Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/2.6
2.6 Toetsingscriteria en discretionaire bevoegdheid
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196872:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/780 en de daar vermelde jurisprudentie.
Van Wees en Eikelboom geven de volgende voorbeelden: niet voorhanden hebben van informatie over de huidige financiële toestand, budget en businessplan; onvoldoende onderkennen van de kwetsbaarheid van de vennootschap, die geen (eigen) licentie heeft voor het gebruik van de domeinnaam van de webshop die zij exploiteert, waarbij tevens van belang is dat de onderhandelingen met de rechthebbende op de domeinnaam gericht zijn op het verstrekken van een licentie aan een bestuurder tevens aandeelhouder, hetgeen mogelijk een ongeoorloofd tegenstrijdig belang in zich draagt; onduidelijke governance omdat niet duidelijk is wie de bestuurder is, vanwege gebreken in de besluitvorming in de algemene vergadering en vanwege de gebrekkige vastlegging van de samenwerking tussen partijen (Van Wees en Eikelboom 2018, p. 10.2.4.). Voor een reeks voorbeelden zie ook Storm 2018, 3.6.
De maatstaf van deze bepaling wordt beschouwd als een lichtere toets dan de toets wanbeleid (Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/753).
Dat element ontbreekt in de omschrijving van Geerts weergegeven in nr. 55.
Het doel van het onderzoek is na te gaan of er wanbeleid is geweest, zie de definitie van de Hoge Raad, vermeld in nr. 55. In de tweede fase wordt beoordeeld of uit het verslag van wanbeleid is gebleken. Voor omschrijvingen van het begrip wanbeleid, zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/790.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/790. Instemmend: Eikelboom 2017, p. 8.3.2.4, nt. 29.
Zie ook 6.3.2 over de aard van de toetsing.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/753.
Storm 2018, 2.1.
HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465, ARO 2005/197 (Unilever), r.o. 4.4.2: “De aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid een enquête te bevelen is een discretionaire, dat wil zeggen dat bij de uitoefening van die bevoegdheid een afweging van de betrokken belangen dient plaats te vinden, met dien verstande dat voor toewijzing van een verzoek ingevolge artikel 2:350 lid 1 BW slechts plaats is, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. (…)”. Art. 2:350 lid 1 (oud) BW was van kracht.
Verbunt 2008, p. 154, 155. Zie vorige noot voor de overweging.
In deze afweging kunnen verschillende belangen van de rechtspersoon verschillend gewicht in de schaal leggen. In 2.8. komt de rol van belangen van andere partijen aan de orde.
In de Unilever-zaak: reputatieschade voor de rechtspersoon en drukkende invloed op zijn beurskoers.
OK 24 november 1994, ECLI:NL:GHAMS:1994:AD2255 (Wijsmuller). Verzoekers koesterden al enige jaren bezwaren, maar die hadden hen niet eerder tot een enquêteverzoek aangezet. Wel hadden ze vier jaar tevoren hun voornemen om een enquête te verzoeken bekend gemaakt. Die vier jaar oude bezwaren werden aan het enquêteverzoek ten grondslag gelegd. De Ondernemingskamer oordeelde dat uit het feit, dat verzoekers al die tijd geen uitvoering hadden gegeven aan hun voornemen om een enquêteverzoek te doen, kon worden afgeleid dat verzoekers die enquête en de daarmee te verwezenlijken doeleinden zelf van geen belang vonden. Het belang van verzoekers bij een onderzoek naar die oude koeien woog niet op tegen het belang van de rechtspersoon om niet in diskrediet gebracht te worden doordat bekend zou worden dat een onderzoek was gelast.
OK 14 april 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1233, ARO 2011/71 (ASMI II). Deze beschikking werd gegeven na cassatie en terugwijzing door de Hoge Raad.
De Hoge Raad acht de motivering van de afwijzende beslissing toereikend (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1435, ARO 2012/53 (Hermes c.s./ASMI II).
HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3356, ARO 2011/6 (KPNQwest II), r.o. 4.5.2.: “Bij de beoordeling van een beëindigingsverzoek (…) komt voornamelijk betekenis toe aan de belangen van de oorspronkelijke verzoeker(s) en aan het belang van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van KPNQwest zijn betrokken. Aan een algemeen belang, zoals het (…) maatschappelijk belang, waaronder het belang van het beleggend publiek, komt daartegenover in beginsel geen doorslaggevend gewicht toe, nu de Ondernemingskamer niet bevoegd is met het oog op het algemeen belang ambtshalve een onderzoek te bevelen'.
[70] Een verzoek tot het instellen van een enquête wordt ten eerste getoetst aan artikel 2:344 BW: is het verzoek gericht op een rechtspersoon waarop de regeling van het enquêterecht van toepassing is?
Zo’n verzoek kan verder slechts succesvol zijn als het betrekking heeft op “het beleid en de gang van zaken” van zo’n rechtspersoon.1 Het verzoek kan vervolgens alleen worden toegewezen indien “blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen”.2 Onder ‘beleid’ is begrepen het functioneren van de rechtspersoon en het functioneren van de door de rechtspersoon in stand gehouden onderneming. Bij het beleid kunnen, naast het bestuur, andere organen van de vennootschap betrokken zijn en personen die deel uitmaken van die organen.3 Wat precies moet worden verstaan onder ‘juist beleid’ wordt over het algemeen in de uitspraken van de Ondernemingskamer niet expliciet en concreet beschreven. Twijfel aan juist beleid kan worden opgeroepen door, bijvoorbeeld, het schenden van wettelijke en statutaire regels, een impasse in de besluitvorming van (een orgaan van) de rechtspersoon, het voortduren van een intern conflict dat de bedrijfsvoering negatief beïnvloedt, het onvoldoende zorgvuldig omspringen met belangen van minderheidsaandeelhouders, en verstrengeling van het belang van de rechtspersoon met belangen die niet noodzakelijkerwijs parallel lopen met dat van de rechtspersoon.4
Artikel 2:345 lid 1 BW houdt niet in “gegronde redenen om aan te nemen dat van wanbeleid sprake is geweest”.5 Een gerede kans dat het onderzoek wanbeleid zal uitwijzen, is mijns inziens wel nodig voor het toewijzen van het enquêteverzoek.6 De enquêteprocedure, eerste en tweede fase, is gericht op de vraag of er wanbeleid is geweest.7 Van Solinge en Nieuwe Weme noemen wanbeleid in de kern genomen een schending van de norm van redelijkheid en billijkheid.8 Hierop voortbouwend kan de beoordeling van (gegronde redenen voor) twijfel aan een juist beleid, worden beschouwd als een beoordeling of (naar verwachting zal blijken dat) redelijkheid en billijkheid zijn geschonden.9
[71] Voor de twijfel aan een juist beleid moeten ‘gegronde redenen’ blijken. Dit vereiste is omschreven als: feiten en omstandigheden die tezamen een behoorlijke kans inhouden dat bij een nader onderzoek blijkt van onjuist beleid.10 Storm wijst er op dat deze toetsingsnorm verband houdt met de algemeen vennootschapsrechtelijke normen van redelijkheid en billijkheid en behoorlijke vervulling van de bestuurstaak.11 Verbunt noemt dit criterium voor de uitoefening van de bevoegdheid een enquête te bevelen open van aard; de toetsingsnorm is weinig specifiek en vraagt om concretisering in de jurisprudentie.12 De gegronde redenen kunnen blijken uit het verzoek en de toelichting daarop. De rechter kan zijn oordeel mede baseren op feiten en omstandigheden die naar voren zijn gebracht door de rechtspersoon of door belanghebbenden.
[72] In artikel 2:350 lid 1 BW is een minimumvereiste geformuleerd. Dat wil zeggen: als is vastgesteld dat “blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen” hoeft het enquêteverzoek niet te worden toegewezen. De bevoegdheid van de Ondernemingskamer om een enquête te bevelen is een discretionaire. Dat kan worden afgeleid uit het woord “kan” in artikel 2:345 lid 1 BW. De Hoge Raad heeft dit nog eens duidelijk overwogen in de zaak Unilever.13 In die zaak had de rechtspersoon zich beroepen op mogelijk voor hem uit een enquête voortvloeiende reputatieschade en mogelijke negatieve invloed op zijn beurskoers. De Hoge Raad overwoog dat bedacht moet worden dat een onderzoek diep kan ingrijpen in het functioneren van de rechtspersoon en dat de enquêteprocedure in slechts één feitelijke instantie wordt gevoerd. Dat moet worden betrokken in een belangenafweging, die met de uitoefening van de bevoegdheid gepaard moet gaan.
