Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/2.4.5:2.4.5 Homologatie akkoord
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/2.4.5
2.4.5 Homologatie akkoord
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS448550:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, wetswijzigingen, 2-III, p. 780.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, wetswijzigingen, 2-III, p. 780.
Vgl. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen, NIBE-Bankjuridische reeks, 1998, p. 133.
Met 'verschenen' in art. 339 lid 1 Fw wordt kennelijk bedoeld: in persoon, bij schriftelijk gemachtigde of bij procureur. Vgl. art. 337 lid 2 Fw.
Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen, NIBE-Bankjuridische reeks, 1998, p. 134.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor zowel een aangenomen als een vastgesteld akkoord geldt dat deze vervolgens door de rechter moet worden goedgekeurd. De procedure is nagenoeg gelijk aan de homologatieprocedure van een akkoord in faillissement.1 In hoofdstuk 5 wordt de homologatie van een akkoord in faillissement besproken. Ik volsta daarom hier met een aantal opmerkingen. De procedure verlangt dat de rechter-commissaris verslag uitbrengt van hetgeen in de verificatievergadering aan de orde is geweest. De rechter-commissaris geeft aan de rechter zijn algemene visie over onder meer het verloop van de schuldsaneringsregeling en de inhoud van het aangenomen akkoord.2 Op grond van art. 337 lid 2 Fw kunnen ook de schuldeisers hun meningen over de homologatie van het akkoord kenbaar maken. De schuldenaar is ex art. 337 lid 3 Fw bevoegd zijn belangen te verdedigen. Naar het advies van de bewindvoerder over de wenselijkheid van homologatie van het akkoord hoeft niet gevraagd te worden. De rechter kan de bewindvoerder horen, maar is daartoe niet verplicht.3 Ook de curator in faillissement hoeft niet over de homologatie van het akkoord te worden gehoord.4 Opvallend is dat de bewindvoerder in surseance wel expliciet in art. 271 Fw de bevoegdheid heeft gekregen zich uit te spreken over de homologatie van het akkoord. Kennelijk heeft de wetgever zich bij art. 337 Fw laten leiden door art. 152 Fw en niet door art. 271 Fw.5 Gezien de rol van de bewindvoerder en de curator en hun betrokkenheid bij de totstandkoming van een akkoord zou ook aan hen de expliciete bevoegdheid moeten worden toegekend, om zich over de homologatie van een akkoord uit te kunnen spreken. Art. 152 Fw en art. 337 Fw zouden op dit punt aan art. 271 Fw moeten worden aangepast.
Op grond van art. 339 lid 1 Fw zijn hoger beroep en cassatie mogelijk tegen zowel de beslissing tot het verlenen als tot het weigeren van de homologatie. In art. 339 lid 1 slot Fw wordt echter de beperking gesteld dat het recht van hoger beroep en cassatie slechts toekomt aan schuldeisers die op de zitting van de rechtbank zijn verschenen.6 Verschoof merkt hierover terecht op dat de beperking nogal gekunsteld aandoet.7 Het is immers nogal merkwaardig dat een schuldeiser die op de verificatievergadering zijn mening over het akkoord kenbaar heeft gemaakt of bij de rechter-commissaris zijn bezwaren schriftelijk heeft ingediend, het recht van hoger beroep en cassastie wordt onthouden, indien hij niet op de zitting van de rechtbank verschijnt. Daarentegen heeft een schuldeiser die niet op de verificatievergadering is verschenen en geen bezwaren bij de rechter-commissaris heeft ingediend, wel het recht van hoger beroep en cassatie indien hij slechts op de zitting verschijnt. De reden van de beperking van art. 339 lid 1 slot Fw ontgaat mij. Bovendien ontbreekt deze beperking in de vergelijkbare regeling van art. 154 Fw. Art. 339 lid 1 slot Fw dient aan art. 154 Fw te worden aangepast.