Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/7.1.2.2
7.1.2.2 Economisch belang
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85909:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Er is het nodige over dit onderwerp geschreven. Ik ga dat allemaal niet herhalen. Verwezen zij naar Spruitenburg 2015, op. cit., p. 461-475; G.P. Oosterhoff, ‘Aandelenswaps en enquêtebevoegdheid. Economische belangen op basis van derivaten en de toegang tot het enquêterecht’, Ondernemingsrecht 2016/40, p. 187-195; Oosterhoff 2017, op. cit., in genere en para 4.3 en hoofdstuk 7 in specie; Spruitenburg 2018, op. cit., para 3.3; Storm 2018, op. cit., p. 87; M.W. Josephus Jitta, ‘Ceci n’est pas une pipe. Dit is geen boekbespreking maar een reactie op “Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang”’, Ondernemingsrecht 2018/30, p. 179-183; G.P. Oosterhoff, ‘A rose by any other name would smell as sweet’, Ondernemingsrecht 2018/68, p. 399-401; conclusie, i.h.b. onder 3.21, van A-G Timmerman bij HR 1 februari 2019, ARO 2019/47 (Europa Leasing).
Vide e.g. hof Amsterdam (OK) 7 februari 2012, JOR 2012/143, m.nt. A. Doorman, AA 2012/5, m.nt. S.M. Bartman, JIN 2012/99, m.nt. P. Haas, r.o. 3.5-3.6 (Chinese Workers) in samenhang gelezen met HR 29 maart 2013, NJ 2013/304, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/166, m.nt. A. Doorman, AA 2013/6, m.nt. B.F. Assink, JIN 2013/77, m.nt. Van Rijswijk, r.o. 3.6 (Chinese Workers); hof Amsterdam (OK) 19 juli 2016, JOR 2016/272, m.nt. K. Spruitenburg, JIN 2016/197, m.nt. P. Haas, r.o. 3.5-3.6 (FEIST); hof Amsterdam (OK) 1 februari 2018, NJ 2019/134, m.red.aant., JOR 2018/93, m.nt. F. Eikelboom, r.o. 3.14 et seq. (Europa Leasing). Vide ook HR 11 april 2014, NJ 2014/296, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/259, m.nt. P.D. Olden, Ondernemingsrecht 2014/124, m.nt. C.D.J. Bulten, AA 2014/10, m.nt. B.F. Assink, JIN 2014/109, m.nt. P. Haas, r.o. 5.2.2 (Slotervaartziekenhuis).
In die richting kennelijk ook Spruitenburg 2018, op. cit., p. 88-89.
Vide W.H.M. Reehuis en A.H.T. Heisterkamp, Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 331.
HR 11 april 2014, NJ 2014/296, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/259, m.nt. P.D. Olden,Ondernemingsrecht 2014/124, m.nt. C.D.J. Bulten, AA 2014/10, m.nt. B.F. Assink, JIN 2014/109, m.nt. P. Haas, r.o. 5.2.2 (Slotervaartziekenhuis).
Ik vind het oordeel van de Hoge Raad in HR 10 september 2010, NJ 2010/665, m.nt. P. van Schilfgaarde en S. Perrick, JOR 2010/337, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2010/146, m.nt. M.J. Kroeze, r.o. 3.6.3 (Butôt) waarin hij overwoog dat twee enquêteverzoekers (‘X c.s.’) een ‘eigen’ economisch belang hadden, dan ook niet begrijpelijk. Door het overlijden van Butôt sr. gingen de certificaten geheel en al tot de nalatenschap behoren. Nu deze op het moment van indiening van het verzoekschrift nog onverdeeld was, was er te dezen sprake van gezamenlijke gerechtigdheid in dezer voege dat de vier Butôt-kinderen gezamenlijk rechthebbenden waren op de tot de (onverdeelde) nalatenschap behorende certificaten van aandelen en ook gezamenlijk het economisch belang daarbij hadden. Er was, anders gezegd, sprake van (een) meerhoofdig certificaathouder(schap) respectievelijk meerhoofdig drager(schap). Geen van de Butôt-kinderen had ten tijde van de indiening van het enquêteverzoek dus (al) een eigen economisch belang. Aan gelijkstelling werd mitsdien niet toegekomen. Hierop liep het oordeel van zowel de Ondernemingskamer als de Hoge Raad stuk. Niet-ontvankelijkheid had mijns oordeels dan ook moeten volgen. Voor de hierboven genoemde feiten verwijs ik naar hof Amsterdam (OK) 17 februari 2009, JOR 2009/129, m.nt. G. van Solinge (Butôt).
HR 6 juni 2003, NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta,Ondernemingsrecht 2003/37, m.nt. P.D. Olden en C.C. Borgart, r.o. 3.5.2 (Scheipar).
HR 10 september 2010, NJ 2010/665, m.nt. P. van Schilfgaarde en S. Perrick, JOR 2010/337, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2010/146, m.nt. M.J. Kroeze, r.o. 3.6.3, 2e al. in fine (Butôt).
Evenzo, in stellige of voorzichtige bewoordingen, Brink in zijn noot, onder 3, bij HR 10 september 2010, NJ 2010/665, m.nt. P. van Schilfgaarde en S. Perrick, JOR 2010/337, m.nt. M. Brink,Ondernemingsrecht 2010/146, m.nt. M.J. Kroeze (Butôt); Kroeze in zijn noot, onder 4, bij HR 10 september 2010, NJ 2010/665, m.nt. P. van Schilfgaarde en S. Perrick, JOR 2010/337, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2010/146, m.nt. M.J. Kroeze (Butôt); conclusie, onder 2.12 (en voetnoot 19), van A-G Vlas bij HR 8 april 2011, NJ 2011/338, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011/178, m.nt. A. Doorman, JIN 2011/489, m.nt. P. Haas (TESN); Bartman in zijn noot, onder 2 en 3, bij hof Amsterdam (OK) 7 februari 2012, JOR 2012/143, m.nt. A. Doorman, AA 2012/5, m.nt. S.M. Bartman, JIN 2012/99, m.nt. P. Haas (Chinese Workers); Doorman in zijn noot, onder 4, bij hof Amsterdam (OK) 7 februari 2012, JOR 2012/143, m.nt. A. Doorman, AA 2012/5, m.nt. S.M. Bartman, JIN 2012/99, m.nt. P. Haas (Chinese Workers); H. Koster, ‘De econoom in het enquêterecht’, Ondernemingsrecht 2012/5, p. 31-32; Ph.W. Schreurs en L.H.J.C. Hendriks, ‘Het enquêterecht voor banken en andere verschaffers van vreemd vermogen’, FIP 2012/2, p. 45; G. van Solinge, ‘Doorbraak van enquêtebevoegdheid in internationale concernverhoudingen’, in: F. Ibili, M.E. Koppenol-Laforce en M. Zilinsky (red.), IPR in de spiegel van Paul Vlas. Opstellen aangeboden aan Prof. mr. dr. P. Vlas ter gelegenheid van zijn zilveren ambtsjubileum als Hoogleraar Internationaal Privaatrecht en Rechtsvergelijking aan de Vrije Universiteit Amsterdam, Deventer: Kluwer 2012, p. 201; G. van Solinge, ‘Nederlands enquêterecht in internationale concernverhoudingen: Bermuda Block of China Connection?’, TAO 2012, nr. 3/4, p. 86; Assink in zijn noot, onder 6, bij HR 29 maart 2013, NJ 2013/304, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/166, m.nt. A. Doorman, AA 2013/6, m.nt. B.F. Assink, JIN 2013/77, m.nt. Van Rijswijk (Chinese Workers); D.F. Berkhout, ‘Enquêtebevoegdheid voor aandeelhouders van buitenlandse vennootschappen’, TOP 2013/4, p. 134; Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1621; conclusie, onder 2.11 (voetnoot 10), van A-G Vlas bij HR 29 maart 2013, NJ 2013/304, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/166, m.nt. A. Doorman, AA 2013/6, m.nt. B.F. Assink, JIN 2013/77, m.nt. Van Rijswijk (Chinese Workers); H.E. Boschma en P.G.F.A. Geerts, ‘Ondernemingsprocesrecht’, TCR 2014/1, p. 35; Buijn en Storm, op. cit. p. 987; Doorman zijn noot, onder 4, bij HR 29 maart 2013, NJ 2013/304, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/166, m.nt. A. Doorman, AA 2013/6, m.nt. B.F. Assink, JIN 2013/77, m.nt. Van Rijswijk (Chinese Workers); H. Koster, ‘Bespiegelingen over de economische werkelijkheid in het ondernemingsrecht’, WPNR 2014/7036, p. 993; G.P. Oosterhoff, ‘Synthetische belangen en het enquêterecht’, in: A.M. Boot, F.G.K. Overkleeft en F.E. Vermeulen (red.), Wie is de Mol? Liber Amicorum Harmen de Mol van Otterloo, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2014, p. 130-131; Spruitenburg 2018, op. cit., p. 92; Storm 2018, op. cit., p. 83; conclusie, onder 3.11, van A-G Timmerman bij HR 1 februari 2019,ARO 2019/47 (Europa Leasing). Vide ook de noot, onder 3, van Van Schilfgaarde bij HR 10 september 2010, NJ 2010/665, m.nt. P. van Schilfgaarde en S. Perrick, JOR 2010/337, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2010/146, m.nt. M.J. Kroeze (Butôt). Vroom merkte – ten aanzien van de beschikking a quo (hof Amsterdam (OK) 17 februari 2009, JOR 2009/129, m.nt. G. van Solinge (Butôt)) – op dat te dezen sprake lijkt te zijn van een verzuim, aangezien de Ondernemingskamer niet had onderzocht of aan de zeggenschapseis als bedoeld in ’s Hogen Raads Scheipar-beschikking was voldaan, terwijl zij het enquêteverzoek wél toewees, en dus ook tot ontvankelijkheid van de verzoekers concludeerde. Hij ging ervan uit dat, nu de vorenbedoelde eis mede door de Hoge Raad was opgelegd, de hier bedoelde beschikking van de Ondernemingskamer in cassatie niet in stand zou zijn gebleven. Vide E.E.U. Vroom, ‘Kroniek Enquêterecht 2009’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2009-2010, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 104, Deventer: Kluwer 2010, p. 13.
