Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/22.3
22.3 De verbinding tussen adequate marktwerking en tijdige naleving van de publicatieverplichtingen: publiekrechtelijk zwaartepunt
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS575528:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat publiekrechtelijk toezicht er met name aan moet bijdragen dat aan deze derde deeldoelstelling van het bevorderen van de adequate werking wordt voldaan, komt bijvb. naar voren in overweging 1 bij de Transparantierichtlijn: '[d]e openbaarmaking van accurate, alomvattende en tijdige informatie over effectenuitgevende instellingen wekt een duurzaam vertrouwen bij beleggers (...) (cursv. J.B.S.H.'
Op grond van art. 2:394, lid 7 BW. De vordering tot nakoming van tijdige openbaarmaking van de jaarrekening moet worden ingesteld bij de rechtbank in het arrondissement waarbinnen zich de statutaire woonplaats van de rechtspersoon bevindt. Zie over deze procedure: Beckman (1997), p. 150-152, p. 158-161 en p. 164-166 en B.J. de Jong/Nieuwe Weme (2006), p. 110 e.v. Niet tijdige openbaarmaking van de jaarrekening kan daarnaast tot aansprakelijkheid voor bestuurders in faillissement leiden. Hierover o.m. Wezeman (2006). Zijn standpunt dat deze sanctie te draconisch is, deel ik.
Vgl. B.J. de Jong/Nieuwe Weme (2006), p. 82 e.v. Vergeleken met het nalevingspercentage van de openbaarmakingsverplichting in de wet- en regelgeving van andere lidstaten door vennootschappen uit die lidstaten is het nalevingspercentage in Nederland zelfs nog relatief hoog. In die zin ook de regering in de antwoorden op Kamervragen die naar aanleiding van dit onderzoek gesteld zijn (Aanhangsel van Handelingen TIC, 2008/2009, 3263, p. 6887-6889).
Ik beschik niet over empirische gegevens. Exemplarisch is wel dat ook in jaarrekening-procedures — wanneer derhalve de OK wordt verzocht zich uit te spreken over de juiste toepassing van de verslaggevingvoorschriften — niet uitzonderlijk is dat blijkt dat de jaarrekening waarop het verzoek ziet, niet tijdig blijkt te zijn vastgesteld. Een voorbeeld daarvan is te vinden in OK 3 juni 2009 inzake Remko Hem Holding / Bouwbedrijf Sijm. De Koning en Howa Bouwgroep (JOR 2009/224, m.nt. J.B.S. Hijink, zie onderdeel 4 van mijn annotatie).
Er bestaan mijn inziens goede redenen om ook de 'openbaarmakingsvordering' als een verzoekschriftprocedure vorm te geven en daarvoor de OK als de ontvankelijke rechterlijke instantie aan te wijzen. Dit verhoogt de kans dat eenheid van uitleg over het begrip 'belanghebbende' ontstaat en kan een aantal van de door Beckman (1997), p. 158-161 genoemde onduidelijkheden wegnemen.
Dat de afbakening tussen beide procedures onduidelijk is, kwam ook naar voren in de beschikking van de OK inzake Spyker Cars N.V. Door de AFM waren in die procedure ook bezwaren tegen de vaststelling en (wijze van) openbaarmaking van de jaarrekening door Spyker Cars N.V. opgeworpen. De OK verwerpt deze, in to. 3.59, omdat deze niet als zodanig in die (jaarrekening)procedure aan de orde (kunnen) zijn.
Vgl. Aanhangsel van Handelingen TK, 2008/2009, 3263, p. 6888. Zie hierover ook Van Geffen (2009).
Aanhangsel van Handelingen TIC, 2008/2009, 3263, p. 6889.
