Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.2
3.2 Het ontstaan van artikel 2:349a lid 2 BW; achtergrond
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS197026:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Wet wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête (aanvullingswet) van 8 november 1993 (Stb. 1993, 597; Kamerstuknr. 22 400) trad toen in werking. De bepaling luidde destijds (art. 2:349a lid 2 BW (oud)): “Indien in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek een onmiddellijke voorziening is vereist, kan de ondernemingskamer in elke stand van het geding op verzoek van de indieners van het in artikel 345 bedoelde verzoek een zodanige voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding.”. Voor de geschiedenis van het enquêterecht van voor 1994, zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/726.
Voorontwerp van Wet wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête, 8 oktober 1981, SER 88/14, bijl. 4. Olden wijst er op dat in de parlementaire geschiedenis van de bepaling uit 1994 zowel “onmiddellijke voorziening” als “voorlopige voorziening” is gebruikt, kennelijk zonder besef van de precieze betekenis van de terminologie. Aan de uiteindelijke keuze voor de term “onmiddellijke voorziening” kunnen daarom naar zijn mening geen conclusies worden verbonden (Oden, Ondernemingrecht 2003/p. 549-555).
Kamerstukken II 1982/83, Voorontwerp van Wet, p. 8 (MvT).
Kamerstukken II 1982/83, Voorontwerp van Wet, p. 23 (MvT).
Tegenwoordig: de voorzieningenrechter.
Olden, Ondernemingrecht 2003/p. 549-555, nr. 2.
Kamerstukken II 1982/83, Voorontwerp van Wet, p. 24 (MvT).
Met uitzondering van ontbinding van de rechtspersoon (art. 2:356 aanhef en sub f BW). De bepaling maakt deel uit van de in 1971 in de wet opgenomen regeling van het enquêterecht en is sindsdien gewijzigd/uitgebreid.
Kamerstukken II 1991/92, 22400, 3, p.15 (MvT), waar de Staatssecretaris aansluit bij de opvatting van W.C.L. van der Grinten. Zie ook Geerts 2004, p. 5.2.6.
SER 88/14.
In het advies is besproken “of er een regeling dient te komen waarbij aan de OK de bevoegdheid wordt gegeven om voorlopige voorzieningen te treffen, in afwachting van de uitslag van het onderzoek”, “of deze bevoegdheid er reeds dient te zijn voorafgaande aan de indiening van een enquêteverzoek” en “hoe deze bevoegdheid zich verhoudt tot de bevoegdheid tot het treffen van voorzieningen door de president van de rechtbank in kort geding” (SER 88/14, p. 15).
SER 88/14, p. 16. De vraag werd geformuleerd: “in hoeverre het voor een goede justitie nodig is dat de kortgedingrechter (…) ten behoeve van zijn beslissing treedt in een inhoudelijke afweging van de belangen die partijen kunnen hebben bij het al dan niet treffen van voorlopige voorzieningen in het licht van de (verdere) enquêteprocedures”.
SER 88/14, p. 18.
SER 88/14, 4.6.
SER 88/14, p. 19.
Olden zet uiteen, dat bij de introductie van de onmiddellijke voorzieningen werd verwacht dat men de President zou blijven inschakelen vooruitlopend op een enquêteverzoek of na het indienen van een enquêteverzoek in spoedeisende gevallen, en hoe diens rol in de loop der tijd is teruggedrongen (Olden, Ondernemingrecht 2003/p. 549-555, nr. 3).
Aan de forumkeuze in concrete gevallen wordt in dit onderzoek geen aandacht besteed.
De voorzieningenrechter heette ten tijde van het SER-advies President in kort geding.
OK 24 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5118, ARO 2017/55 (Avinco Holdings I). De Ondernemingskamer was voorshands van oordeel dat er gegronde reden tot twijfel aan een juist beleid was. (Zie voor deze mogelijkheid 2.9). Er waren voorstellen (van de meerderheidsaandeelhouder) om de dochtervennootschappen te verkopen en de vennootschap te ontbinden. Het was onduidelijk wie bevoegd was de meerderheidsaandeelhouder, AGH, te vertegenwoordigen. De geldigheid van besluitvorming over de voorstellen zou met onzekerheid omgeven zijn. De aandelen die werden gehouden door AGH werden overgedragen ten titel van beheer. Zie over dit type onmiddellijke voorziening 4.6.