HR 8 april 2011, NJ 2011/338, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011/178, m.nt. A. Doorman, JIN 2011/489, m.nt. P. Haas (TESN); HR 29 maart 2013, NJ 2013/304, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/166, m.nt. A. Doorman, AA 2013/6, m.nt. B.F. Assink, JIN 2013/77, m.nt. Van Rijswijk (Chinese Workers); HR 11 april 2014, NJ 2014/296, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/259, m.nt. P.D. Olden, Ondernemingsrecht 2014/124, m.nt. C.D.J. Bulten, AA 2014/10, m.nt. B.F. Assink, JIN 2014/109, m.nt. P. Haas (Slotervaartziekenhuis).
Vide voetnoot 52 supra.
Ibid.
Josepus Jitta schreef in zijn noot, onder 4, bij HR 6 juni 2003, NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2003/37, m.nt. P.D. Olden en C.C. Borgart (Scheipar) dat ‘[h]oewel de tweede volzin van r.o. 3.5.2. indien men deze letterlijk neemt, omdat deze een eigen verhouding van de economische certificaathouder tot de juridische certificaathouder verlangt, uit lijkt te sluiten dat ook een volgende schakel in de keten gelijk kan worden gesteld aan de certificaathouder als bedoeld in art. 2:346 BW, aanhef en sub b, BW bestaat daarvoor mijns inziens geen goede reden’. Vide ook Doormans noot, onder 7, bij hof Amsterdam (OK) 5 november 2009, JOR 2010/ 10, m.nt. A. Doorman (TESN), die van mening is dat, anders dan in de letterlijke tekst van ’s Hogen Raads Scheipar-beschikking zou kunnen worden gelezen, de verhouding tussen de juridische certificaathouder en de economische certificaathouder geen rechtstreekse contractuele relatie tussen hen verlangt. Volgens hem is ook een economisch certificaathouder die via meerdere tussenschakels volledig economisch gerechtigd is – naar ik begrijp: tot de onderliggende aandelen – en gerechtigd is tot de uitoefening van vennootschapsrechtelijke bevoegdheden, enquȇtegerechtigd, een en ander via – naar ik aanneem – de band van gelijkstelling. Volgens Oosterhoff 2017, op. cit., p. 130, evenals Spruitenburg 2018, op. cit., p. 90, eist de Hoge Raad in de hier bedoelde beschikking niet dat er een contractuele band bestaat tussen de certificaathouder en de houder van het economisch belang. Verderop schreef hij dat de formulering van de cassatierechter (zekere) ‘stapeling’ lijkt toe te staan. Vide bovendien de noot, onder 2 (2e al.), van Maeijer bij de Scheipar-beschikking van de Hoge Raad; Geerts 2004, op. cit., p. 58.
Hof Amsterdam (OK) 7 augustus 2002, JOR 2002/193, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2003/1, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Scheipar).
HR 6 juni 2003, NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta,Ondernemingsrecht 2003/37, m.nt. P.D. Olden en C.C. Borgart, r.o. 3.5.2 (Scheipar).
HR 11 april 2014, NJ 2014/296, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/259, m.nt. P.D. Olden,Ondernemingsrecht 2014/124, m.nt. C.D.J. Bulten, AA 2014/10, m.nt. B.F. Assink, JIN 2014/109, m.nt. P. Haas, r.o. 5.2.2 (Slotervaartziekenhuis).
Ook is mogelijk dat de aandeelhouder een of meer aandelen ten titel van beheer aan de STAK overdraagt, welke daartegenover aan de vervreemder van de aandelen certificaten van aandelen daarvan uitgeeft (certificering tegen aandelen); Vide F.J.P. van den Ingh, Certificering en certificaat van aandeel bij de besloten vennootschap (diss. Nijmegen), Serie Monografieën vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 35, Deventer: Kluwer 1991, p. 16-17 en 169. Vide ook Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 520-521. In deze situatie is het de certificaathouder die destijds, voordat de certificering plaatsvond, op de genomen aandelen heeft gestort; Vide Van den Ingh 1991, op. cit., p. 171. Certificering tegen aandelen laat ik verder rusten.
Vide Van den Ingh 1991, op. cit., p. 11 en 196-197; Zaman 2004, op. cit., p. 218; Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 524; Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 337; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/319; Quist, op. cit., p. 578; Wolf 2016, op. cit., p. 98; Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 171 en 261. De STAK beheert de door haar genomen aandelen in het geplaatste kapitaal van een vennootschap. Men drukt dit ook wel aldus uit dat zij die aandelen in ‘administratie’ neemt; Vide Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/319. Vandaar de naam stichting ‘administratiekantoor’.
Vide ook Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 57-58.
Van den Ingh 1991, op. cit., p. 171. Volgens Van den Ingh 1991, loc. cit. (voetnoot 57), is het ook denkbaar dat de certificaathouder de schuld van de STAK tot storting op de door haar genomen aandelen rechtstreeks aan de vennootschap voldoet.
Van den Ingh 1991, l.s.c. Zie ter zelfder plaatse ook: ‘De verhouding tussen AK en certificaathouder valt primair als een beheerverhouding aan te merken. Essentieel [curs. RPJ] is daarbij dat hetgeen op het gecertificeerde aandeel is gestort, zo niet in juridische, dan toch in ieder geval in economische zin afkomstig is van de certificaathouder.’ Vide ook Van den Ingh 1991, op. cit., p. 156 en 171-172. Vide bovendien Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 261, die sprak van de ‘uiteindelijke kapitaalverschaffers’.
Van den Ingh 1991, op.cit., p. 74. Vide ook Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 57-58. Volgens hen moet er tussen aandelen en certificaten een zeker verband bestaan en dat verband mag niet te ver verwijderd zijn. De certificaten moeten in zekere zin ‘vereenzelvigd kunnen worden met de aandelen’. Vide mede Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 337, die spraken van een ‘duidelijk’ verband, dat huns inziens het meest sprekend is indien de aandeelhouder voor elk door hem gehouden aandeel een certificaat uitgeeft.
Vide Van den Ingh 1991, op. cit., p. 171 (in samenhang met p. 74 en 157).
Vide Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 81 en 88; Van den Ingh 1991, op. cit., p. 151, 154, 156 en 167; Zaman 2004, op. cit., p. 216 en 218; Bos, op. cit., p. 171-172; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/661; Wolf 2016, op. cit., p. 98 Vide ook Van den Ingh 1991, op. cit., p. 12, 7-18 en 73; Zaman 2004, op. cit., p. 218; Slagter 2005, op. cit., p. 269 en 273; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/319; Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 338. Die overeenkomst wordt wel beschouwd als een ‘beheerovereenkomst’ of een overeenkomst ‘van eigen aard’ (sui generis).
Vide Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 50 en 80; Van den Ingh 1991, op. cit., p. 154.
