Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.2.4
2.2.4 Beraming in groepsverband
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715536:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wel moet daarbij de nadruk liggen op het gedrag van individuele deelnemers. Wil het liberale daadstrafrechtbeginsel ook gedragingen van organisaties als zodanig omvatten, dan moet het gedragingsbegrip abstracter worden benaderd en moet het causale uitgangspunt verder worden opgerekt en ook handelen (of nalaten) via derden omvatten (De Hullu 2021, p. 151 en 153).
Zie bijvoorbeeld: HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225, r.o. 5.3. Zie ook: Rutgers 1992, p. 159; Corstens 1990, par. 6.5.
Ashworth & Zedner 2014, p. 100.
Corstens 1990, par. 6.5.
Kamerstukken II 1984/85, 17476, nr. 5, p. 7. Rutgers 1992, p. 160.
Rutgers 1992, p. 160. De wetgever heeft daar zelf ook wel enige beperkingen op aan willen brengen. Zo is het enkele bijwonen van een vergadering niet voldoende; er moet wel een actieve bijdrage worden geleverd (Kamerstukken II 1984/85, 17476, nr. 5, p. 7). Zie ook: Rutgers 1992, p. 160.
Passieve deelname is naar Belgisch strafrecht overigens wel strafbaar (Verbruggen 2004, p. 177).
Vgl. Rutgers 1992, p. 160.
Ten Voorde 2012b, p. 75; Keulen 2009b, p. 1900. Op eenvoudige mishandeling (artikel 300 Sr) staat maximaal drie jaar gevangenisstraf, zodat het minimum van acht jaar voor de toepasselijkheid van voorbereiding (artikel 46 Sr) niet wordt gehaald.
Ten Voorde 2012b, p. 75.
Zie ook: Ashworth & Horder 2013, p. 470. In vergelijkbare zin hebben andere auteurs wel opgemerkt dat de gevolgen ‘onberekenbaar’ worden als meerdere personen samenwerken (Rutgers 1992, p. 119-120; Remmelink 1981, p. 227). Vgl. ook: Alexander & Ferzan 2012, p. 642.
HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769.
Ten overvloede merk ik op dat dit voorbeeld slechts dient ter illustratie van de hiervoor geschetste redenering met betrekking tot gevallen waarin de verdachte de controle over de causale keten uit handen geeft. Een liberaal zou uiteraard de nodige bezwaren hebben tegen de strafbaarheid van poging tot het voorhanden hebben van vuurwapens, omdat een dergelijk delict nog veel te ver van een voltooid strafbaar feit afstaat. Het enkele voorhanden hebben van een vuurwapen is op zichzelf immers reeds een voorfasedelict en bezit is eigenlijk geen gedraging. Bovendien moest de verdachte in casu nog wel een betaling doen voordat hij het vuurwapen daadwerkelijk voor handen zou krijgen. Wat dat betreft zou een liberaal zich meer thuisvoelen bij de contraire conclusie van A-G Spronken (Concl. A-G T.N.B.M. Spronken, ECLI:NL:PHR:2015:1769, bij HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, par. 10).
Vgl. Jakobs 1985, p. 766-767.
Wat de leden van de twee groepen precies zullen doen als ze tegenover elkaar staan, is immers grotendeels uit handen van de organisatoren. Zoals Heinrich terecht opmerkt bestaat het verschil tussen abstracte gevaarzettingsdelicten en voorbereidingshandelingen er daarnaast uit dat bij abstracte gevaarzetting het gevaar zonder nadere handeling van de dader in kan treden, terwijl bij voorbereidingshandelingen altijd nog een vervolghandeling van de dader nodig is (Heinrich 2009, p. 124-125).
Bij poging tot uitlokking vormt de gedraging van de dader in zekere zin een veel belangrijkere causale schakel; zonder hem was de derde immers niet aan het delict begonnen. Bij medeplegen en medeplichtigheid bestond de causale keten daarentegen in belangrijke mate reeds voordat de dader bij het delict werd betrokken.
Remmelink 1981, p. 226 en voetnoot 10. Artikel 124 (oud) Wetboek van Militair Strafrecht luidde: “Wanneer vijf of meer militairen samenrotten om in vereeniging hun plicht te verzaken, worden zij, indien het tot een enige feitelijkheid of bedreiging daarmede gekomen is […]”. Zie ook: Kamerstukken II 1980/81, 16813, nr. 3, p. 9.
