Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/12.3.1.1
12.3.1.1 Artikel 23 EEX-r/17 Verdrag
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS418030:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 14 december 1976, zaak 24/76, Rhwa/Colzani, Jur. 1976, p. 1831, NJ 1977, 446, r.o. 7; HvJ EG 14 december 1976, zaak 25/76, Segoura/Bonakdarian, Jur. 1976, p. 1851, NJ 1977, 447, r.o. 6; zie ook bijv. Rb. Rotterdam 2 april 2003, NIPR 2004, 157; Rb. Arnhem 10 maart 2004, NIPR 2004, 260.
Vgl. ook Rb. Rotterdam 8 juni 2000, NIPR 2000, 311.
HvJ EG 6 mei 1980, zaak 784/79, Porta Leasing/Prestige International, Jur. 1980, p. 1517, NJ 1980, 607, r.o. 5; HvJ EG 14 juli 1983, zaak 201/82, Gerling/Tesoro dello Stato, Jur. 1983, p. 2503, NJ 1984, 716, r.o. 13; HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ, Jur. 1984, p. 2417, NJ 1984, 735, r.o. 14; HvJ EG 11 juli 1985, zaak 221/84, Berghiger/ASA, Jur. 1985, p. 2699, NJ 1986, 602, r.o. 13; HvJ EG 11 november 1986, zaak 313/85, Iveco/Van Hooi, Jur. 1986, p. 3337, NJ 1987, 479, r.o. 5; HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p.1-9337, NJ 2001, 599, r.o. 13; zie ook HR 24 september 1999, NJ 2000, 552 (Van Maanen/Caorle).
HvJ EG 11 november 1986, zaak 313/85, Iveco/Van Hooi, Jur. 1986, p. 3337, NJ 1987, 479, r.o. 5.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599, r.o. 13.
Een stilzwijgende verlenging in strijd met een uitdrukkelijke bepaling in de daaraan voorafgaande schriftelijke overeenkomst.
HvJ EG 11 november 1986, zaak 313/85, Iveco/Van Hooi, Jur. 1986, p. 3337, NJ 1987, 479.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599, r.o. 13.
HvJ EG 11 juli 1985, zaak 221/84, Berghtifer/ASA, Jur. 1985, p. 2699, NJ 1986, 602, r.o. 13.
Zie par. 2.3.
HvJ EG 20 februari 1997, zaak C-106/95, MSG/Les Gravières, Jur. 1997, p. 1-911, NJ 1998, 565.
HvJ EG 14 december 1976, zaak 25/76, Segoura/Bonakdarian, Jur. 1976, p. 1851, NJ 1977, 447.
HvJ EG 14 december 1976, zaak 25/76, Segoura/Bonakdarian, Jur. 1976, p. 1851, NJ 1977, 447, r.o. 11 en HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Jur. 1984, p. 2417, r.o. 18.
Vgl. Kropholler, EZPR, p. 296, nr. 50.
Voor het EEX sinds het Derde Toetredingsverdrag.
HvJ EG 20 februari 1997, zaak C-106/95, MSG/Les Gravières, Jur. 1997, p. 1-911, NJ 1998, 565, r.o. 19.
HvJ EG 16 maart 1999, zaak C-159/97, Castelletti/Trumpy, Jur. 1999, p. 1-159, NJ 2001, 116, r.o. 20.
HvJ EG 9 december 2003, zaak C-116/02, Gasser/MISAT, Jur. 2003, p. 1-14693, NJ 2007, 151, r.o. 50.
Zie noten 93 en 94, r.o. 18 respectievelijk r.o. 20.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599, r.o. 13 herhaalt deze voorwaarden ongewijzigd.
Vgl. Rb. Rotterdam 8 juni 2000, NIPR 2000, 311; Rb. Rotterdam 2 april 2003, NIPR 2004, 157.
Rb. Arnhem 18 maart 1993, NIPR 1993, 473; Rb. Arnhem 24 april 1997, NIPR 1997, 378.
Vgl. Rb. Amsterdam 18 oktober 2000, NIPR 2001, 210 die deze mogelijkheid niet uitsluit.
Rb. Amsterdam 18 oktober 2000, NIPR 2001, 210.
Hof 's-Hertogenbosch 1 maart 2001, NIPR 2001, 207; anders: Rb. Amsterdam 18 oktober 2000, NIPR 2001, 210 die een bewijslevering pas in hoofdzaak aan de orde acht.