Op die lijn zit ook Van den Ingh 1991, op. cit., p. 12 en 154; Zaman 2004, op. cit., p. 218; Bos, op. cit., p. 172; Slagter 2005, op. cit., p. 273; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/ 661; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/319; Van der Heijden en Van der Grinten, l.s.c.; Quist, op. cit., p. 578; Wolf 2016, op. cit., p. 98; Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 261. Vide nader Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 520-524 (alsmede het in voetnoot 121 geciteerde). Op de vraag of de administratievoorwaarden ‘algemene voorwaarden’ in de zin van afdeling 3 van titel 5 van Boek 6 BW zijn, zal ik niet ingaan. Verwezen zij naar Van den Ingh 1991, op. cit., p. 154-155; Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 82; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/664; Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 338 (voetnoot 388). Eerstgenoemde vindt van wel, althans in beginsel. Tweedegenoemden zouden dat, bij gebreke van een duidelijke aanwijzing in de tekst van de wet of in de wetsgeschiedenis, niet willen aantonen. Derdegenoemden zijn van mening dat bij certificering van aandelen in (het geplaatste kapitaal van) een besloten vennootschap met een klein aandeelhoudersbestand en een eigen STAK, daar geen sprake van is, maar dat verdedigbaar is dat zulks anders ligt bij de administratievoorwaarden van een algemeen STAK die de certificaten van enkele, veelal beursgenoteerde, vennootschappen beheert. Laatstgenoemden stelden zich op het standpunt dat algemene voorwaarden geen administratievoorwaarden in de zin van art. 6:233 BW zijn ingeval de STAK overeenkomstig die voorwaarden met de aandeelhouder die zijn aandelen aan haar overdraagt, een overeenkomst aangaat.
Quist, op. cit., p. 578.
In die richting ook Quist, l.s.c. Vide mede Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 50 en 80; Zaman 2004, op. cit., p. 218.
Vide Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 81 en 87-88; Van den Ingh 1991, op. cit., p. 156; Asser/ Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/663-664 (i.f.). Vide ook Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 338.
Ibid. Vide ook Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 50, 80 en 87; Van den Ingh 1991, op. cit., p. 156; Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 261.
In navolging van Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 521 (voetnoot 120) schrijf ik ‘eigendom’ in dit verband tussen aanhalingstekens, omdat alleen zaken voorwerp van eigendom kunnen zijn. Vide ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II 2013/289.
Vide over economisch eigendom in genere W.G. Huijgen, ‘Wat is economische eigendom?’, in: A.G. Castermans et al. (red.), De landsadvocaat, voor deze. Opstellen voor J.L. de Wijkerslooth, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 1999, p. 101-108.
Terecht merkten Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 55 dan ook het volgende op: ‘De formulering: recht op bepaalde rechten verbonden aan een aandeel, suggereert dat de certificaathouder rechtstreeks een recht op een aan een aandeel verbonden recht heeft. Aan een aandeel zijn diVide ndrechten verbonden. Heeft de certificaathouder recht op het diVide nd(recht)? Nee, hij heeft jegens het administratiekantoor recht op uitkering van een bedrag, gelijk aan het diVide nd, dat op de aandelen is betaald.’ (onderstreping auteurs)
Een aandeel is, in beginsel, voor overdracht vatbaar (Vide art. 3:1 BW iunctoart. 3:6 BW iunctoart. 3:83 BW iuncto art. 2:64 (175), eerste lid, BW). Om dat te kunnen bewerkstelligen dient blijkens art. 3:84, eerste lid, BW aan drie (cumulatieve) vereisten te zijn voldaan, waaronder het vereiste dat de vervreemder beschikkingsbevoegd, waarmee wordt bedoeld de bevoegdheid om het goed te kunnen vervreemden (lees: een ander tot rechthebbende maken) of bezwaren, is. Degene die over de juridisch ‘eigendom’ van een of meer aandelen beschikt, is, in beginsel, privatief beschikkingsbevoegd.
Cf. Van Mourik 1981, op. cit., p. 55-56. Volgens hem zal het geen bestrijding ontmoeten indien gesteld wordt dat ‘het recht van eigendom een band schept tussen een persoon en een object (een zaak) en dat die band in principe [curs. aut.] met zich brengt dat aan de eigenaar de (economische) waarde van het betrokken object toekomt’. Naar zijn opvatting kan het bestaan van een economisch eigenaar nimmer tot de conclusie voeren dat ‘de juridische eigenaar, met behoud van de band met het object, het recht op de waarde van het goed heeft verloren’. Wie betoogt dat het bij economisch eigendom gaat over een splitsing in ‘recht’ en ‘waarde’, heeft het zijns inziens dan ook ‘bij het verkeerde eind’.
Blijkens art. 2:216, zevende lid, BW kan immers bij de statuten worden bepaald dat aandelen van een bepaalde soort of aanduiding géén, of slechts een beperkt, recht geven op deling in de winst of reserves van de vennootschap. Vide ook art. 2:190 BW en art. 2:228, vijfde lid, laatste volzin, BW.
Vide ook Prinsen, op. cit., p. 59; Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 622-623, 576 (alsmede voetnoot 227 (i.f.)) en 577.
Vide ook Uniken Venema en Eisma en Van den Ingh 1991 als aangehaald in voetnoot 96 infra.
Cf. Van Mourik 1981, p. 55: ‘De economische dimensie van het recht van eigendom houdt in principe in dat het belang bij de betrokken zaak, hetwelk in de waarde van het object is gelegen, berust bij de eigenaar.’ (curs. auteur) Vide ook C.Ӕ. Uniken Venema, ‘Verzelfstandigd economisch belang in recht en praktijk’, in: M.J.G.C. Raaijmakers, H.J. Bruisten en A.F. Verdam (red.), En na de crisis? Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen 1930-2010 (NGB 16e lustrum), Deventer: Kluwer 2010, p. 323, alwaar hij opmerkte dat in het recht van eigendom van enig goed in beginsel het (economisch) belang verondersteld wordt. Het belang, zo vervolgde hij, ligt dikwijls verscholen binnen een subjectief recht.
Volgens Huijgen 1995a, op. cit., p. 90 en Huijgen 1995b, op. cit., p. 64 is er in geval van certificering, strikt genomen, geen sprake van economisch eigendom, nu aan de certificaathouder niet, ook niet indirect, ‘alle rechten en plichten ten aanzien van het aandeel’ toekomen. Vide ook G.T.M.J. Raaijmakers, ‘Synthetische aandelenbelangen in beursvennootschappen’, in: Achter de schermen van beursaandeelhouders (Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’ 2007), Deventer: Kluwer 2007, p. 5 en het door hem in voetnoot 10 aangehaalde. Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 145 is, anders dan Huijgen, van mening dat er geen essentieel verschil is tussen certificering en economische overdracht. Naar mijn opvatting draait het bij (de afsplitsing van) de economisch ‘eigendom’ van aandelen, oftewel het economisch belang daarbij, naar de kern bezien hierom dat uit hoofde van een overeenkomst de waarde van die aandelen in economische zin aan een derde toekomt. Uit die overeenkomst vloeit voor diegene een verbintenisrechtelijke aanspraak te dier zake voort. Zeggenschapsrechten noch financiële rechten gaan in een geval als hier bedoeld over; zij blijven berusten bij degene die over de (gecertificeerde) aandelen beschikt. Vide mede voetnoot 78 supra.
Ik beschouw ‘economisch eigendom’ en ‘economisch belang’ gemakshalve als synoniemen van elkaar. Vide ook A.J.S.M. Tervoort, Het Nederlandse personenvennootschapsrecht, Serie Recht en Praktijk, Ondernemingsrecht, deel ONR8, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 28 (alsmede het schema op p. 31), alwaar hij opmerkte dat het (volledige) economisch belang ook wel, ‘minder zuiver’, de economisch eigendom wordt genoemd, hetwelk ik deel, nu ‘economisch eigendom’ suggereert dat er ook twee eigenaars zijn, quod non. Anders: Raaijmakers 2007, op. cit., p. 5, die daartussen een verschil lijkt te zien, welk verschil erin ligt, als ik hem goed begrijp, dat in geval van afsplitsing van economisch eigendom de economisch eigenaar ‘doorgaans’ ook de rechten heeft die aan een aandeel zijn verbonden, terwijl dat in geval van afsplitsing van economisch belang kennelijk niet zo is. Hoewel Uniken Venema 2010, op. cit., p. 339 bij deze redengeving een kanttekening plaatste, kon hij volledig met Raaijmakers instemmen als hij ervoor kiest te spreken over (men leze: van) ‘economsich belang’ en niet over ‘economische eigendom’. Vide echter ook Uniken Venema 2010, op. cit., p. 329, para 2.5, eerste volzin.
