigen mentaliteit zit verweven, dan is eerder een positieve houding tegenover snelle werkhervatting te verwachten.
Het werknemersperspectief is daarmee gericht op het bereiken van twee positieve effecten namelijk het in staat stellen zich te ontplooien en (in mindere mate) het verwerven van meer inkomen. Tegelijk is het gericht op het voorkomen van twee negatieve effecten, te weten het tegengaan van sociale uitsluiting en het voldoen aan verplichtingen of verwachtingen. Het SCP onderzocht in 2008 het werknemersperspectief. Aan arbeidsongeschikten is gevraagd of er behoefte bestaat aan re-integratie en zo ja, waarom.14 De behoefte is duidelijk aanwezig: 72% van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten wil (meer) betaald werk verrichten en zelfs 19% van de volledig arbeidsongeschikten wil aan de slag.15 Op de vraag waarom zij dan (meer) zouden willen werken, bleek dat bij arbeidsongeschikten elk van de vier genoemde redenen een rol speelde, maar dat het welbevinden het vaakst werd genoemd (80%).16 Het belang van de werknemer bij re-integratie is daarmee van een theoretisch en feitelijk fundament voorzien.