Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.3.2.1
11.3.2.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493495:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2017/267, § 269.
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 40 en 72.
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen).
EHRM 27 april 2004 (Kansal t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2004, nr. 30, p. 1261, § 8 e.v.
EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)), § 52.
EHRM 18 februari 2010 (Aleksandr Zaichenko t. Rusland), § 58.
EHRM 8 februari 1996 (John Murray t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1996, 725 (m.nt. Knigge), § 47 en 57.
EHRM 14 september 1999 (D.C., H.S. en A.D. t. Verenigd Koninkrijk) (ontv.besl), § 1. Zie over dit arrest het volgende onderdeel.
EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 95.
EHRM 15 oktober 2009 (Kuralić t. Kroatië), § 49.
EHRM 19 november 2009 (Oleg Kolesnik t. Oekraïne), § 36 en 37.
Vgl. EHRM 11 december 2008 (Panovits t. Cyprus), NJ 2009, 215 (m.nt. Reijntjes), § 76 en § 84. Daarin overweegt het Hof dat het gebruik van het bewijs klagers verdedigingspositie had aangetast en hem tijdens de strafzitting had gehinderd.
In (praktisch) alle zaken waarin een klager al dan niet onder uitoefening van dwang na de criminal charge belastende verklaringen heeft afgelegd en/of fysiek bewijs tegen zichzelf heeft verstrekt, gaat het EHRM na welke betekenis die medewerking (als bewijs) heeft gehad voor de veroordeling. Deze zaken geven aanleiding te veronderstellen dat die betekenis richtinggevend is voor de uitkomst van de toetsing van een klacht over schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting aan art. 6 EVRM. Sterker, in Ibrahim e.a. overweegt het Hof uitdrukkelijk dat voor de vaststelling of de toegepaste directe dwang het recht tegen gedwongen zelfbelasting wezenlijk aantast (en dus resulteert in schending van art. 6 EVRM), het gebruik van het afgedwongen bewijs in de strafprocedure cruciaal is.1
Zaken waarin het Hof bijvoorbeeld schending van art. 6 aanneemt en het van de verdachte verkregen bewijs, zo al niet doorslaggevend, dan toch belangrijk was voor zijn veroordeling, zijn onder meer Saunders2, Jalloh3 Kansal4 Allan5 en Zaichenko6. Zaken waarin het Hof geen schending aanneemt en het litigieuze bewijs ook niet beslissend was voor de veroordeling, zijn onder meer John Murray7, D.C., H.S. en A.D.8, Bykov9, Kuralić10en Oleg Kolesnik11.
Zaken waarin het wel schending aanneemt, terwijl het van de verdachte afgedwongen bewijs niet beslissend was, zijn mij niet bekend. Datzelfde geldt voor zaken waarin het Hof geen schending van art. 6 aanneemt, hoewel de van de verdachte gevorderde medewerking wel het belangrijkste bewijs in de nationale strafprocedure vormde.
De gevolgtrekking dat beslissend bewijs eerder resulteert in schending dan aanvullend bewijs, is weinig verrassend. Het gebruik van de van de verdachte afgedwongen medewerking voor het bewijs van de criminal charge, kan zijn procespositie aantasten en wel zodanig dat niet langer sprake is van een procedure op tegenspraak.12 De kans daarop wordt groter naarmate het van hem afgedwongen bewijs een groter aandeel in de bewijsvoering tegen hem heeft. De ruimte om in vrijheid zijn verdediging te voeren, neemt hierdoor af. Temeer nu de betwisting van eerder door hemzelf afgelegde verklaringen verdachtes geloofwaardigheid kan ondermijnen. Ook los hiervan geldt dat de verklaringsvrijheid geweld wordt aangedaan wanneer die verklaringen als steunbewijs dienen.