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/289 en 319; Wolf 2016, op. cit., p. 97. Cf. Uniken Venema 2010, op. cit., p. 323 et seq. Certificering behelst dus níét een splitsing tussen de aan het aandeel verbonden zeggenschapsrechten en financiële rechten. Al die rechten blijven berusten bij degene die de aandelen heeft genomen, dan wel degene aan wie ze zijn overgedragen. Vide ook het in voetnoot 78 supra geciteerde. Onjuist, althans onzuiver, acht ik dan ook Huijgen 1995b, op. cit., p. 64; Zaman 2004, op. cit., p. 215; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/658; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/319; Oosterhoff 2016, op. cit., p. 187. Vide ook Huijgen 1995a, op. cit., p. 86 en 90; Wolf 2016, op. cit., p. 97. Overigens, en wellicht ten overvloede, wijs ik erop dat als de aandeelhouder aan de certificaathouder een volmacht (Vide art. 3:60 et seq. BW) heeft verleend, daarin níét besloten ligt dat een of meer van de aan de gecertificeerde aandelen verbonden rechten thans toekomen aan laatstgenoemde. Cf. Huijgen 1995a, op. cit., p. 65-67 en 86. Immers, in geval van e.g. een volmacht voor de algemene vergadering wordt de certificaathouder, de gevolmachtigde, slechts in staat gesteld om op die vergadering de aandeelhouder, de volmachtgever, te vertegenwoordigen en aldaar namens hem het woord te voeren en stem uit te brengen, waaraan niet afdoet als een (specifieke) steminstructie aan de gevolmachtigde ontbreekt of de volmachtgever zelf is uitgeloten om de aan zijn aandelen verbonden stemrechten uit te oefenen (Vide art. 2:118a, eerste lid, BW). Verschijnt ter algemene vergadering zowel de volmachtgever als de gevolmachtigde, dan is alleen de eerstbedoelde, de aandeelhouder, bevoegd het stemrecht op de aandelen uit te oefenen. In gelijke zin Perrick, op. cit., p. 34 (voetnoot 71). Het verlenen van een ‘onherroepelijke’ volmacht is niet mogelijk; Vide Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 145. Anders: Huijgen 1995a, op. cit., p. 67-68; Huijgen 1995b, op. cit., p. 65-66. Ook een privatieve last als bedoeld in art. 7:423, eerste lid, BW, uit hoofde waarvan bedongen kan worden de lasthebber een aan de lastgever toekomend recht ‘in eigen naam en met uitsluiting van de lastgever’ zal uitoefenen, tot uitoefening van het stemrecht (of van álle aan de aandelen verbonden rechten) is niet mogelijk; Vide J.M.M. Maeijer, ‘Reactie. Economische eigendom van aandelen; het vennootschapsrecht wijkt niet’ (reactie op Huijgen 1995b), WPNR 1995/6182, p. 338; Perrick, op. cit., p. 34 (voetnoot 71) en het door hem aangehaalde; Van Schilfgaarde 2017, loc. cit. Anders: Huijgen 1995a, op. cit., p. 68-69; Huijgen 1995b, op. cit., p. 66; W.G. Huijgen, ‘Naschrift’, WPNR 1995/6182, p. 343. De rechten verbonden aan de aandelen blijven dus (ook alsdan) liggen bij de aandeelhouder (het blijven zijn rechten); van afsplitsing daarvan t.g.v. de certificaathouder is geen sprake. Kortom, de uitoefening van de hier bedoelde rechten (namens de eigenaar) moet worden onderscheiden van het toebehoren ervan. Een en ander kán bij een en dezelfde persoon liggen, maar dat hoeft niet. Cf. art. 2:88 (197) BW en art. 2:89 (198) BW. In beginsel ligt het stemrecht op verpande aandelen of aandelen waarop vruchtgebruik is gevestigd, bij de aandeelhouder, maar onder bepaalde omstandigheden kan dat toekomen aan de pandhouder of de vruchtgebruiker, die het in eigen naam kan uitoefenen. Hier is sprake van een wettelijke uitzondering.
Vide ook Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 1-2.
Vide Van den Ingh 1991, op. cit., p. 16 en 17, i.h.b. de laatste al.; Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 261.
Aldus ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/658; Van Schilfgaarde 2017, l.s.c.
Vide ook Van Schilfgaarde 2017, l.s.c. Vide daarnaast Slagter 2005, op. cit., p. 269; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/658; Wolf 2016, op. cit., p. 97. Vide tevens Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 52, 79 en 87. Vide voorts Van den Ingh 1991, op. cit., p. 172-173.
Aldus ook Van den Ingh 1991, op. cit., p. 172. Kennelijk evenzo Slagter 2005, op. cit., p. 269.
Vide ook Van den Ingh 1991, op. cit., p. 74, alwaar hij opmerkte dat de certificaathouder in economische zin gerechtigd is tot een onderliggend aandeel, reden waarom een certificaat een economisch belang verschaft bij dat aandeel.
De STAK houdt de in administratie genomen aandelen (geheel en al, d.w.z. volledig) ‘voor rekening en risico’ van de certificaathouders. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat bij hen het economisch belang bij de gecertificeerde aandelen ligt, en dat eventuele waardevermeerderingen of -verminderingen te hunnen voordele of te hunnen nadele komt. Vide ook Van Mourik 1981, op. cit., p. 65-66; Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 15-17; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/658. Cf. HR 6 juni 2003, NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2003/37, m.nt. P.D. Olden en C.C. Borgart, r.o. 3.5.2-3.5.3 (Scheipar), waarin de cassatierechter sprak van het ‘geheel en al voor rekening en risico’ houden van certificaten respectievelijk het hebben van ‘het economisch belang’. Daarmee wordt hetzelfde bedoeld. De keuze voor een van beide hangt van de focus af: degene die zijn economisch belang ‘overdraagt’ of degene aan wie dat is ‘overgedragen’. Persoon A houdt (certificaten van) aandelen voor rekening en risico van persoon B en persoon B is houder van het economisch belang bij (de waarde van) de (certificaten van) aandelen.
Vide ook, in geval van aan de STAK gedane uitkeringen in de vorm van aandelen, voetnoot 99 infra.
Vide ook Mourik 1988, op. cit., p. 167; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/658; Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 521. Naar de mening van Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 50-51 is de belangrijkste aanspraak die de certificaathouder jegens de STAK pleegt te hebben, die op ‘uitbetaling van een bedrag gelijk aan het bedrag van de door het administratiekantoor als houder van de gecertificeerde aandelen ontvangen uitkeringen, zowel die van winst en reserves als die terzake [sic] van kapitaalterugbetaling en liquidatiesaldo, en van de ontvangen opbrengst in geval van vervreemding.’ Verderop, op p. 56 (Vide ook p. 82), lezen wij: ‘Een tweede hoofdkenmerk [van een certificaat, toev. RPJ] zie ik in de eis dat de certificaathouder jegens de uitgever van de certificaten aanspraak moet hebben op betaling van een bedrag gelijk aan de opbrengst van de desbetreffende aandelen, waarbij ik “opbrengst” in beginsel in ruime zin zou willen verstaan: niet alleen de vruchten, maar ook de terugbetalingen van kapitaal en vermogen en de opbrengst bij vervreemding.’ (Men leze overigens de twee aantekeningen van de auteurs achter dit citaat.) Volgens Van den Ingh 1991, op. cit., p. 74 en 157-158 omvat het economisch belang ‘in beginsel’, allerlei afwijkingen zijn namelijk mogelijk, (1) ‘alle’ uitkeringen, men denke aan uitkeringen (a) uit winst of reserves, zowel tijdens het bestaan van de vennootschap als na ontbinding ervan, en (b) in verband met kapitaalvermindering, die op het (gecertificeerde) aandeel worden gedaan, althans de waarde van die uitkeringen indien deze worden gedaan in de vorm van aandelen, en (2) in het in de regel alleen in bepaalde gevallen opeisbaar recht op een aandeel of hetgeen daarvoor in de plaats treedt, waarbij men, wat dat laatste betreft, moet denken aan de opbrengst van de vervreemding door de STAK van de gecertificeerde aandelen aan derden alsook aan de prijs die deze na toepassing van de uitkoop- of geschillenregeling voor de gecertificeerde aandelen ontvangt. Cf. Van Mourik 1981, op. cit., p. 57. Naar zijn gevoelen kan een economisch eigenaar ‘niets anders hebben dan een verbintenisrechtelijke aanspraak jegens de juridisch eigenaar. De waarde van die aanspraak correspondeert met de waarde van het object van het recht van eigendom. Sterker nog, de aanspraak komt niet slechts overeen met de waarde van het object op het moment van de overeenkomst waarbij de “economische eigendom” in het leven werd geroepen. Nee, ook de waardervermeerdering c.q. -vermindering dient uiteindelijk ten goede te komen aan c.q. ten laste te komen van de economisch eigenaar. In economisch opzicht berust het belang [curs. aut.] bij de zaak bij de wederpartij van de juridische eigenaar’.