Ook de grote rol die samenwerking met derden in de voorfase speelt, is tot op zekere hoogte te verklaren vanuit liberaal perspectief.1 Bij deelname aan een criminele organisatie bestaat de gedraging in wezen uit twee delen: enerzijds het lidmaatschap van de organisatie als zodanig en anderzijds het verrichten van handelingen die het criminele oogmerk van de organisatie verwezenlijken.2 De eerste ‘gedraging’ is passief, draagt daarom ook niet bij aan de voorzienbaarheid van schadelijke gevolgen en komt eigenlijk op het hebben van een bepaalde status neer (daarover §2.2.8).3 De tweede gedraging is de eigenlijke gedraging waar het vanuit liberaal oogpunt om moet draaien. Dat is immers de gedraging die een causaal verband creëert.4 Anders dan de wetgever stelt, moet de bijdrage van de deelnemer dan wel zijn gericht op het voltooide delict en niet enkel op het oprichten of in stand houden van de organisatie als zodanig.5 Anders gaat het immers om onschuldige, onopvallende gedragingen die nog te ver van schadelijke gevolgen zijn verwijderd en die niet bijdragen aan het voorzienbaar maken van dergelijke gevolgen.6 In het verlengde daarvan zijn ook deelnemingshandelingen die enkel bestaan uit een nalaten problematisch, omdat ook dan het causale verband zwakker is.7 Welke gedragingen in een voldoende sterk causaal verband staan met de verwezenlijking van het oogmerk, zal tot slot ook afhangen van het beoogde delict. Zo zal het bijhouden van de boekhouding van een organisatie doorgaans te ver van het grondfeit af staan, maar dat is mogelijk anders als het beoogde misdrijf bijvoorbeeld het plegen van fraude is.8
Bij gedragingen in groepsverband speelt overigens nog een tweede probleem, dat te maken heeft met de verwijtbaarheid. Het gaat dan om het gebrek aan controle dat de verdachte heeft over de causale keten. Keulen en Ten Voorde vragen zich bijvoorbeeld af waarom het niet strafbaar is om een stok voorhanden te hebben die is bestemd voor een mishandeling, terwijl het op grond van artikel 141a Sr wel strafbaar is om diezelfde stok met datzelfde doel aan een derde te verschaffen.9 Ten Voorde verklaart dat verschil door te wijzen op de rol van de derde.10 Met het leveren van het middel geeft de dader vrijwillig de controle over de gang van zaken uit handen: of het gevolg in zal treden, is niet langer van hem afhankelijk, maar van de derde.11 Als de dader daarentegen zelf de mishandeling voorbereidt, behoudt hij de controle over het verdere verloop van de causale keten. Iets vergelijkbaars speelt in een – verder ongerelateerd – arrest waarin een verdachte zonder vergunning een wapen probeerde te kopen en werd vervolgd voor poging tot het voorhanden hebben van een vuurwapen.12 Ook daarbij was het grotendeels van de verkoper afhankelijk of de verdachte het vuurwapen voorhanden zou krijgen. Als de verkoper niet om een wapenvergunning had gevraagd en het vuurwapen had opgestuurd, had de verdachte van zijn kant alles gedaan wat nodig was om het delict te voltooien.13 Wat dat betreft is deze casus tot op zekere hoogte illustratief voor het onderscheid tussen solistische handelingen en handelingen in groepsverband: omdat bij solistische handelingen de controle in één hand blijft, is in het algemeen langer sprake van een op onvoltooide poging lijkende situatie, terwijl er met de betrokkenheid van derden eerder sprake kan zijn van een voltooide poging.14 Die redenering gaat bijvoorbeeld ook op voor het organiseren van een gewelddadige confrontatie tussen twee groepen (artikel 141a Sr) en werving voor de gewapende strijd (artikel 205 Sr) en zelfs voor sommige abstracte gevaarzettingsdelicten.15 Betoogd kan worden dat een dader ook strafbaar moet zijn als hij bewust en vrijwillig de controle uit handen geeft over een causale keten die – juist vanwege zijn handelingen – met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid tot het intreden van schadelijke gevolgen zal leiden. Dat biedt mogelijk ook een verklaring voor het fenomeen dat poging tot uitlokking (artikel 46a Sr) wel strafbaar is en poging tot medeplegen en medeplichtigheid niet: in de laatste twee gevallen behoudt de dader in hogere mate zelf controle over de verdere ontwikkeling van de causale keten, zodat het intreden van strafbaarheid nog voorbarig is.16
Vanuit de gedachte dat bij deelneming de verdachte zijn controle over de causale keten kan verliezen, is tot slot ook het aantal deelnemers relevant. In zijn algemeenheid zal de dader vermoedelijk de controle immers eerder verliezen naarmate er meer deelnemers zijn. Zo valt te verklaren waarom vroeger voor samenrotting in het oude Wetboek van Militair Strafrecht ten minste vijf deelnemers en onder de Code Pénal ten minste drie personen betrokken moesten zijn.17 Op grond van artikel 80 Sr volstaan tegenwoordig echter twee of meer deelnemers. Als er slechts twee deelnemers aan de samenspanning zijn, behoudt de verdachte echter in hoge mate controle over de gedraging (zie ook §2.2.9), zodat aansprakelijkheid vanuit liberaal oogpunt ook dan nog voorbarig lijkt.