Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.2.4.1:11.2.4.1 Inleiding
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.2.4.1
11.2.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258714:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Canadian International Trade Tribunal of 16 september 1993, nrs. AP-92-193 and AP-92-215 (Radio Shack).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien wordt aangenomen dat een vergoeding aangemerkt moet worden als (inkoop)commissie of courtage, speelt de vraag wanneer een inkoopcommissie zich onderscheid van een ‘gewone’ commissie of courtage. Dit onderscheid is van belang omdat inkoopcommissies niet belastbaar zijn in tegenstelling tot verkoopcommissies die aan de transactiewaarde moet worden toegevoegd (voor zover daarin niet reeds begrepen) voor het bepalen van de douanewaarde. In dat kader zijn in onderdeel 11.2.3.3 reeds de gebruikelijke commissiediensten genoemd waarbij een onderscheid is gemaakt tussen inkoop- en verkoopcommissiediensten. In dit onderdeel wordt nader ingegaan op de internationale en Unierechtelijke grondslagen voor het aanmerken van een agent als inkoopagent (onderdeel 11.2.4.2). In dat kader moet worden opgemerkt dat wettelijk slechts in beperkte mate richting is gegeven aan het onderscheid tussen een ‘gewone’ commissie of courtage en een inkoopcommissie. Een en ander zal naar de feiten en omstandigheden van elk individueel geval getoetst moeten worden. Het Canadian International Trade Tribunal heeft hierover in de zaak Radio Shack opgemerkt:1
“[…] that no single rule or principle can be enunciated to encompass all situations that can arise since the activities of a buying agent may go further than those contemplated in a legal agreement, and these must be open to review by customs authorities.”
Desalniettemin meen ik dat voor het maken van het onderscheid twee cumulatieve voorwaarden van belang zijn om in ogenschouw te nemen, die ik, zoals hierna nader wordt uitgewerkt, ontleen aan instrumenten van de WDO, jurisprudentie en een beperkt aantal wettelijke bronnen. Als eerste voorwaarde geldt dat sprake moet zijn van een bonafide relatie tussen de agent en de koper (onderdeel 11.2.4.3). Daarnaast moet, ten tweede, door de koper een zekere mate van controle worden uitgeoefend over de agent (onderdeel 11.2.4.4).