Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/4.5.2.2
4.5.2.2 De verdenking op grond van meldingen van MMA
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 13 juni 2006, NJ 2006, 346, Hoge Raad 22 januari 2008, LJN BC1375, Hoge Raad 11 maart 2008, NJ 2008, 328 m.nt. Borgers en Hoge Raad 12 januari 2010, LJN BK8836.
Hoge Raad 13 juni 2006, NJ 2006, 346 en Hoge Raad 22 januari 2008, LJN BC1375.
Hoge Raad 11 maart 2008, NJ 2008, 328 m.nt. Borgers.
Hoge Raad 30 juni 2009, LJN BI3875.
Hof Leeuwarden 12 maart 2010, LJN BL7458.
Hoge Raad 13 juli 2010, LJN BM2490.
Hoge Raad 5 maart 2013, NJ 2013, 306 m.nt. JR.
Zie bijvoorbeeld Hof ‘s-Hertogenbosch 1 juli 2008, LJN BD5851, Hof Arnhem 17 augustus 2009, LJN BJ5362.
Hof Leeuwarden 29 april 2010, LJN BM3387.
Hof Den Haag 2 augustus 2012, LJN BX4030 en Hof Den Haag 8 oktober 2012, LJN BY1949. Zie in dezelfde lijn ook Hof Arnhem 4 maart 2011, LJN BP6983.
Hof ‘s-Hertogenbosch 6 februari 2008, LJN BC3646. Zie voor andere voorbeelden Rb. ’s- Hertogenbosch 5 december 2007, LJN BB9903, Rb. Maastricht 20 december 2007, LJN BC1020 en Rb. Assen 13 november 2012, LJN BY3515. In de laatst aangehaalde zaak ziet de MMA-melding op de aanwezigheid van een hennepkwekerij. Er volgt een check van het GBA en de politie relateert dat 6 jaar eerder ook een dergelijke melding is binnengekomen en toen niets bijzonders in het pand is aangetroffen. Op basis van deze informatie wordt art. 9 Ow toegepast en op de zolder van het bewuste pand wordt een kwekerij aangetroffen. De rechtbank overweegt dat de melding onvoldoende concreet en niet genoegzaam is getoetst om op zichzelf de grondslag te vormen voor redelijk vermoeden art. 9 Ow. Bovendien bestond er, gelet op het feit dat jaren eerder ook al eens tevergeefs de woning is binnengetreden, nu extra reden voor terughoudendheid en nader onderzoek. De onrechtmatige toepassing van art. 9 Ow leidt tot bewijsuitsluiting en dat resulteert in een vrijspraak.
Hof Den Haag 20 september 2007, LJN BB5685. Zie in dit verband bijvoorbeeld ook het arrest van het Hof Arnhem van 17 augustus 2009, LJN BJ5362. In casu ziet de MMA-melding op de vindplaats van een vuurwapen in de woning van de verdachte. Deze melding wordt door de politie aangevuld met de resultaten van het raadplegen van GBA, een controle op antecedenten en het gegeven dat de verdachte als vlucht- en vuurwapengevaarlijk staat gesignaleerd. Voorgaande doet in de zienswijze van het hof een verdenking ontstaan en rechtvaardigt bovendien het binnentreden in de woning van de verdachte.
Hoge Raad 1 februari 2000, NJ 2000, 264.
Rb. Zutphen 16 februari 2007, LJN AZ8696 en LJN AZ8699.
Rb. Leeuwarden 24 mei 2007, LJN BA5604.
Hof Leeuwarden 19 februari 2010, LJN BM2531. Zie voor een zaak waarin vier maanden na een MMA-melding een bedrijfspand wordt betreden Rb. Den Haag 23 november 2011, LJN BU5525. De rechtbank oordeelt dat deze betreding onrechtmatig was. Hierbij lijkt overigens (terecht) ook een rol te spelen dat aanvullend onderzoek (onder andere een warmtemeting) is verricht dat de anonieme informatie niet heeft bevestigd.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt eveneens dat een opsporingsonderzoek kan starten op basis van een melding van MMA.1 Hoewel deze jurisprudentie grote gelijkenis vertoont met de jurisprudentie over de anonieme meldingen is er toch voor gekozen deze apart te bespreken vanwege het insitutionele karakter van MMA. Wat allereerst opvalt, is dat de Hoge Raad in dit verband verschillende formuleringen gebruikt. In zijn arresten uit 2006 en januari 2008 overweegt de Hoge Raad immers dat hieraan geen rechtsregel in de weg staat. In zijn latere arresten wordt overwogen dat een verdenking kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie. Deze laatste overweging lijkt wat nadrukkelijker dan de eerste aan te geven dat opsporingsonderzoeken op deze wijze kunnen starten en tot de inzet van een dwangmiddel kunnen leiden.