Vgl. Hof 's-Gravenhage in HR 3 februari 1989, NJ 1989, 399.
De rechtspraak van het Hof van Justitie heeft een belangrijke rol gespeeld bij de invulling van het begrip 'overeenkomst' in art. 23 EEX-V°/17 Verdrag. Aangezien het Eerste en Derde Toetredingsverdrag art. 17 EEX hebben gewijzigd, behandel ik de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de 'overeenkomst' aan de hand van de wijzigingen van het EEX door het Eerste en Derde Toetredingsverdrag. De kern van de overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter is wilsovereenstemming. In 1976 - onder de oorspronkelijk formulering van art. 17 EEX (1968) - heeft het Hof van Justitie hieromtrent overwogen:
`dat art. 17 ten deze een 'overeenkomst' tussen partijen verlangt, en aldus de aangezochte rechter verplicht in de eerste plaats te onderzoeken of de clausule welke hem bevoegd verklaart, inderdaad het voorwerp heeft uitgemaakt van een wilsovereenstemming tussen partijen, die duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt;'1
Het Hof van Justitie2 heeft deze overweging in latere arresten regelmatig herhaald. Niettemin zijn kleine verschillen waarneembaar. De meest gebruikte rechtsoverweging is de volgende:
`dat de wilsovereenstemming tussen partijen bij een dergelijk beding, die door aanwijzing van een bevoegde rechter afwijkt van de algemene bevoegdheidsregels van de art. 2,5 en 6 Executieverdrag, daadwerkelijk vaststaat en duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt' 3
In de arresten IvecoNan Hool4 en Coreck Maritime/Handelsveem5 zijn de verwijzingen naar de afwijking van de art. 2, 5 en 6 EEX achterwege gebleven. Gelet op de bijzondere casus6 in de zaak IvecoNan Hooi7 en het ontbreken van een afwijking van de fora van deze art.89 bij geldigheid van de forumkeuze (daarover bestond verschil van mening), acht ik aan dit verschil geen betekenis toekomen. In het arrest Coreck Maritime/Handelsveem10 lijkt het Hof van Justitie bovendien slechts te verwijzen naar eerdere jurisprudentie zonder dat de rechtsoverweging dragend is voor het antwoord op de prejudiciële vragen. Om dezelfde redenen acht ik het ontbreken van deze passage in het arrest Berghëfer/ASA11 niet van wezenlijk belang.
Daarna is het EEX door het Derde Toetredingsverdrag gewijzigd en bepaalt art. 17 lid 1 sub b EEX - evenals de art. 17 lid 1 sub b EVEX en 23 lid 1 sub b EEX-V° dat een forumkeuze ook tot stand kan komen in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden. Art. 23 lid 1 sub c EEX-V°/17 lid 1 sub c EEX heeft in het voetspoor van art. 17 lid 1 sub c EVEX de mogelijkheid tot een forumkeuze in de internationale handel aan meer beperkingen onderworpen.12 Geldt een vermoeden van wilsovereenstemming ook voor deze beide vormen? Hierover kon het Hof van Justitie zich niet uitlaten, omdat de zaak MSG/Les Gravières13 niet aan deze tekst, maar aan de tekst van art. 17 EEX zoals gewijzigd door het Eerste Toetredingsverdrag diende te worden getoetst.
Voor de vorm van art. 23 lid 1 sub c EEX-V°/17 lid 1 sub c Verdrag kan ik kort zijn: de bepaling is inhoudelijk niet zodanig gewijzigd dat aangenomen dient te worden dat de hiervoor aangehaalde rechtspraak niet van toepassing is voor een forumkeuze in de internationale handel in een gebruikelijke vorm die partijen kennen of geacht worden te kennen en die doorgaans in acht wordt genomen. De totstandkoming van een forumkeuze in lopende handelsbetrekkingen op grond van art. 23 lid 1 sub b EEX-V°/17 lid 1 sub b Verdrag is het gevolg van een nuancering van de rechtspraak van het Hof van Justitie in de arresten Segoura/Bonakdarian14 en Tilly Russ/Nova.15 over de oorspronkelijke formulering van art. 17 EEX (versie 1968). In lopende handelsbetrekkingen mag ook rekening worden gehouden met gewoonten of handelwijzen, die tussen partijen zijn ontstaan. Het gaat dus niet om algemene (abstracte) gewoonten, maar handelwijzen tussen partijen. De vorm is gebaseerd op het vertrouwen dat partijen ten opzichte van elkaar mogen hebben, indien zij gedurende een zekere tijd op een bepaalde wijze - die een forumkeuze met zich brengt - met elkaar zaken doen.16 Deze vorm is ontleend aan art. 9 lid 1 Weens Koopverdrag 1980.
