Einde inhoudsopgave
Grenzen aan testeervrijheid (AN nr. 178) 2023/7.1.1
7.1.1 Inleiding
mr. drs. M.R. Beuker , datum 10-10-2022
- Datum
10-10-2022
- Auteur
mr. drs. M.R. Beuker
- JCDI
JCDI:ADS685816:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De analyses in dit hoofdstuk gaan in op aspecten van de andere wettelijke rechten die relevant zijn voor toepassing in de praktijk en voor het opstellen van de stappenplannen. Degene die geïnteresseerd is in andere aspecten zij verwezen naar de kernliteratuur over art. 4:35 BW: Parl. Gesch. Boek 4 BW, Invoeringswet, p. 1746-1750; G. van der Burght, ‘Theoretisch beschermd, praktisch misdeeld; de minderjarige in het erfrecht’, FTV 2005, afl. 2, p. 14-19; E.W.J. Ebben & G. van der Burght, Pitlo Het Nederlands Burgerlijk Recht, deel 5, Het Erfrecht 10e druk, Deventer: Kluwer 2004, nr. 202-204; P.C. van Es, ‘De schulden van artikel 4:7 lid 1 onder f’, WPNR 2003/6531, p. 367-368; J.H.M. ter Haar, ‘De som ineens als versterkte legitieme portie’, WPNR 2009/6788, p. 180-187; J.H.M. ter Haar, ‘De kantonrechter kiest voor een ruime uitleg van artikel 4:35 BW’, TE 2010, afl. 6, p. 110-114; J.H.M. ter Haar, ‘De som ineens van art. 4:35 schiet tekort’, WPNR 2010/6865-6866, p. 868-870, p. 891-892; J.H.M. ter Haar, Minderjarigen en (de zorg voor hun) vermogen (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2013; J.H.M. ter Haar, ‘Een hanteerbare regeling voor het levensonderhoud van een kind na overlijden van een ouder’, WPNR 2015/7066, p. 541-548; J.H.M. ter Haar & W.D. Kolkman, ‘De som ineens van artikel 4:35 BW komt vaker voor dan u denkt’, JBN 2016, afl. 2, p. 3-5; W.G. Huijgen e.a., Compendium erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 128-131; I. Jongbloed-Sasburg, ‘Erflater, Denk aan de verzorging van uw (minderjarig) kind!’, REP 2016, afl.3, 225; W.D. Kolkman, ‘De sommen ineens en de legitieme portie in het nieuwe erfrecht, WPNR 2003/6553, p. 833-840; W.D. Kolkman, Schulden der nalatenschap (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006; W.D. Kolkman, ‘De eerste stappen van de andere wettelijke rechten’, FTV 2007, afl. 7-8, p. 6-13; M.R. Kremer, in: GS Erfrecht,art. 4:35 BW; E.A.A. Luijten & W.R. Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht. Tweede gedeelte: erfrecht, Deventer: Kluwer 2008, nr. 660-662; M.J.A. van Mourik, Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, XI.4; M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 1), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 71; S. Perrick, ‘Over verval, verjaring en stuiting van verjaring van de erfrechtelijke wettelijke rechten’, WPNR 2012/6923, p. 240-242 en Asser/Perrick 4 2021/387 e.v.Zie voor de som ineens in andere delen van het koninkrijk: J. de Boer, Het nieuw BW overzee. Afwijkingen in het BW van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de BES-eilanden en Suriname ten opzichte van het Europees-Nederlandse BW (Monografieën BW nr. A31), Deventer: Wolters Kluwer 2019, 5.82 Som ineens kind en F.W.J.M. Schols, ‘Postmortale verantwoordelijkheid op maat, zonder legitieme portie’, AA 2019, afl. oktober, p. 740-741.
Vgl. J.H.M. ter Haar, Minderjarigen en (de zorg voor hun) vermogen (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2013, p. 157-158.
De som ineens zou gezien kunnen worden als erfrechtelijke verschijningsvorm van de onderhoudsplicht die een erflater bij leven had jegens zijn kind. Ouders zijn immers op grond van art. 1:392 BW verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud aan hun kinderen. Deze verplichting geldt totdat het kind meerderjarig is, ongeacht de vraag of het kind behoeftig is. Ouders zijn ook verplicht te voorzien in de kosten voor levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kind dat jonger is eenentwintig jaar is. Behoeftigheid speelt dan evenmin een rol, art. 1:395a BW jo. art. 1:392 lid 2 BW. Een stiefouder heeft deze plichten jegens een stiefkind gedurende zijn huwelijk of geregistreerd partnerschap indien en zolang het kind tot zijn gezin behoort.2
Vermelding verdient dat de plichten van een met gezag belaste ouder zich bij leven niet beperken tot geldelijke kwesties, maar ook zien op verzorging en opvoeding van het kind. Daaronder wordt mede verstaan de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid, aldus art. 1:247 BW.
Bij de interpretatie van de som ineens kunnen de onderhoudsplichten bij leven als achtergrond dienen.
Art. 4:35 BW luidt als volgt:
1 Een kind van de erflater, een kind als bedoeld in artikel 394 van Boek 1 daaronder begrepen (7.1.2), kan aanspraak maken op een som ineens, voor zover deze nodig is voor:
a. zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van achttien jaren; en voorts voor:
b. zijn levensonderhoud en studie tot het bereiken van de leeftijd van een en twintig jaren (7.1.3).
2 De som ter zake van de verzorging en opvoeding komt het kind niet toe, voor zover de echtgenoot of een erfgenaam van de erflater krachtens wet of overeenkomst is gehouden om in de kosten daarvan te voorzien. De som ter zake van levensonderhoud en studie komt het kind niet toe, voor zover de echtgenoot van de erflater krachtens artikel 395a van Boek 1 verplicht is om in de kosten daarvan te voorzien (7.1.4).
3 Op de som ineens komt in mindering hetgeen de rechthebbende had kunnen verkrijgen krachtens erfrecht of krachtens een sommenverzekering die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt (7.1.5).
7.1.1.1 Maximale hoogte sommen ineens