Voorts lijkt de Hoge Raad niet de eis te stellen dat een verdenking eerst kan ontstaan als de melding van MMA zijn bevestiging vindt in aanvullende onderzoeksgegevens. Hierbij moet echter worden aangetekend dat de Hoge Raad de beoordeling van het bestaan van een verdenking voornamelijk overlaat aan de feitenrechter. Voorts moet in dit verband worden opgemerkt dat de Hoge Raad in twee zaken het oordeel van het hof dat de verdenking kon worden gebaseerd op de melding van MMA en de uit aanvullend onderzoek verkregen gegevens, niet onbegrijpelijk acht.2 In dit verband dient ook te worden gewezen op het arrest van de Hoge Raad uit maart 2008.3 In die zaak had zowel de Rechtbank Maastricht als het Hof ‘s-Hertogenbosch geoordeeld dat ten tijde van de doorzoeking van de woning onvoldoende grond voor verdenking van overtreding van de Opuimwet aanwezig was, nu de politie beschikte over een melding van MMA die slechts werd ondersteund door een kortdurende observatie van de woning waar zich drugs zouden bevinden en de resultaten van de raadpleging van onder meer HKS. De Hoge Raad overweegt echter dat het oordeel van het hof op dit punt, gelet op de informatie van MMA en de resultaten van het opsporingsonderzoek, niet zonder meer begrijpelijk is en wijst de zaak terug. Uit deze arresten kan niet worden geconcludeerd dat de Hoge Raad in alle gevallen aanvullend politieel onderzoek eist ter bevestiging van een melding van MMA. De beoordeling hiervan blijft, ook voor de Hoge Raad, erg casuïstisch. Zo accordeert de Hoge Raad in een arrest van 12 januari 2010 dat het hof de verdenking baseert op twee van MMA afkomstige meldingen. In dit verband moet wel worden aangetekend dat het vanwege het gevaar van dubbeltelling potentieel risicovol is om de bevestiging van een anonieme melding te zien in een andere anonieme melding, de informatie kan immers afkomstig zijn van dezelfde bron zonder dat dit kan worden geverifieerd. Los hiervan lijkt het wel erop dat de Hoge Raad enig belang hecht aan het verrichten van aanvullend onderzoek alvorens een dwangmiddel wordt toegepast, nu het in de besproken arresten telkens wel expliciet wordt genoemd.
Hoewel de Hoge Raad de beoordeling van het bestaan van een verdenking (in het bijzonder voorafgaand aan het toepassen van een dwangmiddel) overlaat aan de feitenrechter, lijkt hij toch een manier te hebben gevonden om hierover een oordeel uit te spreken. Een en ander is zichtbaar in de reeds besproken arresten, maar blijkt ook uit twee andere arresten van de Hoge Raad. In de casus die ten grondslag ligt aan het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 wordt binnengetreden op basis van een melding van MMA over de aanwezigheid van een hennepkwekerij.4 Eerst na de vrijspraak in eerste aanleg wordt in een aanvullend proces-verbaal gerelateerd dat uit een mutatie uit BPS blijkt dat jaren eerder ook al hennepplanten bij het bewuste pand zijn gezien. Het hof oordeelt dat op basis van deze mutatie en de melding van MMA een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet kon ontstaan en de hulp-officier van justitie dan ook een bevel tot binnentreden kon afgeven. De Hoge Raad oordeelt evenwel dat de aanname dat de hulpofficier van justitie wetenschap had van de mutatie, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is. De zaak wordt vervolgens teruggewezen naar het Hof Leeuwarden.5 Het hof oordeelt dan dat niet is gebleken dat de mutatie bekend was bij de hulp-officier van justitie. De melding van MMA is dus niet geverifieerd, terwijl er bijna een maand zat tussen de melding en het binnentreden. Aanvullend onderzoek had in die periode plaats kunnen vinden. De melding was voorts niet zo specifiek en gedetailleerd dat van de betrouwbaarheid daarvan kon worden uitgegaan. Het hof overweegt dan ook dat de melding geen verdenking deed ontstaan en oordeelt dat het binnentreden onrechtmatig was. Een en ander leidt tot bewijsuitsluiting, resulterend in een vrijspraak.
