De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.10:3.2.10 Samenvatting en conclusies
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.10
3.2.10 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS389733:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voorlopers van de huidige stichting, die thans is geregeld in Boek 2 BW en daarvoor in de WS 1956, waren gebaseerd op het gewoonterecht. Op enig moment kregen instellingen met “vrome doeleinden” (piae causae), die aanvankelijk geen rechtspersoonlijkheid hadden, een bepaalde mate van zelfstandigheid en een eigen organisatie. Voorbeelden hiervan zijn armenhuizen en gasthuizen in de negentiende eeuw die regenten en administrateurs hadden. Het was mogelijk om een vorm van intern toezicht in te stellen. Sommige stichtingen, zoals de Stedelijke Muziekschool Deventer in 1898, hadden een bestuursmodel dat trekken vertoonde van de huidige one tier board.
De achtergrond van het vastleggen van het algemene stichtingenrecht in de WS 1956 was dat er rechtsonzekerheid bestond omtrent de vraag wanneer en hoe een stichting met rechtspersoonlijkheid ontstond. In de politiek werd bovendien opgemerkt dat het ontbreken van elke controle op het bestuur tot ongewenste gevolgen zou kunnen leiden; wanbeheer en verkwisting zou ongemerkt kunnen plaatsvinden; bestuurders zouden zichzelf kunnen bevoordelen. In de WS 1956 werd voorgeschreven dat de stichting wordt opgericht bij notariële akte, maar preventief toezicht door de overheid (een verklaring van geen bezwaar voor de oprichting) was – anders dan bij een vereniging – niet vereist. Over de regeling van de taak en de bevoegdheden van een (optioneel) toezichthoudend orgaan werd tijdens de parlementaire behandeling niet gesproken. Het stichtingenrecht bevatte van meet af aan bewust weinig governanceregels en bood bewust flexibiliteit. Wel werden in de WS 1956 bevoegdheden toegekend aan het openbaar ministerie, die ook in het huidige stichtingenrecht (titel 6 van Boek 2 BW) terug te zien zijn. De toenmalige Minister van Justitie merkte daarbij op dat hij op dit terrein van het openbaar ministerie geen omvangrijke activiteit verwachtte.
Een ander belangrijk motief voor het opstellen van een wettelijke regeling was het voorkomen van misbruik van de stichtingsvorm, wanneer eigenlijk bedoeld was een vereniging of een andere rechtsvorm op te richten. Om die reden werden in de WS 1956 de thans nog geldende materiële kenmerken voor de stichting opgenomen waarmee de stichting zich onderscheidt van corporatieve rechtspersonen: het hebben van een doelgebonden vermogen, het uitkeringsverbod en het ledenverbod. Bepaald werd dat een stichting die niet voldoet aan deze materiële kenmerken op verzoek van het openbaar ministerie of een belanghebbende door de rechtbank ontbonden kan worden.
In verband met de grondstructuur van de stichting, die anders dan andere rechtspersonen geen algemene vergadering kent, werd voor de stichting extern toezicht op het bestuur door het openbaar ministerie geregeld. Het openbaar ministerie en belanghebbenden hebben sinds de WS 1956 de bevoegdheid om de rechter te verzoeken een bestuurder te ontslaan ingeval van wanbeheer en niet-naleving van de wet en de statuten.
Tijdens de parlementaire behandeling van de WS 1956 zei de Minister van Justitie niets te voelen voor verplichte aanwijzing van een toezichthoudend orgaan. Bovendien zei de Minister dat verplichte aanwijzing van een raad van toezicht niet zou betekenen dat het toezicht door de rechter en het openbaar ministerie zou kunnen vervallen. De wettelijke corrigerende bevoegdheden van de rechter en het openbaar ministerie lijken dan ook als de achtergrond te hebben dat zij het ontbreken van een algemene vergadering compenseren, hetgeen niet kan worden “opgevangen” door het instellen van een intern toezichthoudend orgaan. De Minister merkte voorts op dat instelling van een toezichthoudend orgaan in veel gevallen wel aanbeveling verdient, maar dat het rechtsleven op dit punt vrijheid moet worden gelaten.