Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.6.4
4.6.4 Ius de non evocando
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS493776:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Volgens de staatscommissie-Cals-Donner 1971 hoorde de bepaling, anders dan de ontwerpers van de Proeve meenden, thuis in het hoofdstuk ‘rechtsbedeling’ en niet in het hoofdstuk ‘grondrechten’, Eindrapport, p. 261.
P.W.C. Akkermans & A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 214 (C.J. Bax).
Thorbecke 1906, p. 162.
Buijs 1884-1886, deel II, p. 373-374.
Bunschoten 2009, T&C Grondwet, aant. 1 art. 17 Gw. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 8, p. 10. Hierin licht de regering toe dat het in staat van oorlog of beleg op grond van de wet mogelijk is tijdelijke mobiele militaire gerechten in het buitenland in te stellen voor militaire strafrechtspraak, in het uiterste geval bestaande uit drie niet tot de rechterlijke macht behorende militairen (art. 244 Rechtspleging Land- en Luchtmacht, c.q. art. 142 Rechtspleging bij de Zeemacht jo. Titel VIII Invoeringswet Militair Straf- en tuchtrecht, jo. Hoofdstuk I Wet Oorlogsstrafrecht).
Oud 1970, deel II, p. 701.
HR 13 september 1989, NJ 1990, 777.
Artikel 17 Gw bepaalt dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent, het zogenoemde ius de non evocando. Grondrechten waarbij een bijzondere taak voor de rechter is weggelegd, stonden lange tijd in het grondwetshoofdstuk over rechtspraak. Dit geldt ook voor het ius de non evocando (art. 170 lid 1 Gw 1972). Sinds 1983 zijn deze bepalingen ondergebracht in hoofdstuk 1 van de Grondwet inzake grondrechten.1 De bepaling heeft een plaats gehad in alle Nederlandse grondwetten.
In de landsheerlijke tijd werd het ius de non evocando uitgelegd als het recht om niet voor een andere rechtbank gedaagd te worden dan voor een college van gelijken in stand. Met de vestiging van de eenheidsstaat veranderde de uitleg van het recht in een waarborg aan burgers voor op de wet gegronde rechtspraak, dat in de weg zou staan aan de oprichting door de regering van (haar meer welgevallige) buitengewone rechtbanken.2 Reeds Thorbecke stelde de vraag of het artikel alleen gold voor de uitvoerende macht, of ook voor de wetgever, in de zin van een wettelijke beperking. De Franse constituties (van 1791, 1795 en 1814) vatten de stelling in laatste zin op, zodat zelfs als gevolg hiervan geen buitengewone rechtbanken, of zodanige, die niet algemeen en bestendig spreken over de haar onderworpene zaken, kunnen worden opgericht.3 Buijs heeft aangegeven dat het misschien wel de bedoeling was om ook de wetgever te verbieden ad hoc gerechten in te stellen, maar dat de gekozen formulering een dergelijk verbod niet weergaf.4
Vroeger is uit het ius de non evocando wel afgeleid dat het zich verzet tegen de instelling van bijzondere (ad hoc) gerechten (waaraan de burger kon worden onderworpen). Zoals blijkt uit de grondwetsgeschiedenis is dit niet (meer) het geval en geldt een bijzonder gerecht, mits ingesteld bij formele wet, als wettelijke rechter.5 De bepaling biedt dus geen waarborg tegen de wetgever; ook als de wetgever buitengewone gerechten instelt is het dan ingestelde gerecht de rechter die de wet toekent.6 De bepaling garandeert wel dat de onderdaan niet ten gevolge van overheidsingrijpen mag worden beroofd van een bij de wet opengestelde rechtsgang bij een van het bestuur onafhankelijk college.7