Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.4.2.2
4.4.2.2 Ratio en motivering
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661217:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
In zijn conclusie bij BNB 1978/135 overwoog A-G Van Soest dat een afwijking van de wet in de onderliggende casus kon worden gebaseerd op art. 63 AWR (hardheidsclausule). De Hoge Raad heeft dat advies niet gevolgd, maar een ruimere regel getroffen. Volgens de literatuur heeft de Hoge Raad een breder toepasbare benadering willen scheppen dan alleen voor de gevallen die ten grondslag lagen aan de Doorbraakarresten (zie Tuk bij BNB 1978/135 en Gorissen 2008, p. 65).
Happé 2005, par. 4.1.
Scheltema in NJ 1979, 533 punt 7.
Niessen 2012, par. 5.11 en 5.1-5.6. Zie ook Van Soest 1958, p. 12, 22; Gorissen 2008, par. 2.8.2.
Scheltema in NJ 1979, 533, punt 7. Vgl. Douma 2021, p. 280 (par. 6.1.5).
In communicatief opzicht wordt de Belastingdienst bij beleidsregels zelf (relatief meer) de ‘bron’ van informatie in de uiting (paragraaf 6.4).
Vgl. Smit 1984a, bij ‘Beschouwing’; Niessen 2012 par. 5.11.
Zie HR 9 april 2020, nr. 19/03791, BNB 2021/95.
Het gewekte vertrouwen is door de Hoge Raad sterk geobjectiveerd (bijv. een belastingplichtige kan zich ook achteraf beroepen op een beleidsregel en hoeft er dus niet daadwerkelijk op te hebben vertrouwd). Volgens bijv. Scheltema in NJ 1979, 533, punt 4 betekent de koers van de Hoge Raad bij beleid dat het vertrouwensbeginsel hier leidt ‘tot toekenning van een voordeel in strijd met de wet op grond van vertrouwen dat niet werkelijk bij de belastingplichtige bestaan behoeft te hebben.’
Waarom maakt de Hoge Raad bij beleid de keuze voor de hoofdregel ja, mits? In de Doorbraakarresten motiveert de Hoge Raad de voorrang van het vertrouwensbeginsel als volgt:
‘dat immers de voor de belastingdienst jegens de volksvertegenwoordiging verantwoordelijke bewindslieden bevoegd zijn om, desgeraden, in door de wetgever niet voorziene of althans in de wet niet specifiek geregelde gevallen – bij voorbeeld ter wille van de eenvormigheid van uitlegging of toepassing van de belastingwetgeving, ter bevordering van haar praktische uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid, om een aan de wet ten grondslag liggend beginsel beter tot zijn recht te doen komen dan in de bewoordingen van de wet is geschied, dan wel ter tegemoetkoming aan onbillijkheden van overwegende aard – nadere regelen te geven en zij van die bevoegdheid in ruime mate gebruik plegen te maken’.1
De reden is dus dat de Belastingdienst bevoegd is om in bepaalde gevallen beleid te maken en dat – om diverse redenen – in ruime mate doet. Tegen deze context acht de Hoge Raad het terecht dat burgers zich mogen verlaten op beleidsregels, zelfs in gevallen waarin het de Belastingdienst aan beleidsvrijheid ontbreekt.2 Overigens staat in het belastingrecht toepassing van het vertrouwensbeginsel bij (contra legem) beleidsregels niet ter discussie.3
In de fiscale literatuur worden diverse (samenhangende) argumenten gegeven ter onderbouwing bij de koers om de Belastingdienst te binden aan zijn beleidsregels.
Relatief minder terughoudendheid met contra legem-toepassing.
Volgens Scheltema moet de keuze van de Hoge Raad in de context van het belastingrecht worden bezien.4 Vanwege de afwezigheid van (directe) derdenbelangen stuit contra legem-toepassing van het vertrouwensbeginsel op relatief minder bezwaren dan in het algemene bestuursrecht (4.2). Hoewel dit bij voorlichting niet principieel anders ligt, is de belastingrechter daarmee bij (slechts) voorlichting terughoudender (paragraaf 4.3.1). Niessen betoogt dat ‘de argumentatie’ voor deze keuze van de Hoge Raad vermoedelijk moet worden gezocht in de ‘brede consensus’ in de literatuur over de ruime bevoegdheden van de Belastingdienst (zoals om beleid te maken) en de bescherming tegen willekeur bij de toepassing daarvan.5
Noodzaak van beleid vanwege complexiteit van het belastingrecht
Scheltema plaatst deze keuze van de Hoge Raad bovendien ‘in het licht van de grote ingewikkeldheid die de belastingwetgeving heeft gekregen.’6 Volgens Scheltema is het ‘goed dat de Hoge Raad de belastingplichtige die daarin de weg kwijt dreigt te raken, tegemoet komt, en niet onder alle omstandigheden de wet laat prevaleren.’ Mijns inziens raakt dit argument aan de functie van beleid: de complexiteit van het belastingrecht brengt mee dat de Belastingdienst interpretaties moet maken en standpunten moet innemen (rechtseenheid, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid). Dan ligt het voor de hand de Belastingdienst daar ook aan te mogen houden.7 Overigens geldt ook bij voorlichting dat juist de complexiteit voorlichting noodzakelijk maakt, wel dienen zij een ander doel (instructie aan inspecteur of informatie aan burger).
Bindingsbedoeling
Anders dan bij voorlichting, is bij beleidsregels doorgaans sprake van een bindingsbedoeling.8 Immers, beleid wordt geformuleerd zodat inspecteurs zich daaraan houden (‘zelfbinding’). Daaraan doet de Hoge Raad recht met de hoofdregel van gebondenheid. Overigens merk ik op dat in de jurisprudentie opvalt dat ook niet als beleid bedoelde beleidsregels als zodanig worden aangemerkt, zoals gedragslijnen die via een WOB-verzoek worden gepubliceerd.9 In dat opzicht gaat het dus niet zozeer enkel om de werkelijke bedoeling van de Belastingdienst, maar om de indruk die belastingplichtigen daarvan mogen hebben.
Tot slot valt op dat de Hoge Raad bij beleidsregels – anders dan bij voorlichting – het vertrouwensbeginsel niet benadert als risicoverdelingsvraagstuk. Het gaat volgens de Hoge Raad dus niet zozeer om de vraag voor wiens rekening het risico moet komen van een onjuiste beleidsregel, maar om een vraagstuk van gewekt vertrouwen (‘indien een belastingplichtige zodanig vertrouwen heeft mogen ontlenen’).10