OK 6 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4119, ARO 2018/10 (Avinco Holdings II). Het volgende werd overwogen. Op het punt van de onduidelijkheid over de bevoegdheid de meerderheidsaandeelhouder te vertegenwoordigen in de algemene vergadering van aandeelhouders was er gegronde reden voor twijfel. Maar een onderzoek naar de oorzaak van die onduidelijkheid was niet opportuun. Het geschil over de vertegenwoordigingsbevoegdheid zou in andere jurisdicties (het recht van Curaçao en dat van Panama) moeten worden beoordeeld. De Ondernemingskamer achtte het niet waarschijnlijk dat een enquête in Nederland hierover duidelijkheid zou scheppen.
Zie ook 2.9.
Rb. Amsterdam (voorzieningenrechter) 20 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1166, JOR 2018/118, m.nt. P.J. van der Korst (Avinco Holdings). Meerderheidsaandeelhouder AGH stuurde na afwijzing van het enquêteverzoek aan op (besluitvorming over) liquidatie van de vennootschap. In kort geding vorderde de minderheidsaandeelhouder overdracht ten titel van beheer van de door AGH gehouden aandelen in de vennootschap.
Ook werd dezelfde beheerder benoemd.
P.J. van der Korst, annotatie bij Rb. Amsterdam (voorzieningenrechter) 20 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1166, JOR 2018/118, nr. 6. Zie over het bestaansrecht van de onmiddellijke voorziening naast de voorlopige voorziening ook 3.3.
[94] De onmiddellijke voorzieningen hebben hun intrede gedaan in het enquêterecht op 1 januari 1994, toen artikel 2:349a lid 2 BW in het leven werd geroepen.1 In de wordingsgeschiedenis van de bepaling hebben het belang van de rechtspersoon en het belang van het onderzoek centraal gestaan. In het Voorontwerp luidde de bepaling: “Indien in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het goede verloop van het onderzoek een onmiddellijke voorziening is vereist (…)”.2 Uit de MvT bij het Voorontwerp valt af te leiden dat de ontwerpers van de regeling het probleem voor ogen hadden, dat besluiten van (het bestuur van) de rechtspersoon, en de uitvoering van die besluiten, het (verzochte) onderzoek zouden kunnen doorkruisen. Het wetsontwerp voorzag in de bevoegdheid van de Ondernemingskamer “om ordemaatregelen te treffen om te voorkomen dat het onderzoek wordt gefrustreerd”.3 Ter illustratie is gewezen op de situatie waarin gedrag van bestuurders of commissarissen zo nadelig is voor de onderneming, dat onmiddellijke schorsing van zo’n functionaris bij wijze van onmiddellijke voorziening noodzakelijk is om te voorkomen dat hij de onderneming te gronde richt.4
[95] Vóór invoering van artikel 2:349a lid 2 BW moest men, als men in het enquêterecht behoefte had aan ordemaatregelen, de President van de rechtbank adiëren en voorlopige voorzieningen in kort geding vorderen.5 Die rechtsingang bood veel ruimte: men kon terecht, zelfs als een verzoek tot het instellen van een enquête bij de Ondernemingskamer nog niet was ingediend, maar slechts werd overwogen of voorbereid.
Olden beschrijft hoe het optreden van de vakbeweging leidde tot de behoefte aan en het ontstaan van artikel 2:349a lid 2 BW.6 Enquêteprocedures die werden geëntameerd bij dreigende bedrijfssluiting zouden – in de tweede fase – weliswaar kunnen uitmonden in vernietiging van een besluit tot bedrijfssluiting, maar als dat besluit al was uitgevoerd zou zo’n maatregel als mosterd na de maaltijd komen. De vakbeweging was dan aangewezen op het kort geding. Het CNV heeft in 1980 aan de Tweede Kamer voorgesteld voorlopige voorzieningen in het enquêterecht op te nemen, waarna de minister van Justitie met het al genoemde Voorontwerp kwam.