In lopende handelsbetrekkingen (art. 23 lid 1 sub b EEX-V°/17 lid 1 sub b Verdrag)17 mag naar mijn mening geen vermoeden van wilsovereenstemming gelden. De wilsovereenstemming dient derhalve duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking te komen. Het vormvoorschrift van art. 23 lid 1 sub b EEX-V°/17 lid 1 sub b Verdrag beoogt de wilsovereenstemming daadwerkelijk te waarborgen. Uit de arresten MSG/Les Gravières,18 CastellettifTrumpy19 en Gasser/MISAT20 blijkt immers dat het vermoeden van wilsovereenstemming slechts als uitzondering op de hoofdregel geldt voor gewoonten in de internationale handel. Het vermoeden dat sprake is van wilsovereenstemming is enkel aanvaard op grond van eisen van vormvrijheid, eenvoud, en de snelheid in de internationale handel. Zonder een vermoeden van wilsovereenstemming zou deze bepaling een groot deel van haar nuttig effect verliezen.21 De hoofdregel is voor het overige van toepassing gebleven. Nu de vorm in lopende handelsbetrekkingen een uitwerking is van de jurisprudentie over de oorspronkelijke formulering van art. 17 EEX, bestaat geen reden om het vermoeden van wilsovereenstemming ook voor de forumkeuze in lopende handelsbetrekkingen aan te nemen.
Ik neem aan22 dat het Hof van Justitie thans drie voorwaarden stelt aan wilsovereen
stemming bij forumkeuze:
Daadwerkelijk vaststaan;23 en
Duidelijk tot uiting komen; en
Nauwkeurig tot uiting komen.
Een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter in de zin van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag is derhalve te omschrijven als een rechtshandeling waarover bij partijen wilsovereenstemming bestaat die daadwerkelijk vaststaat en duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt. Deze omschrijving leidt tot de volgende uitkomsten voor de praktijk.
Ten eerste kan een wederkerige overeenkomst aan deze voorwaarden voldoen. De precontractuele fase daarentegen — in alle stadia — houdt in dat de instemming van partijen nog niet volledig is en 'daadwerkelijk vaststaat', zodat in de precontractuele fase in beginsel geen geldige forumkeuze tot stand is gekomen.24 Een uitzondering zou kunnen worden gemaakt voor de precontractuele fase waarbij over een forumkeuze reeds overeenstemming is bereikt.25 Over de forumkeuze bestaat dan immers op de totstandkoming van de overeenkomst vooruitlopende consensus. De forumkeuze is uitsluitend van toepassing, indien geschillen ontstaan over een onderwerp waarop de forumkeuze betrekking heeft. Daarvan mag echter niet gauw worden uitgegaan, omdat een forumkeuze meestal slechts één van de elementen is waarover wilsovereenstemming moet worden bereikt en derhalve niet los van de rest van de overeenkomst mag worden gezien. De forumkeuze dient voldoende duidelijk en bij eerste lezing niet voor verschillende uitleg vatbaar te zijn.26Is de forumkeuze onduidelijk, dan zal het gerecht kunnen oordelen dat de forumkeuze ongeldig is. Ik meen dat op deze grond niet gauw tot ongeldigheid dient te worden geconcludeerd, omdat in een procedure partijen geneigd zijn de zaken van verschillende kanten te bezien. Het is aan de rechter de meest juiste lezing van de forumkeuze vast te stellen. Desnoods laat een gerecht de forumkeuze beëdigd vertalen of vraagt het gerecht advies. Bij een geschil over het totstandkomen van een forumkeuze zal het gerecht zonodig een getuigenverhoor kunnen bevelen in de incidentele procedure.27
Ook de wilsovereenstemming in statuten kan voldoen aan de voorwaarden die het Hof van Justitie stelt. De gebondenheid van de aandeelhouder vloeit voort uit zijn hoedanigheid van aandeelhouder en instemming met de statuten door de verkrijging van aandelen. Ook voor andere rechtspersonen dient mijns inziens gebondenheid aan een forumkeuze in de statuten te worden aangenomen.
Ook een volmacht zou een geldige forumkeuze kunnen bevatten waardoor volmachtgever en —nemer een forumkeuze overeenkomen.28