Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/5.4.5:5.4.5 De bedding- en limiteringstheorie
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/5.4.5
5.4.5 De bedding- en limiteringstheorie
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS592115:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ophof, NJB 1983, p. 1192-1194, p. 1194.
Ophof, NJB 1983, p. 1192-1194, p. 1194; Oostwouder 1996, p. 362-366; Olaerts, TvOB 2009a,p. 74-84, p. 76-77.
Commissie vennootschapsrecht 1987, p. 5; Ophof 1990a, p. 81-82; Oostwouder 1996, p. 363- 364; Olaerts, TvOB 2009a, p. 74-84, p. 77.
Winter 1992, p. 137-139; Oostwouder 1996, p. 365; Olaerts, TvOB 2009a, p. 74-84, p. 77-78.
Oostwouder 1996, p. 365; Olaerts, TvOB 2009a, p. 74-84, p. 77-78.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kern van de beddingtheorie1 is dat concernvennootschappen in ruil voor krediet, zekerheden verschaffen aan de moedervennootschap in plaats van aan de bank. De zekerheden mogen door de moedervennootschap worden gebruikt als zekerheid voor door de bank aan de moedervennootschap verleende kredieten. Ook kan de moedervennootschap haar aandelen in haar concernvennootschappen verpanden aan de bank en haar vorderingen op de concernvennootschappen cederen aan de bank. Het gevolg is dat de zekerheden alleen worden gebruikt voor het secureren van de eigen schulden in plaats van voor de gehele concernschuld. Hierdoor is er geen hoofdelijke aansprakelijkheid en zijn er dus ook geen regresaanspraken. Ook waakt deze constructie tegen overfinanciering.2
Echter, de beddingtheorie heeft bezwaren die ertoe hebben geleid dat de theorie weinig gevolg krijgt in de praktijk. Zo wordt de aanwezige kredietruimte in het concern niet optimaal benut. Neem de situatie waarbij een concernvennootschap die veel zekerheid kan stellen, een kleine financieringsbehoefte heeft. Veel van de potentiële zekerheden van deze concernvennootschap worden niet ingezet voor het verkrijgen van meer krediet. Daarnaast is het voor banken lastig om bij gebruik van de beddingtheorie inzicht te krijgen in de stroom die het ter beschikking gestelde krediet volgt in het concern. Daarom is het moeilijk om de verkregen zekerheden op waarde te schatten, want de moeder zou het krediet kunnen gebruiken om niet solvabele concernvennootschappen te financieren.3 Zoals eerder ook aangegeven is dit voor banken een belangrijke reden om hoofdelijke aansprakelijkheid te verlangen van de concernvennootschappen.
In tegenstelling tot de beddingtheorie stellen concernvennootschappen zich bij de limiteringstheorie wel hoofdelijk aansprakelijk voor de concernschuld. Echter, de aansprakelijkheid is gelimiteerd tot de draagkracht van de betreffende concernvennootschap. De theorie probeert op deze wijze de nadelen van de beddingtheorie te verzachten. De bank heeft een minder groot belang om precies te weten hoe de kredietstroom in het concern loopt. Immers, ieder van de concernvennootschappen is aan te spreken voor de totale concernschuld. Tevens is het potentiële concernkrediet hoger dan bij de beddingtheorie, maar lager dan bij volledige hoofdelijke aansprakelijkheid. Op de limiteringstheorie is kritiek gekomen. Zo kan de omvang van de draagkracht van een concernvennootschap moeilijk te bepalen zijn. Ook is niet helder op welk moment de maximale draagkracht moet worden bepaald. Bovendien blijft de tweede regresfase ongedekt. De hoofdelijke aansprakelijkheid blijft namelijk bestaan en juist de dreiging van een omslag maakt de problematiek bij tijd en wijle brisant.4 In de literatuur zijn varianten op de limiteringstheorie beschreven, echter ook deze varianten zijn niet afdoende en leveren in de praktijk te veel onvolkomenheden op.5