Grenzen aan testeervrijheid
Einde inhoudsopgave
Grenzen aan testeervrijheid (AN nr. 178) 2023/7.1.6:7.1.6 Verhouding tot overige andere wettelijke rechten
Grenzen aan testeervrijheid (AN nr. 178) 2023/7.1.6
7.1.6 Verhouding tot overige andere wettelijke rechten
Documentgegevens:
mr. drs. M.R. Beuker, datum 10-10-2022
- Datum
10-10-2022
- Auteur
mr. drs. M.R. Beuker
- JCDI
JCDI:ADS685786:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
W.D. Kolkman, ‘De sommen ineens en de legitieme portie in het nieuwe erfrecht’, WPNR 2003/6553, p. 837-840.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verhouding tot art. 4:28 BW
Zie hoofdstuk 6.2.6.
Verhoudingen tot de verzorgingsvruchtgebruiken ex art. 4:29 BW en art. 4:30 BW
Zie hoofdstuk 6.3.5.
Verhouding tot de som ineens ex art. 4:36 BW
Zie hoofdstuk 7.1.1.1 over de maximale hoogte van alle sommen ineens tezamen. Voor zover de helft van de nalatenschap onvoldoende is, ondergaan de sommen ineens een evenredige vermindering.
Verhouding tot het recht op overname van bedrijfsgoederen ex art. 4:38 BW
De som ineens en het recht op overname van bedrijfsgoederen conflicteren niet met elkaar. De som ineens ziet op een specifieke hoeveelheid geld, terwijl art. 4:38 BW ziet op goederen. Om te bepalen hoe groot de sommen ineens tezamen maximaal zijn, is de waarde direct na overlijden doorslaggevend verminderd met de schulden van art. 4:7 lid 1 sub a tot en met e BW, zo blijkt uit art. 4:37 lid 4 BW. Als de redelijke prijs die de overnemer van bedrijfsgoederen als vergoeding moet betalen aan de rechthebbende lager is dan de waarde zoals die is berekend op grond van art. 4:6 BW, heeft deze lagere vergoeding geen negatieve invloed op de maximale hoogte van de gezamenlijke sommen ineens.
Het lijkt moeilijk voorstelbaar dat de redelijke prijs voor bedrijfsovername dermate laag wordt vastgesteld dat er onvoldoende geld overblijft om de sommen ineens te voldoen. Zolang ten minste de halve waarde van de nalatenschap beschikbaar blijft, kunnen de sommen ineens immers voldaan worden.
Verhouding tot de legitieme portie
In de literatuur is reeds het probleem onderkend dat de som ineens in mindering strekt op de legitieme portie (art. 4:71 BW), terwijl de legitieme portie in mindering strekt op de som ineens.1 Waar de legitieme portie vaak niet-opeisbaar is door aanwezigheid van een langstlevende echtgenoot of ongehuwde partner (art. 4:81 BW en art. 4:82 BW), vormt de som ineens na zes maanden een opeisbare vordering (art. 4:37 lid 2 BW).