Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/22.6
22.6 De houdbaarheid van het model
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS580267:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in deze bewoordingen ook p. 5 van het Rapport van de Monitoring Commissie Corporate Govemance (2008). Daaraan voegde de Monitoring Commissie toe dat: ' met betrekking tot de naleving van de Code een stabilisatiepunt [is] bereikt. De naleving van de Code door beursvennootschappen bedroeg over 2007 95% evenals over 2006.'
Daarmee betoog ik niet dat geen ruimte voor verbetering van het toezicht op de naleving van de corporate govemance code door Nederlandse beursvennootschappen zou bestaan. Die is er zeker, en betreft met name een te mechanische toepassing en toetsing van de code door (bestuurders en aandeelhouders van) beursvennootschappen. Dit leidt tot het risico dat naleving van de corporate govemance code verwordt tot 'box ticking'. Hierover ook Jaap Winter (2010)). Juist het risico van 'box ticking' wordt echter niet weggenomen — en lijkt zelfs te worden vergroot — indien het publiekrechtelijke toezicht op naleving van de code wordt versterkt, zoals uit de Study on Monitoring and Enforcement of Corporate Govemance (2009) kan worden afgeleid.
Ik verwijs naar mijn opmerkingen hieromtrent in Hijink (2009d) en in onderdeel 10 tot en met 15 van mijn annotatie onder OK 15 september 2009 (Silver Lining/Perstorp Franldin), JOR 2009/320.
Zie ook de opmerkingen hierover van P.M. van der Zanden in onderdeel Ivan zijn annotatie onder OK 28 december 2007 inzake AFM/Spyker Cars N.V. (JOR 2008/38).
In die zin de motie van het PvdA-kamerlid Douma bij de behandeling van de Wet aanpassing structuurregeling (Kamerstukken II, 2002/2003, 28 179, nr. 50).
In die zin CDA-kamerlid De Nerée tot Babberich bij de Algemene financiële beschouwingen naar aanleiding van de Miljoenennota 2006 (Handelingen TK van 5 oktober 2005, 8, p. 408).
Bij de behandeling van de Transparantierichtlijn (Handelingen TK van 24 juni 2008, 100, p. 7097).
Vgl. de in voetnoot 39 genoemde vraag.
Nu — ook — het nalevingspercentage van de Nederlandse corporate governance code door Nederlandse beursvennootschappen door de jaren heen als relatief hoog kan worden beschouwe1, bestaan mijns inziens geen redenen om de wijze waarop in Nederland het AFM-toezicht op de naleving van de Nederlandse corporate governance code is vormgegeven aan te passen.2 Ik meen dat in Nederland als gevolg van de Wtfv, voor wat betreft de betrokkenheid van de publiekrechtelijke toezichthouder bij het toezicht op de naleving van de jaarlijkse financiële verslaggeving — waaronder de toepassing van de corporate governance code — door Nederlandse beursvennootschappen een adequaat model staat.
Een andere vraag is of het model op termijn houdbaar zal blijken te zijn. Verschillende omgevingsfactoren spelen hierbij een rol. Zo zal de houdbaarheidstermijn van het model vrij snel verstreken zijn, indien de AFM — na de teleurstellende uitkomst van de jaarrekeningprocedure inzake Spyker Cars B.V. — het indienen van verzoeken tot herziening van de jaarlijkse financiële verslaggeving achterwege zal laten. Mocht zij daar op goede gronden (weer) toe overgaan, dan zal voor de houdbaarheid van het model medebepalend zijn op welke wijze de OK invulling geeft aan haar "beleidvrijheid" om verzoeken tot herziening van de financiële verslaggeving van beursvennootschappen in te willigen.3
Een andere omgevingsfactor is het Europese "level playing field".4 Weliswaar ontbreekt tot op heden een geharmoniseerd Europees kader voor het kunnen afdwingen van een uniforme uitleg en handhaving van de door de Europese Commissie "goedgekeurde" IFRS ontbreekt. Of de Europese institutionele basis hiervoor op korte termijn zal worden verbreed, welke rol daarbij aan de Europese effectentoezichthouder ESMA zal worden toegekend en in welke richting de Europese regelgeving zich zal ontwikkelen laat zich moeilijk voorspellen.
Een omgevingsfactor die zo mogelijk nog minder voorspelbaar is, is — ten slotte — de snelheid waarmee opvattingen in het Nederlandse parlement wisselen. In een volksvertegenwoordiging waarin in een tijdsbestek van luttele jaren een motie wordt ingediend (en ingetrokken) waarin wordt voorgesteld dat de AFM moet worden belast met het toetsen van de integriteit van alle bestuurders van beursvennootschappen5, waarin diezelfde toezichthouder wordt vergeleken met "zelfrijzend bakmeel" die zou moeten inklinken6 en waarin (bijna) Kamerbreed een motie wordt aangenomen met het verzoek aan de regering om alle "nationale koppen" uit de wetsvoorstellen te halen7, is het niet verbazingwekkend dat ook zo nu en dan (opnieuw) de vraag rijst of het toezicht van de AFM op de naleving van de Nederlandse corporate governance code anders moet worden ingericht.8 Hoe lang het door de Wtfv geïntroduceerde model van toezicht en handhaving houdbaar zal blijken te zijn, is hierdoor een vraag waarop het antwoord hoogst onvoorspelbaar is.