Over de keuze voor publiekrechtelijke vormgegeven toezicht op de tijdige naleving van de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen — waaronder de publicatie van jaarlijkse financiële verslaggeving — lijkt weinig discussie te bestaan. Vanuit het oogpunt dat één van de doelstellingen van de jaarlijkse financiële verslaggeving van beursvennootschappen het leveren van een bijdrage aan de adequate werking van de effectenmarkt is, is daarvoor ook veel te zeggen. Om haar rol in het prijsvormingsproces te vervullen, om mogelijk te maken dat de effectenmarkt zijn disciplinerende werking vervult en — met name — om het vertrouwen van investeerders in de adequate werking van de effectenmarkt te versterken, ligt publiekrechtelijke vormgegeven toezicht op de tijdige naleving van deze verplichtingen in de rede.1
Een argument dat investeerders zelf onvoldoende in dergelijk toezicht zullen of kunnen of willen — voorzien, kan worden ontleend aan niet goed functionerend toezicht op de naleving van de verplichting tijdig de jaarrekening openbaar te maken door niet-beursvennootschappen. Belanghebbenden die menen dat Nederlandse niet-beursvennootschappen, en overigens ook beursvennootschappen, niet tijdig hun jaarrekening en de daaraan toe te voegen gegevens door nederlegging bij het handelsregister openbaar hebben gemaakt, kunnen nakoming van die verplichting vorderen.2 Uit empirisch onderzoek blijkt dat ten minste 30% van de Nederlandse (niet-beurs) vennootschappen de verplichting tot openbaarmaking niet tijdig naleeft.3 Mijn indruk is dat, desondanks, door belanghebbenden relatief weinig vorderingen tot openbaarmaking worden ingesteld.4 Een reden daarvoor kan zijn dat de huidige vormgeving van de "openbaarmakingsvordering", en het uiteenlopen van die rechtsgang met de jaarrekeningprocedure bij de OK5, tot gevolg heeft dat zodanige (processuele) drempels bestaan voor belanghebbenden dat civielrechtelijke handhaving van de openbaarmakingsplicht achterwege blijft.6 Een andere reden daarvoor kan zijn dat belanghebbenden geen prikkels bestaan om tot handhaving van die verplichting over te gaan. Gezien de reactie van de regering op de uitkomsten van het genoemde onderzoek, lijkt in ieder geval zij van mening dat die prikkel bij dergelijke belanghebbenden verondersteld moet (en kan) worden: "[h]et publiceren van de jaarrekening is bedoeld om derden te informeren over de financiële positie van de onderneming. Investeerders, banken en leveranciers willen weten of de onderneming financieel gezond is alvorens er een zakelijke relatie mee aan te gaan. In het algemeen is het aan de genoemde belanghebbenden, en in het bijzonder de aandeelhouders, om te oordelen over het niet c.q. te laat publiceren en de rechtspersoon hierop aan te spreken."7
In het feit dat belanghebbenden, in het bijzonder aandeelhouders, in de praktijk nalaten om (niet-beurs)vennootschappen aan te spreken op het niet tijdig publiceren van de jaarrekening, ziet de regering onvoldoende reden om publiekrechtelijk toezicht op de naleving van die verplichting in te voeren. In reactie op de vraag of mogelijkheden worden gezien voor invoering van publiekrechtelijk toezicht door de AFM wordt opgemerkt dat dit "[v]oor niet-beursvennootschappen (...) niet het geval [is] en (...) dit ook niet voor de hand [ligt]. Het toezicht van de AFM komt namelijk voort uit de doelstelling de kwaliteit en de verspreiding van informatie over beursvennootschappen ten behoeve van hun (potentiële) beleggers te bevorderen."8Mijn inziens brengt de regering hiermee tot uitdrukking dat het wel publiekrechtelijk handhaven van de tijdige naleving van publicatieverplichtingen door beursvennootschappen met name beoogt bij te dragen aan de adequate werking van de effectenmarkt. Deze zienswijze is vanuit effectiviteit en (kosten)efficiëntie naar mijn mening goed te verdedigen.