Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/1.3
1.3 Methode en rechtsvergelijking
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397322:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover – met verdere verwijzingen – Smits 2009, p. 31 e.v. en Asser/Vranken, Algemeen deel **** 2014, nr. 8 e.v.
P.C. Westerman & M.H. Wissink, ‘Rechtsgeleerdheid als rechtswetenschap’, NJB 2008, p. 503-507 en Smits 2009, p. 36-41.
Zie Smits 2009, p. 114-119.
Zie M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 389-390 en M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241.
Zie nader hoofdstuk 8, paragraaf 8.4.5.
HvJEG 26 oktober 2006, ECLI:EU:C:2006:683 (Commissie/Itali ë), rov. 28-30. Zie voor deze interpretatie reeds E.-M. Kieninger, ‘Der Eigentumsvorbehalt in der Verzugsrichtlinie – Chronik einer verpaûten Chance’, in: J. Basedow, Aufbruch nach Europa. 75 Jahre Max-Planck-Institut für Privatrecht, Tübingen: Mohr Siebeck 2001, p. 151-166. Zie voorts met verdere verwijzingen F.M.J. Verstijlen & J.G. Knot, ‘Het inter-nationale eigendomsvoorbehoud in Nederland’, in: F.J.L. Kaptein e.a. (red.), Het internationale eigendomsvoorbehoud, Deventer: Kluwer 2015, p. 9-12.
Het onderzoek vindt plaats aan de hand van de zogenoemde juridisch-dogmatische onderzoeksmethode.1 Aan de hand van de wet, de aan de wet ten grondslag liggende beginselen, de parlementaire geschiedenis, literatuur en rechtspraak wordt het positieve recht geanalyseerd. Centraal staat daarbij de consistentie en coherentie van het systeem van het vermogensrecht,2 zoals ook uit het hierboven geformuleerde onderzoeksdoel blijkt: hoe verhoudt het eigendomsvoorbehoud zich tot andere regels, leerstukken en beginselen die aan het geldende recht ten grondslag liggen?
Bij het onderzoek wordt geregeld gebruikgemaakt van rechtsvergelijkende inzichten. Een belangrijk doel van deze rechtsvergelijking is gelegen in het blootleggen van argumenten,3 die in de Nederlandse literatuur niet of in mindere mate voorkomen, maar voor het Nederlandse recht wel van belang kunnen zijn. De rechtsvergelijking staat derhalve altijd ten dienste van de interpretatie en vaststelling van het Nederlandse recht. Daarnaast kan uit de rechtsvergelijking blijken hoe andere keuzes in de praktijk werken, zodat zij een inspiratie kunnen bieden voor wenselijk recht. Bij de rechtsvergelijking is gekozen voor een opzet waarbij de verschillende rechtsstelsels zoveel mogelijk geïntegreerd en doorlopend worden behandeld. Dikwijls worden derhalve argumenten uit de Nederlandse literatuur of rechtspraak afgezet tegen argumenten uit de buitenlandse literatuur of rechtspraak. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat vanwege het argumentatieve karakter van de rechtswetenschap, dergelijke uit de rechtsvergelijking gewonnen argumenten en inzichten een even groot gewicht hebben als Nederlandse argumenten, voor zover het buitenlandse rechtsstelsel op dat punt niet afwijkt van het Nederlandse recht. Indien dat wel het geval is, is gekozen voor een afzonderlijke bespreking.
Gekozen is voor een vergelijking met het Duitse en het Oostenrijkse recht. Wat betreft het goedererenrecht is het Duitse recht voor de Nederlandse wetgever bij de totstandkoming van het Nieuw BW een belangrijke inspiratiebron geweest. Voor de regeling van het eigendomsvoorbehoud geldt dat in het bijzonder: men hoeft daarvoor slechts de tekst van artikel 3:92 BW met de tekst van § 455 BGB (oud) te vergelijken. Ook in de parlementaire geschiedenis van het eigendomsvoorbehoud wordt vrijwel uitsluitend verwezen naar en steun gevonden in het Duitse recht.4 Bovendien is sprake van een goed ontwikkelde doctrine met betrekking tot het eigendomsvoorbehoud.
