Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.3.1.3:5.3.1.3 Jurisprudentie bedrijfswaarde
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.3.1.3
5.3.1.3 Jurisprudentie bedrijfswaarde
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS351682:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof 's-Gravenhage, 28 april 1978, nr. 42/78 M I, BNB 1979/220.
De desbetreffende vrijstelling is dus niet van toepassing.
HR 10 december 1980, nr. 19 869, met conclusie van A-G Mok, BNB 1981/45, met noot van H.J. Hofstra.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Jurisprudentie aangaande het begrip bedrijfswaarde in relatie tot de heffing van de gemeentelijke onroerende-zaakbelasting is schaars. Een voorbeeld uit 1978 betreft een uitspraak van Hof 's-Gravenhage1 die zich moest uitspreken over een geschil aangaande de pompstations ten behoeve van een waterleidingennet, eigendom van een NV-waterleidingbedrijf. Het Hof memoreert allereerst dat de watervoorziening als zodanig niet onder het begrip publieke dienst valt2. De heffingsgrondslag van de pompstations wordt dan ook vertegenwoordigd door de waarde in het economische verkeer.
Vervolgens wijst het Hof erop dat in beginsel, overdracht van pompstations (en andere voor een waterleidingbedrijf onontbeerlijke gebouwde eigendommen) aan andere waterleidingbedrijven (geheel of gedeeltelijk in handen van overheidslichamen of semi-overheidslichamen) wel denkbaar is. Maar bij een overdracht van de onroerende zaak buiten het kader van art. 37 van de Waterleidingwet zou volgens het Hof een overdrachtsprijs moeten worden overeengekomen, aan de ene kant gebaseerd op de vervangingswaarde van het object en aan de andere kant op ouderdom en rentabiliteit van het bewuste object. Daarbij schat het Hof de waarde van de pompstations in het economische verkeer (in navolging van de gemeente Hulst) op f 42 000 en overweegt omtrent de bedrijfswaarde:
`dat het hier naar de belanghebbende heeft erkend doelmatige installaties betreft, welke voor de belanghebbende een bedrijfswaarde (cursivering/ GM) hebben gelijk aan de vervangingswaarde verminderd met de afschrijvingen;'
De uitspraak overziende, moet geconstateerd worden dat de term 'bedrijfswaarde' enigszins uit de lucht komt vallen. Men kan zich afvragen of partijen het woord bedrijfswaarde hebben gebruikt overeenkomstig de betekenis die de Hoge Raad aan dit begrip geeft.
Andermaal komt het begrip bedrijfswaarde aan de orde in een arrest uit 19803 betreffende de waardering van een boorlocatie van de Nederlandse Aardolie Maatschappij NV (NAM). Ons hoogste rechtscollege overweegt: 'dat bij dit uitgangspunt, anders dan het Hof heeft aangenomen, voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer niet beslissend is de op de "bedrijfswaarde" — vervangingswaarde verminderd met de afschrijvingen — te stellen prijs waarvoor de gebruiker bereid is het goed over te dragen, omdat de prijs afhankelijk is van de prijs die eventuele gegadigden willen betalen;'
Opvallend aan dit arrest is dat in de overweging van de Hoge Raad het woord `bedrijfswaarde' tussen aanhalingstekens staat. Wellicht bedoelt ons hoogste rechtscollege daarmee dat de bedrijfswaarde in het kader van de heffingsgrondslag met betrekking tot de gemeentelijke onroerende-zaakbelasting niet van belang is. Hierin komt evenwel verandering door het arrest Billiton/Veendam.