Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.7.5
6.7.5 Een 403-verklaring is geen borgstelling volgens de Hoge Raad
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648786:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 31 juli 2001, JOR 2001/170.
Zie onder meer Faber in zijn noot bij Hof ’s-Gravenhage 6 februari 2007, JOR 2007/103 en Biemans 2011.
Zie HR 28 juni 2002, NJ 2002, 447, r.o. 3.4.6.
Zie onder meer Biemans 2011, hoofdstuk 5 Verhaal en voorrang, par. 5.6.1. Twee of meer vorderingen en de daar aangehaalde literatuur. Biemans schrijft daar onder meer: “Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, en is de prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van de schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij hoofdelijk verbonden (art. 6:6 BW). De schuldeiser heeft tegenover ieder van de hoofdelijk verbonden schuldenaren voor het geheel een recht op nakoming (art. 6:7 lid 1 BW). Uit de wet volgt niet of in een dergelijk geval een vordering bestaat met twee of meer schuldenaren of dat twee of meer vorderingen bestaan met even zoveel schuldenaren. Het laatste ligt het meeste voor de hand: hoewel de schuldenaren dezelfde prestatie verschuldigd zijn, kunnen tussen de vorderingen namelijk verschillen bestaan met betrekking tot voorwaardelijkheid, opeisbaarheid, voorrang, plaats van betaling, verweermiddelen, bevrijdende verjaring, verzuim en schadeplichtigheid en schuldoverneming. De schuldeiser kan bovendien over ieder van de vorderingen afzonderlijk beschikken, bijvoorbeeld door afzonderlijke overdracht, afzonderlijke bezwaring of door afzonderlijke afstand om baat of om niet.”
Naast de mogelijkheid om een 403-vordering te kwalificeren als nevenrecht of als afhankelijk recht is ook geprobeerd om de 403-vordering te kwalificeren als borgtocht. Zie de beschikking van de Ondernemingskamer inzake Akzo Nobel/ING van 31 juli 2001.1 In de literatuur is dit ook geopperd.2 In dat geval zouden de hoofdvordering en de mogelijkheid om de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd aan te spreken op basis van een 403-verklaring ook bij elkaar blijven. Bij borgtocht bestaan niet twee afzonderlijke vorderingsrechten (en dus ontstaat er geen 403-vordering) zodat de kwalificatie van de 403-vordering geen vraagstuk meer zou zijn.
Maar ook door de kwalificatie als borgtocht heeft de Hoge Raad een duidelijke streep gezet. De Hoge Raad heeft zeer duidelijk aangegeven dat de 403-vordering niet op één lijn worden gesteld met borgtocht:3
“3.4.6 Uit het voorafgaande volgt dat ook het oordeel van de Ondernemingskamer dat Akzo Nobel in een positie is komen te verkeren “als had zij zich ten behoeve van de dochter (...) jegens de contractant tot borg gesteld”, geen stand kan houden. Voor zover de Ondernemingskamer dit oordeel heeft gebaseerd op een uitleg van de door Akzo Nobel afgelegde verklaring, is haar oordeel in het licht van de bewoordingen ervan die niets omtrent borgtocht inhouden, onbegrijpelijk. Voor zover de Ondernemingskamer dit oordeel heeft gebaseerd op de strekking van art. 2:403, berust haar oordeel op een onjuiste rechtsopvatting, nu hoofdelijke aansprakelijkheid, ook in het kader van deze bepaling, niet op één lijn gesteld kan worden met borgtocht.”
Dat de Hoge Raad tot deze conclusie is gekomen, is verklaarbaar als wordt aangenomen dat de aansprakelijkheid die met een 403-vordering wordt gecreëerd inderdaad als hoofdelijke aansprakelijkheid kwalificeert. De lijn die de Hoge Raad vervolgens hanteert, is inderdaad in lijn met hoe binnen het Nederlands recht met de rechtsfiguur hoofdelijke aansprakelijkheid wordt omgegaan. Hoofdelijke aansprakelijkheid leidt tot meerdere zelfstandige vorderingsrechten; evenveel zelfstandige vorderingsrechten als schuldeisers. Hier wordt wel kritisch over gedacht, temeer omdat de wet niet duidelijk aangeeft dat er bij hoofdelijke aansprakelijkheid meerdere vorderingsrechten bestaan.
Een schuldeiser die een vordering heeft op een vrijgestelde rechtspersoon heeft dus meerdere zelfstandige vorderingsrechten. Er bestaat een zelfstandig vorderingsrecht ten aanzien van iedere schuldenaar; ten aanzien van de rechtspersoon die de 403-verklaring heef afgegeven en ten aanzien van de vrijgestelde rechtspersoon.4 De enige koppeling die tussen de verschillende zelfstandige vorderingsrechten bestaat, is de koppeling van artikel 6:7 lid 2 BW inhoudende dat nakoming door een schuldenaar ook de andere schuldenaren bevrijdt tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt, wanneer de schuld wordt gedelgd door inbetalinggeving of verrekening, alsmede wanneer de rechter na verzuim van de schuldeiser heeft uitgesproken dat een schuldenaar van de verplichting, voortvloeiend uit de verschuldigde verplichting, is bevrijd. Maar wanneer de schuldeiser bijvoorbeeld afstand doet van zijn vordering op de vrijgestelde rechtspersoon, dan behoudt hij in beginsel de vordering op de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde. Deze zelfstandige status van de 403-vordering wordt niet door iedereen omarmd. In tegendeel.