[96] Het was de bedoeling van de ontwerpers van de bepaling, dat de weg naar de President in kort geding zou blijven openstaan in gevallen waarin de nieuwe regeling niet zou voorzien. Dat betreft in de eerste plaats de situatie waarin nog geen enquêteverzoek is ingediend. Daarnaast werd het wenselijk gevonden dat de President bevoegd zou blijven, omdat de aard van de voorzieningen die deze rechter kan treffen onbeperkt is.7 Hierbij moet worden bedacht dat men er destijds vanuit ging, dat in de enquêteprocedure slechts een aantal vastomlijnde maatregelen bij wijze van onmiddellijke voorziening zou kunnen worden getroffen. Alleen de (destijds) in artikel 2:356 BW opgesomde maatregelen zouden daarvoor in aanmerking komen.8 Die beperking is in het wetsvoorstel niet opgenomen. De toenmalige staatssecretaris van Justitie zag geen aanleiding voor die beperking en was van oordeel dat sommige voorzieningen van artikel 2:356 BW “een te definitief karakter dragen om als voorlopige voorzieningen te kunnen worden gekwalificeerd”.9 Uiteindelijk is artikel 2:349a lid 2 BW in de wet opgenomen, zonder de beperking tot de in artikel 2:356 BW vermelde voorzieningen.
[97] De SER heeft in 1988 een advies aan het wetsontwerp gewijd.10 Daarin is de – toen nog beoogde – regeling besproken, onder meer in het licht van de bevoegdheid van de President in kort geding tot het treffen van voorlopige voorzieningen.11 Aandacht werd besteed aan vorderingen tot het treffen van voorlopige voorzieningen die aan kortgedingrechters waren voorgelegd, op het moment dat de Ondernemingskamer nog niet was geadieerd of nog geen beslissing op een enquêteverzoek had gegeven. De SER wierp de vraag op in hoeverre de kortgedingrechter een inhoudelijke afweging moet maken van de belangen van partijen in het licht van enquêteprocedures.12 De kortgedingrechters legden een zekere terughoudendheid aan de dag bij het treffen van voorlopige voorzieningen op grond van zo’n inhoudelijke afweging.13 Die terughoudendheid vormde een risico voor de doeltreffendheid van de enquête. Mede daarom achtte de SER het wenselijk de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen aan de Ondernemingskamer toe te kennen.14
De SER was voorstander van het handhaven van een rol voor de President in kort geding. Hij wees er op dat in kort geding niet alleen de belangen die partijen kunnen hebben bij een enquête, maar ook andere belangen ten grondslag kunnen worden gelegd aan een beslissing over voorlopige voorzieningen. Concentratie van de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen bij de Ondernemingskamer zou leiden tot uitsluiting van die andere belangen. Indien buiten het enquêterecht gelegen gronden mede de basis vormen van een vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen, dient de President bevoegd blijven, aldus het SER-advies.15 De bevoegdheden van de Ondernemingskamer zouden beperkt kunnen blijven tot het treffen van “voorzieningen, die worden gevorderd in verband met de bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon waarop het enquêteverzoek was gegrond, dan wel met het oog op een juiste afwikkeling van de enquêteprocedure”.16
De invoering van de onmiddellijke voorziening heeft dus de weg naar het kort geding niet afgesloten.
[98] Het is niet ondenkbaar dat de Ondernemingskamer en de voorzieningenrechter in hetzelfde feiten- en belangencomplex beiden in staat zijn orde te brengen, elk met hun eigen bevoegdheid.17
De rol van de voorzieningenrechter naast die van de Ondernemingskamer blijkt uit de zaak van Avinco Holdings.18 De Ondernemingskamer trof een onmiddellijke voorziening, voordat zij op het enquêteverzoek besliste.19 Enige tijd later beoordeelde de Ondernemingskamer het enquêteverzoek. Dat wees ze af.20 Nu het enquêteverzoek werd afgewezen, kon de onmiddellijke voorziening niet in stand blijven.21 De zaak werd voorgelegd aan de voorzieningenrechter.22 Deze constateerde dat de onmiddellijke voorziening was opgeheven om een ‘technische’ reden (namelijk de afwijzing van het enquêteverzoek) en dat de voorziening nog steeds nodig was. Ze trof dezelfde voorziening als eerder in de enquêteprocedure was getroffen.23 Van der Korst wijst op de verschillen in toetsingskader tussen het kort geding en de enquêteprocedure.24