Het andere arrest van de Hoge Raad in dit verband dateert van 13 juli 2010.6 In casu start het onderzoek en wordt binnengetreden op basis van een melding van MMA waaruit blijkt dat zich in een kelderruimte een hennepdrogerij bevindt, waar op dat moment hennep wordt geknipt. Nu sprake is van een zeer gedetailleerde melding kon aldus, in de zienswijze van het hof, het vermoeden ontstaan dat een overtreding van de Opiumwet werd begaan. Voorts overweegt het hof dat het gewenst is dat naar aanleiding van een dergelijke melding enig nader onderzoek plaatsvindt, maar dat het achterwege laten hiervan nog niet maakt dat het handelen op basis van die verdenking onrechtmatig is. Nader onderzoek kon in casu volgens het hof achterwege blijven, omdat spoedig ingrijpen gewenst was. Het binnentreden op grond van art. 9 Ow wordt dan ook rechtmatig geoordeeld. De Hoge Raad oordeelt in deze zaak allereerst dat de stelling niet juist is dat voor het aannemen van een verdenking steeds nader onderzoek naar aanleiding van een melding van MMA is vereist. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat het hof, na de constatering dat een vermoeden kon ontstaan in de zin van de Opiumwet, nadere aandacht heeft besteed aan de rechtmatigheid van het politieoptreden. Hiermee wordt met name gedoeld op de overweging van het hof omtrent de noodzaak tot spoedig strafrechtelijk ingrijpen. Hiermee heeft het hof, in de zienswijze van de Hoge Raad, tot uitdrukking te willen brengen dat voor het aannemen van een verdenking nadere verificatie van de melding is vereist, maar dat het achterwege laten hiervan in verband met de noodzaak tot spoedig ingrijpen het binnentreden niet onrechtmatig doet zijn. Dit oordeel wordt niet begrijpelijk geacht nu de constatering dat de melding tot spoedig strafrechtelijk ingrijpen noopt, niet de onrechtmatigheid ontneemt aan het binnentreden op grond van (anonieme) informatie die zonder nadere verificatie onvoldoende verdenking oplevert.
In reactie op dit arrest van de Hoge Raad moet ten eerste worden opgemerkt dat de Hoge Raad de overweging van het hof in relatie tot het aanvullende onderzoek niet op een geheel juiste wijze interpreteert. Het hof overweegt immers dat het gewenst is dat nader onderzoek plaatsvindt, terwijl de Hoge Raad meent dat het hof een dergelijk onderzoek vereist. Voorts lijkt de Hoge Raad met name te vallen over de overweging van het hof dat het bestaan van spoed maakt dat een anonieme melding niet hoeft te worden geverifieerd. De Hoge Raad laat echter in het midden of hij hiermee slechts wijst op een onbegrijpelijke overweging van het hof, dat hij aan wil geven dat tussen het bestaan van spoed en de aanname van een verdenking geen verband dient te bestaan of dat hij zelf, ook in het geval van spoed, nader onderzoek ter verificatie van een anonieme melding nodig acht. Een vierde variant is ook denkbaar als wordt gekeken naar het in de context van TCI-informatie gewezen arrest van de Hoge Raad van 5 maart 2013.7 Deze variant ziet erop dat, al naar gelang het delict waarover gemeld wordt, ruimte is voor differentiatie in de eisen die aan het aanvullend onderzoek moeten worden gesteld. De Hoge Raad laat in het arrest uit 2013 immers een soortgelijke overweging van nota bene hetzelfde hof in stand. Het hof oordeelt in die zaak dat de TCI-informatie, waaruit volgt dat de verdachte ‘iets’ met een vuurwapen gaat doen, gebiedt tot voortvarend handelen van de politie en bovendien kan maken dat van verdere verificatiepogingen wordt afgezien. Anders geformuleerd lijkt de Hoge Raad in het arrest uit 2013 te billijken dat spoed kan maken dat bij een anonieme melding over een vuurwapen wordt afgezien van het verrichten van aanvullend onderzoek voorafgaand aan het toepassen van een dwangmiddel, terwijl het in het arrest uit 2010 veel ervan weg heeft dat in het geval van een melding over een hennepkwekerij ook de Hoge Raad van oordeel is dat aanvullend onderzoek moet worden verricht. In ieder geval lijkt op basis van het voorgaande te kunnen worden gesteld dat de Hoge Raad verlangt dat op een begrijpelijke manier wordt gemotiveerd waarom een verdenking kon bestaan. Aldus lijkt de feitenrechter te worden gedwongen het bestaan van een verdenking scherper te toetsen.
