Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.4.2.2
1.4.2.2 Verzwaarde motiveringsplicht
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655857:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover onder meer Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214a; Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 306-309; Asser 2004, nr. 49-52; Giesen 2001, p. 39-47; Schild 2009, p. 259; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 19. Zie over de verzwaarde motiveringsplicht ook het overzichtsartikel Paijmans 2016.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 306; Asser 2004, nr. 49. Zie verder onder meer de arresten HR 20 april 2007, JA 2007/89 (X en Y/Stichting Slotervaartziekenhuis), r.o. 3.4.2; HR 15 juni 2007, NJ 2007/335 (M./X en Y), r.o. 3.4.4; HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368, m.nt. T. Hartlief (Reaal Schadeverzekeringen N.V./Gemeente Deventer), r.o. 3.6.2-3.6.3.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 307; Asser 2004, nr. 50; Giesen 2001, p. 39; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 19.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 307; Asser 2004, nr. 50.
Idem.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 309; Asser 2004, nr. 52; Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214a; Schild 2009, p. 259.
Zie in dit verband onder meer de arresten HR 20 november 1987, NJ 1988/500, m.nt. W.L. Haardt (Timmer/Deutman); HR 18 februari 1994, NJ 1994/368 (Schepers/De Bruijn); HR 13 januari 1995, NJ 1997/175, m. nt. C.J.H. Brunner (Ziekenhuis De Heel/X c.s.); HR 10 januari 1997, NJ 1999/286, m.nt. W.M. Kleijn; HR1 december 2000, NJ 2001/45 (TTS Automation A/S/Stichting Administratiekantoor Sigillo); HR 23 november 2001, NJ 2002/386, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2002/387 (I./ Stichting Gezondheidszorg, Oostelijk Zuid-Limburg); HR 23 november 2001, NJ 2002/387, m.nt. J.B.M. Vranken (N./P.); HR 15 december 2006, NJ 2007/203, m.nt. M.R. Mok (Noord Nederlands Effektenkantoor/Mourik), r.o. 3.4; HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:288 (X/Y), r. o. 3.4.3.
Voor een voorbeeld van een uitspraak van het KiFiD waarin een aansprakelijk gestelde beleggingsadviseur een verzwaarde stelplicht werd opgelegd in het kader van zijn betwisting van de stelling van de eisende belegger dat de adviseur tekort was geschoten in de uitvoering van de adviesovereenkomst, wijs ik op de uitspraak Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2013-06 d.d. 31 januari 2013, r.o. 5.1.2.
Een tweede manier om de benadeelde in zijn bewijslast tegemoet te komen, is door voor de gedaagde een zogenoemde ‘verzwaarde motiveringsplicht’ aan te nemen.1 Hiermee wordt bedoeld dat de rechter de gedaagde de verplichting oplegt om in het kader van (de motivering van) zijn betwisting van de stellingen van de benadeelde, de laatstgenoemde informatie te verschaffen teneinde hem te helpen bij de vervulling van de op hem rustende bewijslast.2 Door het aldus verlichten van de bewijsleveringslast, wordt ook het op de benadeelde rustende bewijsrisico verlicht, aangezien de kans dat dit risico zich aan zijn kant realiseert, afneemt.3 De rechter zal het instrument van de verzwaarde motiveringsplicht met name in die gevallen toepassen, waarin de aard van de processuele relatie tussen partijen meebrengt dat de realisering van het materiële rechtsgevolg waar de benadeelde zich op beroept, zonder ingrijpen in de bewijsleveringslast in gevaar dreigt te komen.4 Steeds zal het daarbij gaan om gegevens die zich bevinden, of die zich zouden behoren te bevinden, in het domein van de gedaagde.5 Hierbij zij nog aangetekend dat het instrument van de verzwaarde motiveringsplicht meestal niet alleen wordt ingezet ter verlichting van de bewijslast bij het bewijs van het causaal verband, maar ook – of misschien wel beter gezegd: vooral – ter verlichting van de bewijslast bij het bewijs van de normschending.
Voldoet de aansprakelijk gestelde partij niet aan zijn verzwaarde motiveringsplicht, dan mag de rechter daaraan de conclusies verbinden die hij geraden acht.6 De rechter kan bijvoorbeeld de bewijslast omkeren of de stellingen van de benadeelde als onvoldoende weersproken beschouwen en als vaststaand aannemen (art. 149 lid 1 Rv).
In de rechtspraak komt men de verzwaarde motiveringsplicht voornamelijk tegen in gevallen waarin een beroepsbeoefenaar (denk aan de arts, advocaat of notaris) aansprakelijk wordt gesteld voor het begaan van een kunstfout en/of het schenden van een informatie- of waarschuwingsplicht.7 Van de beroepsbeoefenaar wordt dan verlangd dat hij – in het kader van zijn betwisting van de stellingen van de benadeelde – nadere informatie verschaft over de gang van zaken die heeft geleid tot de vermeende kunstfout en/of het vermeende informatieverzuim.8