Vide ook Van Mourik 1988, op. cit., p. 167; Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 51. Cf. Van Mourik 1981, op. cit., p. 57: ‘In feite is de man [i.e. de economisch eigenaar, toev. RPJ] “economisch belanghebbende als ware hij [juridisch, toev. RPJ] eigenaar”.’
Vide Quist, op. cit., p. 578, alwaar staat dat de statuten van een STAK doorgaans aldus zijn ingericht dat deze, voor wat betreft de uitkeringen, als ‘doorgeefluik’ fungeert.
Uitkeringen kunnen in geld worden gedaan, maar ook in aandelen, zoals bonusaandelen, hetwelk een aandeel is dat ten laste van de reserves wordt uitgekeerd, waardoor die reserve in zoverre – zonder dat een contante storting door de aandeelhouder vereist wordt – duurzaam wordt omgezet in kapitaal, waartoe twee gelijktijdige handelingen worden verricht, te weten (i) de uitkering van reserves en (ii) het doen storten van deze reserves op de nieuw uit te geven aandelen. Er is in deze situatie (dus) geen sprake van uitkering van winst op aandelen, maar van uitkering van reserves daarop in de vorm van aandelen. Vide Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 577. In de administratievoorwaarden zal doorgaans zijn bepaald dat eventuele door de vennootschap aan de STAK op de door deze in administratie genomen aandelen gedane uitkeringen in de vorm van bonusaandelen, bijschrijvingen op aandelen, stockdiVide nden of dergelijke door de STAK zoveel mogelijk in de vorm van (bijschrijvingen op) certificaten aan de certificaathouders beschikbaar zullen worden gesteld. Die aandelen zal de STAK eveneens ten titel van beheer houden. Vide ook Van den Ingh 1991, op. cit., p. 158.
Vide Van den Ingh 1991, op. cit., p. 157; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/ 658; Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 339. In de administratievoorwaarden kan (expliciet) bepaald zijn dat de uitkeringen zonder aftrek of berekening van kosten zullen worden uitbetaald.
In essentie evenzo Wolf 2016, op. cit., p. 98 en 103. Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 338 schreven dat de certificaathouder jegens de STAK ‘[s]teeds’ het recht zal hebben dat de op het (gecertificeerde) aandeel gedane uitkeringen aan de certificaathouder ten goede komen. Niettemin zijn met behoud van dat uitgangspunt vele varianten mogelijk en komen in de praktijk vele varianten voor, aldus deze auteurs. Volgens Van den Ingh 1991, op. cit., p. 159 gaan de uitkeringen op de aandelen, al dan niet in gewijzigde vorm, normaal gesproken via de STAK naar de certificaathouders en is het minder gebruikelijk dat deze rechtstreeks door de vennootschap aan hen worden uitgekeerd. Anders: Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 262, volgens wie in de praktijk het diVide nd meestal rechtstreeks aan de certifcaathouders wordt uitgekeerd. Ik wijs erop dat, hoewel minder gebruikelijk, in de administratievoorwaarden kán zijn bepaald dat de STAK met de vennootschap kan overeenkomen dat diVide nden en andere uitkeringen door de vennootschap rechtstreeks aan de certificaathouders zullen worden betaald. Vide e.g. art. 4.2 van de administratievoorwaarden van Stichting Administratiekantoor Unilever N.V.
Vide ook Van den Ingh 1991, op. cit., p. 157 (voetnoot 18), die opmerkte dat die hoofdverplichting, houdende dat alle uitkeringen (Vide nader p. 158) die de STAK op de (door haar in administratie gehouden) aandelen ontvangt, aan de certificaathouders ten goede dienen te komen, eventueel onder aftrek van beheerkosten, normaal gesproken expliciet in de administratievoorwaarden zal zijn opgenomen. Vide mede Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 521.
Quist, op. cit., p. 578.
Volgens Quist, l.s.c. is in de statuten van – kennelijk: de STAK – vaak, inter alia, bepaald dat zij, anders dan ter decertificering waarbij de aandelen aan de certificaathouders worden overgedragen, niet bevoegd is de gecertificeerde aandelen te vervreemden. Verderop lezen wij echter dat in veel gevallen in de administratievoorwaarden is bepaald dat de STAK in bepaalde gevallen de door haar in administratie genomen aandelen direct mag verkopen en leveren, met dien verstande dat zij de opbrengst daarvan zal uitkeren aan de certificaathouders. Volgens Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/666 wordt in de statuten, of in de administratievoorwaarden, meestal bepaald dat, met uitzondering van decertificering, de STAK de aandelen niet mag vervreemden. Ook daarzonder geldt huns inziens dat de STAK, behoudens uitzonderingen, beschikkingsonbevoegd is, welke stelling zij wellicht hierop doen steunen dat de STAK de gecertificeerde aandelen slechts ‘ten titel van beheer’ houdt. Vide ook A.J. Zonnevylle, ‘Biedt het wettelijk pandrecht bescherming aan de certificaathouders bij onbevoegde vervreemding van aandelen door het administratiekantoor?’, V&O 2002, nr. 7/8, p. 122-125. Cf. Perrick, op. cit., p. 17 et seq. (alsmede voetnoot 50 en 56); Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 294-295; T.D.J. Oosterink, ‘De overdracht van een aandeel in strijd met een blokkeringsregeling’, AA 2013/3, p. 187-196; Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 148-150. Zonder toelichting, die ontbreekt, vermag ik niet in te zien uit welken hoofde de STAK beschikkingsonbevoegd zou zijn. Het goederenrechtelijk uitgangspunt is immers dat de rechthebbende op aandelen – dat is ontegenzeggelijk de STAK – (privatief) bevoegd is daarover te beschikken in de zin van het kunnen vervreemden of bezwaren. Zijn beschikkingsbevoegdheid kan niet bij contractueel beding worden ontnomen, zodat een vervreemdingsverbod geen privatieve (lees: berovende) werking heeft, waarmee wordt bedoeld dat met betrekking tot het goed waarvoor dat verbod geldt, de rechthebbende tegenover derden beschikkingsbevoegd blijft. Vide A.L.M. Keirse en Y.E.M. Beukers, in: GS Vermogensrecht art. 3:84 BW, aant. 90.1 en 90.3. Indien al zou moeten worden aangenomen dat de goederenrechtelijke overdracht in de zin van art. 3:84, eerste lid, BW niet kan worden gerealiseerd in geval van gecertificeerde aandelen, dan vraag ik mij dan ook af of dat niet veeleer verband houdt met de (on)overdraagbaarheid van het goed zelf (kan dat worden overgedragen?) dan met de beschikkings(on)bevoegdheid van de vervreemder (is deze bevoegd om over het goed te beschikken?). Maar daar zou dan in Boek 2 BW een juridische kapstok voor moeten worden gevonden die een uitzondering maakt op het uitgangspunt dat aandelen in het geplaatste kapitaal van een naamloze/besloten vennootschap overdraagbaar zijn (Vide art. 3:1 BW iunctoart. 3:6 BW iunctoart. 3:83, derde lid, BWiuncto art. 2:64 (175), eerste lid, BW), zij het in sommige gevallen met een daaraan verbonden beperking (Vide art. 2:87 BW en art. 2:195 BW). Zulk een kapstok zie ik zo een-twee-drie niet.
Vide ook Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 521.
Volgens Van den Ingh 1991, op. cit., p. 172 komt het er – naar hij kennelijk bedoelt: bij certificering – op neer dat de certificaathouder het ‘volledige’ economische belang bij de onderliggende aandelen heeft, hoewel, zo voegde hij er direct aan toe, denkbaar is dat hij slechts een deel daarvan heeft. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/661 stelden dat de rechten van een certificaathouder in de regel dusdanig zullen zijn dat het economisch belang ‘grotendeels’ bij hem berust. Vide ook nr. 658, alwaar zij schreven dat de STAK de aandelen voor rekening van de certificaathouder houdt en dat zulks inhoudt dat laatstgenoemde ‘het [curs. RPJ] financieel-economisch belang’ heeft. Tevens wijs ik op Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/319, alwaar zij schreven dat de aan het (gecertificeerde) aandeel verbonden financiële rechten ‘volledig’ toekomen aan de certificaathouder. Overigen noem ik Van Mourik 1981, op. cit., p. 61-62.
In die richting ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/661.
Huijgen 1995a, op. cit., p. 90-91; Slagter (deel 1) 2013, l.s.c.