Uit de lagere jurisprudentie kan worden afgeleid dat in de meeste gevallen twee vereisten worden gesteld: de MMA-melding moet concreet en gedetailleerd zijn om de start van een opsporingsonderzoek te rechtvaardigen en enige verificatie van de informatie moet plaats hebben gevonden alvorens een dwangmiddel mag worden toegepast.8 In verband met het eerste vereiste moet een kanttekening worden geplaatst. De mate van concreetheid van een melding hoeft immers niets te zeggen over de betrouwbaarheid van de gemelde informatie. Een dergelijke melding kan met andere woorden nog steeds onware informatie bevatten. Aan het aanvullende onderzoek ter verificatie van een MMA-melding, de tweede eis, worden niet altijd evenveel eisen gesteld: een check van het GBA en het feit dat een persoon voorkomt in de politiële gegevensbestanden kan al voldoende zijn voor het ontstaan van een verdenking. Zie in dit verband het arrest van het Leeuwardense hof d.d. 29 april 2010.9 In casu wordt het redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet aangenomen op basis van meerdere meldingen van MMA betreffende de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning van de verdachte, het feit dat blijkt dat de verdachte de woning huurt en het gegeven dat de politie ervan op de hoogte is dat de verdachte eerder met hennepteelt te maken heeft gehad. Gelijk aan de jurisprudentie over de anonieme meldingen wordt echter ook (impliciet) zichtbaar dat, zeker in zaken over hennepkwekerijen, de resultaten van aanvullend opsporingsonderzoek een (belangrijke) rol spelen in het oordeel over het bestaan van een verdenking die het toepassen van een dwangmiddel rechtvaardigt. Uit twee arresten van het Hof Den Haag van 2 augustus 2012 en 8 oktober van datzelfde jaar kan dit onder andere worden opgemaakt.10 In het arrest van augustus wordt rechtvaardiging voor het toepassen van de betredingsbevoegdheid van art. 9 Ow gevonden in diverse MMA-meldingen die betrekking hadden op de aanwezigheid van hennepkwekerijen en het ter plaatse verrichte onderzoek van de politie. Hieruit bleek dat de gordijnen van het bewuste pand dichtzaten, dat door de brievenbus gerommel met elektra is te zien en dat buren aangeven henneplucht te ruiken. In de casus die ten grondslag ligt aan het arrest van 8 oktober 2012 wordt eenzelfde rechtvaardiging gevonden in een MMA-melding en de ter plaatse door de politie waargenomen hennepgeur en de resultaten van de warmtemeting. In dezelfde lijn ligt het arrest Hof ’s-Hertogenbosch d.d. 6 februari 2008.11 In casu bestaat de startinformatie uit een MMA-melding dat in een bepaald bedrijfspand een hennepplantage aanwezig zou zijn. Uitsluitend op basis van deze informatie wordt het pand betreden. Het hof overweegt dat deze informatie geen redelijk vermoeden zoals bedoeld in artikel 9 OW oplevert en dat de verbalisanten dientengevolge onrechtmatig het pand zijn binnengetreden. Op de voet van art. 359a Sv komt het hof tot bewijsuitsluiting. Zoals al eerder opgemerkt is dit een terechte lijn in de jurisprudentie, nu de politie bij dit type zaken een breed scala aan niet of beperkt privacyschendende onderzoekshandelingen (warmtemeting, piekbelasting, visuele inspectie) tot haar beschikking heeft om dat soort informatie bevestigd te krijgen voorafgaand aan het inzetten van een dwangmiddel. Gesteld kan worden, en dat is eveneens al aan bod gekomen, dat het in het tweede lid van art. 8 EVRM besloten liggende subsidiariteitsbeginsel ertoe noopt een strafrechtelijk onderzoek op deze manier in te kleden en als het ware op te bouwen.
