Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/2.4.4
2.4.4 Art 332 lid 4 Fw
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS447314:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 8.7.2.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, wetswijzigingen, 2-III, p. 776.
Hoewel voldaan is aan de vereiste meerderheid van schuldeisers, is het akkoord niet aangenomen, omdat de gewone meerderheid van schuldeisers niet ten minste de helft vertegenwoordigt van het totale bedrag van de vorderingen.
De toenmalige minister van Justitie Korthals verkondigde reeds in zijn openingstoespraak voor het congres 'Privaatrecht in de 21e eeuw' op 4 februari 1999 te Den Haag, dat op korte termijn voorstellen zouden komen tot wijziging van de Faillissementswet. Een aantal elementen uit de schuldsaneringsregeling zou dan worden overgenomen. In het bijzonder de aspecten uit de voornoemde regeling die de voortzetting van levensvatbare onderdelen van een onderneming zouden bevorderen. De minister refereerde hierbij in het bijzonder aan de vaststellingsbevoegdheid van de rechter-commissaris ex art. 332 lid 4 Fw. Het heeft vervolgens bijna zes jaar geduurd voordat de wijzigingen voor het akkoord in faillissement en surseance zijn ingevoerd. Zie voor een verslag van het congres: NJB 1999, afl. 7, p. 328 en 329.
Wet van 24 november 2004, Stb. 2004, 615 in werking getreden op 15 januari 2005, Stb. 2005, 10.
In art. 332 lid 4 Fw wordt aan de rechter-commissaris de bevoegdheid verleend om schuldeisers die zich onredelijk opstellen, te corrigeren. Er dient dan voldaan te zijn aan de volgende twee voorwaarden:
"a. drie vierde van de ter vergadering verschenen schuldeisers van erkende en voorwaardelijk toegelaten vorderingen waaraan voorrang is verbonden en drie vierde van de concurrente schuldeisers voor het akkoord hebben gestemd; en b. de verwerping van het akkoord het gevolg is van het tegenstemmen van een of meer ter vergadering verschenen schuldeisers die, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder het percentage dat die schuldeisers, zou de toepassing van de schuldsaneringsregeling worden voortgezet, naar verwachting aan betaling op hun vorderingen zullen ontvangen, in redelijkheid niet tot dit stemgedrag hebben kunnen komen."
Indien voldaan is aan de hiervoor genoemde voorwaarden kan de rechtercommissaris een verwerping van een akkoord naast zich neerleggen en een akkoord bij gemotiveerde beschikking alsnog vaststellen als ware het akkoord wèl aangenomen. Het door de rechter-commissaris vastgestelde akkoord dient vervolgens door de rechter te worden gehomologeerd. De voorwaarde neergelegd in art. 332 lid 4 sub b Fw is een codificatie van rechtspraak over het verplichten van een weigerachtige schuldeiser tot het verlenen van medewerking aan een buitengerechtelijke regeling.1 Mede gelet op deze rechtspraak is aan de rechter-commissaris de bevoegdheid van art. 332 lid 4 Fw gegeven. Hoe dient de rechter-commissaris te beoordelen of aan de voorwaarde van art. 332 lid 4 sub b Fw is voldaan? In de memorie van toelichting wordt hierover opgemerkt:
"Bij de beoordeling daarvan dient de rechter-commissaris in het bijzonder te letten op het percentage dat die schuldeisers bij voortzetting van de toepassing van de schuldsaneringsregeling naar verwachting op hun vorderingen zullen ontvangen. In deze voorwaarde ligt in ieder geval besloten dat met elkaar wordt vergeleken enerzijds het bedrag dat die schuldeisers ingevolge het akkoord zouden ontvangen en anderzijds het bedrag dat zij, komt er geen akkoord, bij voortzetting van de toepassing van de schuldsaneringsregeling naar verwachting zouden ontvangen. In verband met het feit dat het laatste bedrag per definitie ongewis is, zal deze vergelijking noodzakelijkerwijs een globaal karakter dragen. Het gaat erom te bezien of er tussen bedoelde bedragen geen onaanvaardbaar grote verschillen te verwachten zijn. Een aspect waarmee in dit verband tevens rekening gehouden kan worden is dat de schuldeisers bij aanvaarding van een akkoord éérder betaling kunnen ontvangen dan in het geval de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet."2
Het op onredelijke gronden verwerpen van een op zichzelf redelijk akkoord, terwijl drievierde van de concurrente en preferente schuldeisers3 met het akkoord heeft ingestemd, dient onder omstandigheden te kunnen worden 'overruled' door de rechter. Het belang van de individuele schuldeiser dient in dat geval te wijken voor het algemene belang.4 De vaststellingsbevoegdheid van de rechter-commissaris ex art. 332 lid 4 Fw is bij eerder genoemde wetswijziging5 ook ingevoerd voor het akkoord in faillissement en surseance.6