Cf. Van Mourik 1981, op. cit., p. 57. Volgens Van Mourik 1981, op. cit., p. 62 kan de geringe aan een certificaat verbonden zeggenschapsmacht echter leiden tot een discrepantie. Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat (i) voor ieder gecertificeerd aandeel één certificaat wordt uitgegeven, (ii) het certificaat dezelfde nominale waarde heeft als het onderliggende aandeel en (iii) het volledige economische belang bij de certificaathouder is komen te rusten, dan zal, naar mijn visie, de aanspraak van de certificaathouder corresponderen met de waarde van de onderliggende aandelen. Die waarde omvat alle betalingen die op of voor die aandelen worden gedaan. Het antwoord op de vraag of er aan een certificaat, naast financiële aanspraken, ook een of meer zeggenschapsrechten zijn verbonden, is niet ter zake doende; de waarde van het certificaat volgt de waarde van ‘zijn’ aandeel.
Volgens Van Mourik 1981, op. cit., p. 61-62 belichaamt het certificaat een ‘geheel van aanspraken’ jegens het administratiekantoor, welke aanspraken worden geconcretiseerd in de administratievoorwaarden en waarvan de waarde in de praktijk veelal zal overeenstemmen met de waarde van het onderliggende aandeel. Vide echter voetnoot 109 supra.
Vide Van den Ingh 1991, op. cit., p. 19; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/661.
Vide Van Mourik 1981, op. cit., p. 61 (alsmede voetnoot 30). Vide ook Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 145, alwaar hij schreef dat een certificaat een tegen de aandeelhouder geldend te maken ‘contractueel recht [is, toev. RPJ] waarin het economisch belang tot uitdrukking komt’. Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 337 spraken hiervan dat het certificaat een ‘schuldplichtigheid’ van de aandeelhouder is, welke inhoudt dat deze het aandeel voor rekening van de certificaathouder houdt in de zin dat de daarop gedane uitkeringen ten goede komen aan de certificaathouder.
Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 50 en 87-88; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/661.
Uniken Venema en Eisma, op. cit., p. 62; Van den Ingh 1991, op. cit., p. 76 en 128-129; Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 339. Vide ook Van den Ingh 1991, op. cit., p. 77.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/661; Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 523.
Vide ook Van den Ingh 1991, op. cit., p. 129; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/661; Van der Heijden en Van der Grinten, l.s.c.
Zie over de ‘overdracht’ – hetwelk ik tussen aanhalingstekens schrijf nu er niets wordt overgedragen in de zin van art. 3:84, eerste lid, BW (Vide Huijgen 1995a, op. cit., p. 14. Vide ook Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 145), er is hier slechts sprake van een bijzonder soort overeenkomst (Vide Huijgen 1995a, loc. cit.) – van economisch eigendom, Huijgen 1995b. Vide ook Uniken Venema, op. cit., p. 338, alwaar hij opmerkte dat in de aanduiding overdracht van het economisch belang de term ‘overdracht’ in een oneigenlijke betekenis wordt gebruikt, nu er in juridische zin in de door hem bedoelde gevallen er (slechts) sprake is van een ‘contractueel geregelde toerekening’ van bepaalde voor- en nadelen die voortvloeien uit de effecten of goederen. Waar het zijns inziens om gaat, is dat het economisch belang door een transactie als door hem aangeduid bij een ander gaat berusten dan het betrokken eigendomsrecht.
Cf. hof Amsterdam (OK) 7 augustus 2002, JOR 2002/193, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2003/1, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Scheipar); HR 6 juni 2003, NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2003/37, m.nt. P.D. Olden en C.C. Borgart (Scheipar). Hetzelfde geldt – uiteraard – evenzeer voor een economische aandeelhouder niet zijnde een certificaathouder. Vide in dat verband hof Amsterdam (OK) 9 december 1999, JOR 2000/33, Ondernemingsrecht 2000/28, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Sito Distributiecentrum), waarin de Ondernemingskamer overwoog dat nu vaststaat dat de verzoekster de economisch eigendom heeft van 25% van de aandelen in het kapitaal van Sito Distributiecentrum, haar positie daarmee gelijk is te stellen aan die van een houder van certificaten van aandelen. Vide voorts hof Amsterdam (OK) 27 juni 2003, ARO 2003/113, r.o. 3.7 (Johnny Hoes), waarin de Ondernemingskamer niet vermocht in te zien wat, materieel gezien, het verschil is tussen een certificaathouder en een economisch rechthebbende op aandelen.
Huijgen 1995b, op. cit., p. 64.
Huijgen 1995a, op. cit., p. 14; Huijgen 1995b, l.s.c. Het woord ‘contractsoverneming’ is hier ietwat verwarrend, omdat de rechtsverhouding tussen A en B juist niet rechtsgeldig door B kan worden overgedragen aan C vanwege het ontbreken van de vereiste medewerking van A (Vide art. 6:159, eerste lid, BW). In deze situatie zijn er derhalve twee rechtsverhoudingen, namelijk (1) die tussen A en B, en (2) die tussen B en C.
Vide ook Huijgen 1995a, l.s.c.
Huijgen 1995a, op. cit., p. 14-15; Huijgen 1995b, l.s.c.
Huijgen 1995a, l.s.c.
‘JC’ betekent ‘jurdisch certificaathouder’, ‘EC’ betekent ‘economisch certificaathouder’, ‘ovk’ betekent overeenkomst, ‘EB’ betekent ‘economisch belang’ en met ‘rechten’ bedoel ik ‘vorderingsrechten’. Verder zij opgemerkt dat in geval van onvolkomen contractsovername economisch aandeelhouder 1 strikt genomen geen economisch aandeelhouder meer is, aangezien hij zijn economisch belang heeft weggecontracteerd. Bij volkomen contractsovername valt hij, als schakel in de keten, ertussenuit. Overigens ga ik uit van gewone aandelen, en dus niet van aandelen die geen recht geven tot deling in de winst of reserves (Vide art. 2:216, zevende lid, BW alsook art. 2:190 BW en art. 2:195, eerste lid, tweede volzin, BW).
Cf. Tervoort, op. cit., p. 28-31.
In deze paragraaf staat centraal de vraag wat naar mijn mening moet worden verstaan onder een ‘eigen economisch belang’.1 Bewust spreek ik van ‘naar mijn mening’, omdat mij, eerlijk gezegd, nog steeds niet (geheel) duidelijk is wat de Hoge Raad of de Ondernemingskamer daar nu (precies) onder verstaat. Uit hun jurisprudentie maak ik op dat het vorenbedoelde element niet vastomlijnd is; de invulling ervan hangt (overwegend) af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.2 Dit komt echter de rechtszekerheid (bepaald) niet ten goede. Het antwoord op de hiervoor opgeworpen vraag ligt naar mijn gevoelen in het certificaat van aandeel. De vraag is dan ook of de enquêteverzoeker die stelt een eigen economisch belang te hebben, in materieel opzicht kan worden beschouwd als een (doorsnee)certificaathouder.3 Dat is waar het naar mijn idee bij de beantwoording van de gelijkstellingsvraag in het kader van art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW in essentie om draait. Op het hier bedoelde belang zal ik thans inzoomen, die gelijkstelling komt in de volgende paragraaf aan bod.
Hierbij zij het volgende vooropgesteld. Blijkens art. 3:1 BW zijn ‘goederen’ alle zaken (Vide art. 3:2 BW) en alle vermogensrechten (Vide art. 3:6 BW), zoals aandelen. Deze kunnen aan één persoon toebehoren, in geval van ‘zaken’ spreekt men dan van (individueel) ‘eigendom’ (Vide art. 5:1, eerste lid, BW) en in geval van ‘vermogensrechten’ van (individuele) ‘gerechtigdheid’, maar ook aan meerdere personen, in welk geval men van ‘mede-eigendom’, of van ‘gezamenlijk eigendom’ dan wel ‘meervoudig eigendom’, respectievelijk ‘medegerechtigdheid’, of van ‘gezamenlijke gerechtigdheid’ dan wel ‘meervoudige gerechtigdheid’, spreekt. Het toebehoren van goederen aan meer dan één persoon wordt wel aangeduid als ‘goederenrechtelijke pluraliteit’.4 Indien een pakket (certificaten van) aandelen toebehoort aan één persoon in de zin dat hij daartoe exclusief gerechtigd is, dan is er sprake van (een) ‘eenhoofdig aandeelhouder(schap)’. Behoort dat pakket aan meerdere personen toe in de zin dat zij daartoe gezamenlijk gerechtigd zijn, dan is er sprake van (een) ‘meerhoofdig aandeelhouder(schap)’. Zulks geldt mutatis mutandis ook ten aanzien van de houder van een economisch belang.