Dat ook in het kader van de MMA-meldingen wordt gedifferentieerd in de aan het aanvullend onderzoek te stellen eisen al naar gelang het soort anonieme informatie dat wordt verstrekt, volgt heel nadrukkelijk uit arrest van het Hof Den Haag d.d. 20 september 2007. In casu bestaat de startinformatie uit van MMA verkregen gegevens dat in een pand 120 Uzi’s zouden liggen.12 In de anonieme melding is wel fonetisch de naam van de verdachte opgenomen, maar wordt een andere woning dan die van de verdachte genoemd. Op basis van het GBA wordt vastgesteld dat in de in de melding genoemde woning een ander dan de verdachte woont. Op basis van deze informatie wordt vervolgens door de politie binnengetreden in de woning van de verdachte. Het hof oordeelt dat gelet op de aard van de verkregen informatie voldoende feiten en omstandigheden aanwezig waren voor een verdenking. Op het eerste oog is dit een merkwaardige uitspraak van het hof, nu het billijkt dat in een andere woning wordt binnengetreden dan die waar in de MMA-melding gewag van wordt gemaakt. Rechtvaardiging voor de beslissing van het hof, en hiermee tegelijk ook voor het handelen van politie en OM in deze, kan evenwel worden gevonden in de aard van de informatie waarover wordt gemeld. Een melding over de locatie van semiautomatische vuurwapens noopt nu eenmaal tot ogenblikkelijk politieel ingrijpen, ook al is de anonieme informatie (zoals in casu) aantoonbaar gedeeltelijk onjuist of levert een veredeling van de informatie niet of nauwelijks iets op. Niettegenstaande het voorgaande moet worden aangestipt dat deze lijn in de jurisprudentie wel een risico meebrengt. Vroeg of laat, en wie weet is het al zover, wordt ook buiten het juridische speelveld bekend dat in het geval van een anonieme melding over een vuurwapen (of soortgelijke strafbare feiten) de politie vrijwel direct in actie komt en dat de rechter dit handelen achteraf ook billijkt. Het risico wat dat meebrengt is dat zodoende ook bekend is dat als je een ander een hak wil zetten, door het uitlokken van privacyschendend politieel handelen op basis van onware informatie, je dit het best kan doen door anoniem over bijvoorbeeld een vuurwapen te melden. Het bestaan van dit risico dwingt ertoe dat in het bijzonder de politie, officieren van justitie en rechters-commissarissen zich hiervan te allen tijde bewust moeten zijn en zodoende scherp blijven toetsen of het toepassen van een dwangmiddel op basis van een dergelijke anonieme melding te rechtvaardigen is.
Uit enkele uitspraken van lagere rechters blijkt voorts dat informatie van MMA een verdenking kan opleveren, ook al wordt door de politie niet ogenblikkelijk ingegrepen. Een lijn die overigens al door de Hoge Raad is ingezet in zijn in de context van TCI-informatie gewezen arrest van 1 februari 2000.13 In casu overweegt de Hoge Raad dat een verdenking van het voorhanden hebben van vuurwapens niet vervalt door een tijdsverloop van zeven weken en dat gelet hierop de doorzoeking op grond van art. 49 WWM gerechtvaardigd was.