Verbunt lijkt de relevante overweging uit de Unilever-beschikking te beschouwen als een bevestiging van het abstracte karakter van het toetsingscriterium van artikel 2:350 lid 1 BW.14 Ik lees in de overweging een benadrukking van het fenomeen dat voldoen aan de wettelijke norm niet zonder meer hoeft te leiden tot toewijzing van een enquêteverzoek. Over het criterium – dat moet blijken van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen – valt uit de Unilever beschikking mijns inziens niet veel meer af te leiden dan dat eraan moet zijn voldaan. Daarmee is niets gezegd over de inhoud en de afbakening van het criterium.
[73] Ik onderken het volgende systeem. Aan de hand van de wettelijke criteria moet worden nagegaan of de verzoeker een zaak aan de Ondernemingskamer voorlegt, die zich bevindt in het domein waarbinnen de Ondernemingskamer de bevoegdheid heeft een enquête te bevelen.15 Dat is het geval als (ook) is voldaan aan de norm dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of er reden is om een enquête te gelasten of juist reden om dat niet te doen. Uit de Unilever-beschikking blijkt dat aan de beantwoording van die vraag een belangenafweging vooraf moet gaan. In die belangenafweging, die moet steunen op feiten en omstandigheden van het geval, moeten de volgende elementen worden betrokken: de doeleinden van het enquêterecht, de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van een enquête, en de aard van het geschil tussen partijen.16
[74] In de Unilever-beschikking is onder ogen gezien dat een enquête nadelige effecten voor een rechtspersoon kan hebben.17 In het algemeen kunnen schadelijke gevolgen, die de rechtspersoon en de aan hem verbonden onderneming of anderen kunnen ondervinden van een enquête, een contra-indicatie opleveren voor het instellen van een enquête.
Het komt overigens niet vaak voor dat de Ondernemingskamer, met gebruikmaking van haar discretionaire bevoegdheid, het verzoek om een enquête afwijst. Het gebeurde in de zaak Wijsmuller.18 Verweerster voerde aan dat “(…) de vennootschap in opspraak kan raken en schade kan leiden als gevolg van het feit dat ze het voorwerp vormt van een enquêteprocedure”. De Ondernemingskamer woog de belangen van de verzoekers af tegen die van de rechtspersoon. Ze verwees naar de discretionaire bevoegdheid en wees het verzoek af.
Ook in de zaak ASMI werd het enquêteverzoek met gebruik van de discretionaire bevoegdheid afgewezen.19 Dat werd niet gemotiveerd met mogelijke negatieve gevolgen van een onderzoek. De Ondernemingskamer oordeelde dat er wel gegronde redenen waren om aan een juist beleid van de rechtspersoon te twijfelen, maar dat die redenen noch afzonderlijk noch in onderling verband een onderzoek naar dat beleid rechtvaardigden. In aanmerking werd genomen dat die twijfel werd opgeroepen door “slechts een beperkt deel van de uitgebreide verwijten” van verzoekers en dat “daarmee het ‘gewicht’ aan het breed opgezette geding is komen te ontvallen”.20
In de zaak KPNQwest kwam de vraag aan de orde of een eerder bevolen onderzoek al dan niet moest worden voorgezet. De Hoge Raad overwoog dat het draait om de belangen van de verzoekers en het belang van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij diens organisatie zijn betrokken. Algemene belangen – bijvoorbeeld het belang van het beleggend publiek – zijn niet doorslaggevend.21 Houdt dit oordeel nu ook een aanwijzing in voor de belangenafweging die moet worden gemaakt bij beantwoording van de vraag of al dan niet een enquête moet worden ingesteld? Wellicht kan uit de KPNQwest-beschikking worden afgeleid dat ook in die afweging aan algemene belangen niet snel een hoofdrol kan worden toegekend, maar dat belangen van verzoekers en andere betrokkenen wel moeten meewegen.