Volgens de Hoge Raad moet de enquêteverzoekende risicodragende kapitaalverschaffer een ‘eigen’ economisch belang in de te enquêteren vennootschap hebben.5 Maar wat is rechtens als er sprake is van een ‘gezamenlijk’ belang als evenbedoeld? Laten wij eerst kijken naar een verzoek van aandeelhouderszijde. Artikel 2:346, eerste lid, onderdelen b en c, BW spreekt van houders van (certificaten van) aandelen die ‘alleen of gezamenlijk’ procentueel of nominaal de kapitaaldrempel halen. Met ‘gezamenlijk’ wordt kennelijk bedoeld twee of meer eenhoofdige houders van (certificaten van) aandelen. Stel nu dat een tweehoofdig houder van (certificaten van) aandelen over een voldoende groot pakket (certificaten van) aandelen beschikt om een enquêteverzoek te mogen doen en een van de twee medegerechtigden in zijn eentje daartoe overgaat. Naar mijn opvatting stuit dit verzoek dan af, althans in beginsel, op de ontvankelijkheid, nu aan de hoedanigheidseis in het hier bedoelde artikel niet is voldaan: die medegerechtigde is alleen geen aandeel- of certificaathouder; die hoedanigheid vormt hij samen met de andere medegerechtigde. Zulk een benadering geldt mijns inziens mutatis mutandis ook in de situatie waarin sprake is van een gezamenlijk economisch belang Alsdan zullen alle dragers daarvan (meerhoofdig dragerschap) dus moeten verzoeken om een enquête.6
Een tweede vooropstelling betreft het volgende. In zijn Scheipar-beschikking stelde de Hoge Raad voor het kunnen gelijkstellen van een economisch rechthebbende op certificaten van aandelen aan een certificaathouder als bedoeld in – thans – art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c. BW (mede) een zeggenschapseis.7 Met de komst van zijn Butôt-beschikking8 heeft hij die eis (kennelijk) laten vallen.9 Hij is nadien (in ieder geval) niet meer teruggekeerd in zijn beschikkingen inzake TESN, Chinese Workers of Slotervaartziekenhuis.10 Voorts blijkt uit de Scheipar-beschikking dat het niet noodzakelijk is dat tussen de bovenbedoelde rechthebbende en de aandeelhouder een rechtstreekse contractuele band bestaat.11 Een ander punt is hoe de daarin voorkomende woorden ‘[i]ndien aan de economische certificaathouder in zijn verhouding tot [curs. RPJ] de juridische certificaathouder’ moeten worden opgevat.12 Eist de Hoge Raad daarmee een rechtsverhouding tussen de houder van het economisch belang en de (juridische) certificaathouder, zodat in geval van tussenschakels gelijkstelling als hier bedoeld niet geoorloofd is? Ik denk van niet, althans niet zonder meer.13 Men verlieze namelijk niet uit het oog dat het in de beschikking a quo14 slechts ging om een 100%-certificaathouder (i.c. CLL) en twee 50%-houders van het economisch belang bij de gecertificeerde aandelen (i.c. Issaurat (= enquêteverzoeker) en Pich), zonder dat daartussen nog een of meer schakels zaten. De cassatierechter heeft zijn oordeel daarop toegesneden, getuige de woorden ‘economisch rechthebbende op certificaten van aandelen’, ‘economische certificaathouder’ en ‘juridische certificaathouder’.15 Uit zijn beschikking inzake Slotervaartziekenhuis, waarin de Hoge Raad mede verwees naar de Scheipar-beschikking, volgt dat de gelijkstelling aan een houder van (certificaten van) aandelen als bedoeld in art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW scharniert om het hebben van een (gelijk te kunnen stellen) eigen economisch belang van een risicodragend kapitaalverschaffer.16 Tegen deze achtergrond komt het mij voor dat óók ingeval er tussen de houder van dit belang en de juridisch houder van (certificaten van) aandelen géén (rechts)verhouding bestaat vanwege een of meer tussenschakels, gelijkstelling voor de toepassing van voormeld artikel mogelijk is.
Welnu, degene die juridisch kapitaalverschaffer is, zal, zoals gezegd, normaliter tegelijkertijd economisch kapitaalverschaffer zijn. Een uitzondering hierop vormt, onder andere, certificering (tegen contanten).17 In dat geval worden de door de vennootschap uitgegeven aandelen genomen door een, generaliter, stichting administratiekantoor (hierna: STAK),18 welke daartegenover certificaten van aandelen uitgeeft, hetwelk in de regel, althans niet zelden, aldus geschiedt dat tegenover ieder in administratie genomen aandeel een certificaat – met dezelfde nominale waarde als dat aandeel – wordt uitgegeven,19 aan de toekomstige certificaathouders. De van laatstgenoemden voor de certificaten aan de – in beginsel: de STAK – betaalde tegenprestatie zal vervolgens door deze worden aangewend ter storting op de met de certificaten corresponderende aandelen.20 Aldus heeft de STAK formeel-juridisch op de aandelen gestort, maar in economische zin hebben de certificaathouders dat gedaan.21
Een ‘certificaat’ is een afgeleide van een aandeel in de zin dat het in vermogensrechtelijk opzicht een onzelfstandig karakter vertoont, nu het voor wat betreft (i) zijn voortbestaan, (ii) zijn waarde en (iii) de uitkeringen die erop worden gedaan, afhankelijk is van het onderliggende aandeel (lees: het aandeel waarmee het uitgegeven certificaat correspondeert).22 Omdat in economische zin aan de zijde van de STAK een tegenprestatie ter zake van de verworven aandelen ontbreekt, is het gerechtvaardigd dat het economische belang (Vide infra) bij de certificaathouders komt te liggen.23
De rechtsverhouding tussen de STAK en de certificaathouders is gebaseerd op een (wederkerige) overeenkomst,24 waarvan de inhoud pleegt te worden vastgelegd in de – gewoonlijk: eenzijdig door eerstgenoemde opgestelde –25 administratievoorwaarden,26 hetwelk de voorwaarden zijn waaronder de STAK certificaten (van aandelen) uitgeeft27 en waarin de rechten en verplichtingen die de evenbedoelde partijen (ten opzichte van elkaar) hebben, worden vastgelegd,28 welke voorwaarden meestal, los van de verplichting tot het betalen van geld aan de STAK voor de certificaten (Vide supra), voor de certificaathouder alleen maar rechten scheppen.29 Door het nemen van die certificaten treden de certificaathouders tot (de bepalingen van) die voorwaarden, en de eventuele daarin aan te brengen wijzigingen, toe, zijn zij daaraan gebonden, waardoor er een verbintenisrechtelijke relatie tussen hen en de STAK ontstaat.30
Wie aandelen neemt, beschikt over de volle ‘eigendom’31 daarvan. Deze bestaat uit twee componenten, te weten de juridisch eigendom en de economisch eigendom.32 De eerstbedoelde eigendom omvat in dit verband de eerdergenoemde aan een aandeel verbonden zeggenschapsrechten en financiële rechten,33 het recht tot vervreemding34 en tot bezwaring van de aandelen en het recht op de (economische) waarde ervan.35 Die waarde omvat in dit verband (1) alle betalingen die uit hoofde van Boek 2 BW door de vennootschap op de aandelen worden gedaan, men denke aan (a) de uitkering van winst, zo het gaat om gewone aandelen,36 (b) de uitkering van (vrije) reserves, (c) de uitkering van het liquidatiesaldo, indien aanwezig, en (d) de uitkering in geval van kapitaalvermindering met terugbetaling,37 en (2) de betalingen die voor de aandelen worden gedaan, men denke aan (a) de (verkoop)opbrengst in geval van vervreemding en (b) de ontvangen prijs in geval van toepassing van de uitkoop- of geschillenregeling.38 De laatstbedoelde eigendom is het ‘economisch belang’ (bij de (waarde van de) aandelen). Deze ligt in de evenbedoelde waarde.39
Certificering van aandelen brengt de afsplitsing van de economisch ‘eigendom’,40 oftewel het economisch belang,41 van de aandelen van de juridisch ‘eigendom’ daarvan teweeg,42 in welk geval degene die de aandelen heeft genomen, niet langer over de volle ‘eigendom’ daarvan beschikt, maar over de ‘bloot eigendom’,43 waarbij ik mij haast om op te merken dat men de vorenbedoelde (af)splitsing niet letterlijk moet nemen in de zin dat er daardoor twee eigenaars ontstaan; er is er te dezen maar één. De aan de STAK uitgegeven, of overgedragen,44 aandelen vallen in haar vermogen.45 Hiermee wordt bedoeld dat zij in goederenrechtelijke zin de ‘juridisch eigenaar’ van, of, anders gezegd, de ‘juridisch rechthebbende op’ dan wel ‘juridisch gerechtigde tot’, die aandelen is.46 Zij is, kortweg, de ‘juridisch aandeelhouder’. De certificaathouders zijn ‘economisch eigenaar’ van, of, anders gezegd, ‘economisch rechthebbende op’ dan wel ‘economisch gerechtigde tot’, die aandelen.47 Zij zijn, kortweg, de ‘economische aandeelhouders’. Hierin ligt besloten dat zij het economisch belang bij de onderliggende aandelen hebben.48