In de zaken waarin een MMA-melding de startinformatie vormt, gaat het overigens telkens om hennepkwekerijen. Zo greep de politie in de zaak die ten grondslag ligt aan twee uitspraken van de Rechtbank Zutphen d.d. 16 februari 2007 pas twee maanden na de binnengekomen informatie van de MMA in.14 Uit het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden d.d. 24 mei 2007 volgt dat eerst ruim zeven maanden na de melding van de MMA het bewuste pand wordt binnengetreden.15 Onder andere het feit van algemene bekendheid dat een hennepkwekerij een duurzaam karakter heeft, maakt de verdenking op het moment van binnentreden van het pand in de ogen van de rechtbank nog steeds valide. Niet te lang kan echter worden gewacht met het strafrechtelijk ingrijpen, zo volgt uit een arrest van het Hof Leeuwarden d.d. 19 februari 2010.16 In casu komt in januari 2005 een melding van de MMA binnen die ziet op de aanwezigheid van een hennepkwekerij. Op dat moment wordt vruchteloos enig onderzoek verricht. In maart 2006 wordt vervolgens wederom aanvullend onderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan volgt een binnentreding en wordt een hennepkwekerij aangetroffen. Het hof overweegt dat er in 2006 geen enkele aanleiding bestond opnieuw een opsporingsonderzoek te starten. Dit onderzoek wordt dan ook onrechtmatig geoordeeld. Een en ander leidt tot bewijsuitsluiting en daarmee tot een vrijspraak.
Uit het voorgaande volgt dat uit de jurisprudentie in het kader van de MMA-meldingen dezelfde conclusies kunnen worden getrokken als uit jurisprudentie inzake de andere anonieme meldingen van burgers. Hiernaar zij dan ook naar verwezen. Hierop verdergaand kunnen als het ware in de beginfase van een opsporingsonderzoek dat start op basis van anonieme melding drie fasen worden onderscheiden. In de eerste fase komt een anonieme melding binnen bij de politie en vindt een beoordeling plaats van de bruikbaarheid ervan. Het criterium van concreetheid en gedetailleerdheid speelt in deze beoordeling een doorslaggevende rol. In fase twee, waarin het opsporingsonderzoek feitelijk een aanvang heeft genomen, vindt vervolgens binnen de context van art. 3 Politiewet aanvullend onderzoek plaats. Het is van belang op te merken dat feitelijk de enige manier om een anonieme melding op betrouwbaarheid te toetsen, schuilt in de bevestiging die wordt gevonden in de resultaten van dit aanvullende onderzoek. De betrouwbaarheid van de melder kan immers niet worden getoetst. In het verlengde hiervan is eerder al verwoord dat het beperken van het risico op het strafvorderlijk acteren op basis van onjuiste informatie en de verplichting die voortvloeit uit het tweede lid van art. 8 EVRM noodzaakt tot het verrichten van aanvullend onderzoek. Ten opzichte van de omvang van dit onderzoek en de waarde die wordt gehecht aan de uitkomsten ervan bestaat ruimte voor verschil al naar gelang het soort strafbaar feit waarover wordt gemeld. Het verschil laat het spanningsveld zien tussen privacybescherming enerzijds en opsporingsbelangen anderzijds. Zo is gebleken dat bijvoorbeeld bij een melding over vuurwapens de balans gemakkelijker doorslaat naar het belang van de opsporing. Hierdoor kan het in dat soort zaken vaker voorkomen dat bijvoorbeeld een woning wordt betreden zonder dat daadwerkelijk een vuurwapen wordt gevonden en ten tweede dat dit dan gebeurt op basis van informatie waarvan de anonieme melder weet dat deze onwaar is. De derde fase ziet op het toepassen van een dwangmiddel, vaak is dat het betreden of doorzoeken van een woning of bedrijfspand. De combinatie van de anonieme melding en de uitkomst van het aanvullend onderzoek, maakt of rechtvaardiging kan worden gevonden voor het toepassen van een dwangmiddel. In deze fase is in de eerste plaats een belangrijke toetsende rol weggelegd voor de officier van justitie of rechter-commissaris die, met gebruikmaking van het verdenkingsbegrip, moet oordelen over de legitimiteit van het toepassen van het dwangmiddel. De zittingsrechter vervult hierin achteraf en in tweede instantie een belangrijke rol door te toetsen of het toepassen van het dwangmiddel naar zijn oordeel inderdaad gerechtvaardigd was. In dit geheel verdient het de voorkeur dat de Hoge Raad nadrukkelijker naar voren brengt dat hij belang hecht aan aanvullend betrouwbaarheidsonderzoek voorafgaand aan het toepassen van dwangmiddelen. Een dergelijke opstelling straalt immers af op de beoordeling die in deze context moet worden gemaakt door zittingsrechter, zaaksofficier en r-c.