Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/9.5.3
9.5.3 De Wet HOF
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456488:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 3, tweede lid, Stabiliteitsverdrag.
Zie par. 8.4.1. Het Euro Plus-pact was slechts een politiek akkoord. Met het Stabiliteitsverdrag hebben deze afspraken dus een sterkere juridische basis gekregen in de vorm van een verdragsverplichting.
Kamerstukken II 2010/11, 32565, 4; Handelingen II 2010/11, 35, p. 33-34; Handelingen II 2010/11, 36, p. 102.
Zie par. 2.6.
Kamerstukken II 2012/13, 33416, 3, p. 3; Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 788, p. 4. Dit eerdere wetsvoorstel werd aangeduid als de wet TRem: Wet Tekortreductie Rijk en medeoverheden.
Kamerstukken II 2012/13, 33416, 3, p. 3. Zie voor de belangrijkste uitgangspunten van het trendmatig begrotingsbeleid, zoals dat door de Wet HOF wordt vastgelegd: Kamerstukken II 2012/13, 33416, 3, p. 4. De kern van het trendmatig begrotingsbeleid is vastgelegd in artikel 2, tweede lid, Wet HOF. Zie ook: Zalm 2009, p. 130-131 en par. 2.6.
Kamerstukken II 2012/13, 33416, 3, p. 5. Deze Europese begrotingsafspraken zijn vastgelegd in artikel 2, derde lid, Wet HOF.
Artikel 4, vierde lid, Verordening (EU) nr. 473/2013. Zie par. 9.2.1.
Artikel 2, tweede en negende lid, Wet HOF. Zie ook par. 4.2.
Tot slot verdient de parlementaire behandeling van de Wet HOF hier bespreking. De Wet HOF kende verschillende aanleidingen.1 Ten eerste verplichtten diverse Europese regelingen tot het opnemen van bepalingen over houdbare overheidsfinanciën in een nationale wet. Zo diende de richtlijn uit het six-pack over minimumeisen aan nationale begrotingen te worden omgezet. Ook moest de verplichting uit het Stabiliteitsverdrag worden nagekomen om Europese normen over het begrotingsevenwicht op te nemen in het nationale recht via ‘bindende en permanente, bij voorkeur constitutionele, bepalingen of door andere garanties voor de volledige inachtneming en naleving ervan gedurende de nationale begrotingsprocessen’.2 Dit was tevens al afgesproken in het Euro Plus-pact.3
Een tweede aanleiding voor de Wet HOF was een al in 2010 in de Tweede Kamer aangenomen motie, die bij een debat over de Najaarsnota van dat jaar (de bundeling van suppletoire begrotingsvoorstellen) werd voorgesteld.4 Deze motie riep de regering op met een voorstel te komen om (nationale en Europese) begrotingsregels te verankeren in de Comptabiliteitswet. Volgens de indieners van de motie is degelijk financieel beleid door het stellen van deugdelijke begrotingsregels van groot belang, terwijl de Comptabiliteitswet dat soort regels niet bevatte. De Tweede Kamer schaarde zich achter de wens om begrotingsregels een wettelijke basis te geven en aan deze kern werd, hoewel niet via de Comptabiliteitswet, maar door middel van de Wet HOF, voldaan, zoals ook in het eerste deel van dit proefschrift aan de orde kwam.5
De Wet HOF bouwt voort op een eerder, nooit ingediend, wetsvoorstel over houdbare overheidsfinanciën.6 Net als de Wet HOF, had dat wetsvoorstel een wettelijke verankering van begrotingsregels en het betrekken van decentrale overheden bij het realiseren van begrotingsnormen tot doel. Hoewel de Wet HOF belangrijke consequenties heeft voor decentrale overheden, ga ik hieronder, gelet op het onderwerp van dit proefschrift – het nationale budgetrecht – uitsluitend in op de gevolgen van deze wet voor het budgetrecht van de Staten-Generaal. De Wet HOF richt zich op het vastleggen van zowel nationale als Europese begrotingsregels. De nationale regels zien vooral op het trendmatig begrotingsbeleid, zoals dat in 1994 door toenmalig minister van Financiën Zalm is ingevoerd en wat onder meer gekenmerkt wordt door een strikte scheiding tussen inkomsten en uitgaven.7 De Europese begrotingsregels betreffen met name de normen voor het overheidstekort, de staatsschuld en de middellangetermijndoelstelling, en de procedures die gevolgd moeten worden als niet aan deze normen wordt voldaan.8 Met de Wet HOF is verder voldaan aan de verplichting uit het two-pack om begrotingen te baseren op onafhankelijke prognoses.9 In de Wet HOF is namelijk opgenomen dat begrotingen gebaseerd moeten zijn op de onafhankelijke ramingen van het CPB.10
De uitwerking van het two-pack, het six-pack en het Stabiliteitsverdrag in de Wet HOF kent enkele bijzonderheden. Ik bespreek hieronder allereerst de vraag of de verplichtingen uit het Stabiliteitsverdrag tot een wijziging van de Grondwet hadden moeten leiden. Vervolgens ga ik in op de manier waarop de begrotingsnormen in de Wet HOF gecodificeerd zijn. Tot slot behandel ik de wijze waarop het onafhankelijk toezicht op de naleving van de begrotingsregels is vormgegeven, dat uit het two-pack en het Stabiliteitsverdrag voortvloeit.
9.5.3.1 Constitutionele verankering9.5.3.2 Codificatie begrotingsnormen9.5.3.3 Onafhankelijk begrotingstoezicht