Tussen het Nederlandse en het Duitse (goederen)recht bestaan ook belangrijke verschillen. Een prominent verschil is dat het Duitse recht een abstract stelsel van eigendomsoverdracht kent, terwijl het Nederlandse recht uitgaat van een causaal stelsel. Toch is dit verschil op het gebied van het eigendomsvoorbehoud nauwelijks van belang. Omdat de constructie van het eigendomsvoorbehoud – door middel van de opschortende voorwaarde – ook in Duitsland leidt tot een verstrengeling van de voor overdracht vereiste wilsovereenstemming (Einigung) en de tussen verkoper en koper gesloten koopovereenkomst, is bij het eigendomsvoorbehoud per saldo sprake van een doorbreking van het Abstraktionsprinzip, althans worden per saldo resultaten bereikt die overeenstemmen met een causaal stelsel van overdracht.5 Een tweede duidelijk verschil is dat het Duitse recht zekerheidseigendom toelaatbaar acht, terwijl het Nederlandse recht deze figuur met artikel 3:84 lid 3 BW heeft willen uitbannen. Desalniettemin kan de vergelijking met het Duitse recht op dit punt wel degelijk nuttig zijn. Aangezien de Duitse zekerheidseigendom andere rechtsgevolgen heeft dan ‘gewone’ eigendom, is voor het Duitse recht net zozeer van belang om een onderscheid te maken tussen deze beide eigendomsfiguren. Uitsluitend het rechtsgevolg is anders: overschrijding van de grens tussen gewone eigendom en zekerheidseigendom heeft naar Nederlands recht ongeldigheid van de overdrachtstitel (art. 3:84 lid 3 BW) tot gevolg, terwijl naar Duits recht enkel andere, aanvullende regels van toepassing zijn.
Het Oostenrijkse recht bleek buitengewoon geschikt voor rechtsvergelijking, doordat het in vele opzichten op het Nederlandse stelsel van goederenrecht lijkt. Zo kent het Oostenrijkse recht ook een causaal stelsel van overdracht. Bovendien verbiedt het Oostenrijkse recht de overdracht tot zekerheid, voor zover zij niet gepaard gaat met het uit de macht brengen van de over te dragen zaak. Hoewel dit verbod, anders dan het Nederlandse fiduciaverbod, is ingegeven door publiciteitsoverwegingen, bewerkstelligt het Oostenrijkse recht daarmee per saldo een met het Nederlandse fiduciaverbod vergelijkbaar regime met betrekking tot zaken die zich in de macht van de schuldenaar c.q. koper bevinden, waardoor de vergelijking met het Oostenrijkse recht nuttig is voor de afbakening tussen eigendomsvoorbehoud en zekerheidseigendom. Ook de Oostenrijkse systematiek van voorwaardelijke beschikkingen vertoont grote gelijkenissen met het Nederlandse recht.
Ook, maar in mindere mate, wordt aandacht besteed aan het Draft Common Frame of Reference(DCFR). Op bepaalde punten bood het DCFR nadere inzichten, maar bij meer diepgravende kwesties bleek veelal dat het DCFR en de daar bij behorende toelichting niet verder hielpen. Tot slot is in hoofdstuk 2 en 3 ook bescheiden aandacht besteed aan de Uniform Commercial Code van de Verenigde Staten, omdat deze regeling (en met name de zogenoemde functionele benadering) in de literatuur soms als voorbeeld wordt aangeprezen voor het wenselijke Nederlandse recht en omdat de UCC en de Amerikaanse literatuur veel interessante rechtseconomische inzichten verschaffen, die in de Nederlandse, Duitse en Oostenrijkse literatuur veelal ontbreken.
Geen aandacht wordt besteed aan het eigendomsvoorbehoud zoals dat is neergelegd in artikel 9 van de Richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstanden bij handelstransacties (Richtlijn 2011/7/EU), als opvolger van artikel 4 van de gelijkluidende Richtlijn uit 2000 (Richtlijn 2000/35/EG). Niet alleen bepaalt de Richtlijn niet meer dan dat de lidstaten moeten zorgdragen dat de verkoper eigenaar blijft totdat de koopprijs is betaald, indien tussen verkoper en koper een eigen domsvoorbehoud is overeengekomen, ook is de strekking van de bepaling door het Hof van Justitie nog verder gereduceerd door te overwegen dat de bepaling niet verder strekt dan de interne verhouding tussen verkoper en koper te regelen en het de lidstaten dus vrijstaat om de eventuele tegenwerpbaarheid aan derden nader te regelen of aan banden te leggen.6