De STAK verwerft en administreert (beheert) de aandelen ten titel van beheer, waarmee wordt bedoeld dat zij die aandelen – in beginsel: geheel en al (lees: volledig) – voor rekening en risico49 van de certificaathouders houdt. Daarin ligt besloten dat hoewel formeel(-juridisch) aan haar, als juridisch aandeelhouder, de waarde van de door haar in administratie gehouden aandelen toekomt in de zin dat zij alle betalingen op of voor die aandelen opstrijkt, al dan niet, wat dat eerste betreft, door het desnodig en desmogelijk uitoefenen van de aan die aandelen verbonden financiële rechten, is zij op grond van de tussen haar en de certificaathouders vigerende overeenkomst als belichaamd in de administratievoorwaarden (Vide supra) gehouden aan laatstgenoemden, de economische aandeelhouders, een met die waarde overeenstemmend bedrag uit te (doen) keren,50 zodat in economische zin de waarde van de gecertificeerde aandelen aan hen toekomt, waarbij zich voegt dat de waarde die uiteindelijk aan hen toekomt, niet slechts correspondeert met de waarde van de aandelen op het moment van de certificering (lees: de afsplitsing van de economisch eigendom), maar ook dat een eventuele waardestijging of -daling nadien te hunnen voordele of te hunnen nadele komt.51 Hierdoor worden de certificaathouders zoveel mogelijk in de positie van de juridisch aandeelhouder (lees: de STAK) gebracht; zij kunnen de waarde van de gecertificeerde aandelen benutten als ware zij zelf juridisch aandeelhouder.52 Ziedaar de kern van het economisch belang. Kort en goed: de betalingen op of voor de aandelen worden van de vennootschap via de STAK, op grond van een overeenkomst, doorgesluisd naar de certificaathouders. Tweedegenoemde fungeert slechts als doorgeefluik.53
In de regel zal in de administratievoorwaarden zijn bepaald dat de STAK álle uitkeringen54 die op de door haar in administratie (lees: ten titel van beheer) gehouden aandelen worden gedaan, zal innen en onmiddellijk, althans zo spoedig mogelijk, na ontvangst een overeenkomstige uitkering op de certificaten, eventueel onder aftrek van (beheer)kosten,55 betaalbaar zal stellen aan de certificaathouders,56 waarvan zij aan hen mededeling doet, alsmede dat hun vordering tot uitkering daarvan binnen een bepaald tijdsverloop zal vervallen.57 Buitendien kán, doorgaans is het doel van de STAK namelijk beperkt tot het beheren van de aandelen,58 hetgeen in sommige administratievoorwaarden aldus is vormgegeven dat daarin (expliciet) is bepaald dat daarvan is uitgesloten het vervreemden ervan of dat de STAK daartoe, onverminderd hetgeen in haar statuten is bepaald, niet bevoegd is,59 in die voorwaarden zijn bepaald dat de STAK – met toestemming van de van de houder(s) van de daartegenover uitgegeven certificaten – de door haar in administratie gehouden aandelen mag vervreemden, in de zin van verkopen en leveren, aan een derde, e.g. de vennootschap in wier geplaatste kapitaal zij die aandelen houdt, een en ander tegen intrekking van de desbetreffende certificaten en onmiddellijke betaling van de verkoopopbrengst aan die certificaathouder(s).60 Uitgaande van de situatie waarin de STAK haar aandelen níét mag vervreemden, dan beschikken de certificaathouders over het volledige economische belang61 (Vide ook § 7.1.2.3) bij de gecertificeerde aandelen, indien de administratievoorwaarden bepalen dat, kort gezegd, álle betalingen daarop aan hen ten goede komen. Mag zij die aandelen wél vervreemden, dan is er sprake van een belang als evenbedoeld, indien, kort gezegd, niet alleen alle betalingen op, maar ook alle betalingen voor, de gecertificeerde aandelen aan hen ten goede komen. In beide situaties is de, met de hier bedoelde aandelen verband houdende, (waarde van de) geldstroom die bij de STAK binnenkomt, immers gelijk aan de (waarde van de) geldstroom die naar buiten (lees: de certificaathouders) gaat.
Certificaathouders hebben een – toekomstig (en voorwaardelijk) – jegens de STAK uit te oefenen verbintenisrechtelijke aanspraak,62 een vorderingsrecht,63 waarvan de waarde correspondeert met de waarde, eventuele waardeveranderingen daaronder begrepen, van die aandelen.64 Het certificaat van aandeel belichaamt deze (obligatoire) aanspraak,65 dat vorderingsrecht,66 oftewel het economisch belang,67 waarvan de inhoud (nader) wordt bepaald in de administratievoorwaarden.68 Uit dit een en ander volgt dat de certificaathouder een eigen – in de zin van: niet-afgeleid – economisch belang bij de achterliggende aandelen heeft; hij is degene die, uit hoofde van de eerdergenoemde overeenkomst, dat belang jegens de STAK geldend kan maken en het, desnodig, ook in rechte kan afdwingen.
Overigens, certificaten zijn, zoals gezegd, vorderingsrechten,69 althans vermogensrechten,70 (jegens de STAK). Dergelijke rechten zijn, in beginsel, overdraagbaar (Vide art. 3:83 BW).71 Dit impliceert dat de (oorspronkelijke) certificaathouder zijn certificaten – en daarmee zijn economisch belang bij de hier bedoelde aandelen – kan overdragen aan een opvolgend certificaathouder. Wat zich ook laat denken, is dat zij met elkaar een overeenkomst sluiten uit hoofde waarvan eerstgenoemde louter de (volledige) economisch ‘eigendom’ van zijn certificaten aan laatstgenoemde (diegene wordt dan de ‘economisch gerechtigde tot’ dan wel ‘economisch rechthebbende op’ certificaten van aandelen, oftewel de ‘economisch certificaathouder’) ‘overdraagt’72,73ten gevolge waarvan eventuele betalingen op of voor de gecertificeerde aandelen via twee tussenschakels, namelijk de STAK en de juridisch certificaathouder (i.e. de juridisch rechthebbende op de certificaten), omhoog worden gepompt van de vennootschap naar hem, de economisch certificaathouder (i.e. de economisch rechthebbende op de certificaten). Aldus komt de (daarmee corresponderende) waarde van die aandelen uiteindelijk aan hem ten goede. Nu hij te dier zake een uit de zo-even genoemde overeenkomst voortvloeiende obligatoire aanspraak jegens de juridische certificaathouder heeft, is er sprake van een eigen economisch belang (Vide ook § 7.1.2.3). Op een wijze als hierboven bedoeld kan er met dat belang worden geschoven.
Ik borduur nog even op die laatstbedoelde situatie voort. In geval van een juridisch eigenaar en een economisch eigenaar zal laatstgenoemde dat vorderingsrecht jegens eerstgenoemde moeten uitoefenen. Zoals gezegd, kan de economisch eigenaar de economisch eigendom ‘overdragen’ aan een derde of aan een opvolgend economisch eigenaar. Dit kan geschieden langs de weg van contractsoverneming (Vide art. 6:159 BW).74 Als de juridisch eigenaar daar zijn medewerking niet aan heeft verleend, dan blijft de eerste economische eigenaar zelf jegens hem gebonden (zogenoemde onvolkomen contractsoverneming75) en zal de tweede economisch eigenaar het vorderingsrecht jegens de eerste economisch eigenaar moeten uitoefenen.76 Ingeval de juridisch eigenaar zijn medewerking wél verleent door het, al dan niet bij voorbaat, geven van toestemming tot zo’n contractsoverneming en de eerste economisch eigenaar aldus wordt ontslagen van al zijn verplichtingen (zogenoemde volkomen contractsoverneming),77 dan valt laatstbedoelde er als het ware geheel tussenuit78 en zal de tweede economisch eigenaar het vorderingsrecht jegens de juridisch eigenaar moeten uitoefenen.
Geschematiseerd79 kan het vorenstaande – in essentie – aldus worden weergegeven:
Volle eigendom (na overdracht: bloot eigendom)80