Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.3.2.3:11.3.2.3 Schending art. 3 en 8 EVRM
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.3.2.3
11.3.2.3 Schending art. 3 en 8 EVRM
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500761:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), § 105.
Zie § 9.5.2 hiervoor.
EHRM 25 september 2001 (P.G. en J.H. t. Verenigd Koninkrijk), § 77-79 en EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 94-98.
Zie onder meer de concurring opinion van rechter Cabral Barreto bij EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), pt. 1.
EHRM 12 mei 2000 (Khan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2002, 180 (m.nt. Schalken), § 26.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer bij de verkrijging van het bewijs het verbod op foltering in art. 3 EVRM is geschonden, dan moet dit bewijs van het strafproces worden uitgesloten; ook wanneer dat niet beslissend is voor een veroordeling.1 ‘Real evidence’ ofwel fysiek bewijs dat door onmenselijke behandeling ex art. 3 van de verdachte wordt verkregen, wordt niet zonder meer van het strafproces uitgesloten. art. 3 EVRM heeft weliswaar een absoluut karakter, maar onmenselijke behandeling leidt niet automatisch tot schending van art. 6. Dit is afhankelijk van de invloed (‘impact’) die het met schending van art. 3 EVRM verkregen bewijs op het strafproces heeft. Enkel in Jalloh resulteert het voor de veroordeling van de klager beslissende gebruik van het aldus verkregen bolletje cocaïne in schending van art. 6 EVRM. In de zaak Gäfgen had het fysiek bewijs dat door onmenselijke behandeling van de klager was verkregen (waaronder bandensporen, schoenafdrukken, kleding en schoolmateriaal van het slachtoffer), geen betrekking op de uitkomst en neemt het Hof geen schending van art. 6 EVRM aan.2
De mate waarin schending van het recht op privacy ex art. 8 EVRM doorwerkt in de toetsing van een klacht over schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting aan art. 6, is casusspecifiek.3 IJkpunt is of de procedure als geheel ‘fair’ is geweest en de rechten van de verdediging zijn gerespecteerd.4 Hiervoor is niet doorslaggevend of het bewijs dat in strijd met art. 8 EVRM is verkregen, een beslissend of aanvullend karakter heeft.5