Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.2.5
9.2.2.5 Een praktijkvoorbeeld van de proportionaliteitsoverwegingen: Hoge Raad
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363641:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Maeijer, JOR 2007/178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
Deze beschikking zag strikt genomen op onmiddellijke voorzieningen, maar daarvoor geldt wat betreft dit aspect hetzelfde als voor eindvoorzieningen. Zie par. 9.2.1 en 9.3.1.
Par. 11.3.4 legt uit dat het tot de bevoegdheid van de ondernemingskamer behoort om een dergelijke onmiddellijke voorziening op te leggen. Evenwel zal het proportionaliteitsvereiste daaraan veelal in de weg staan. Zie daarover par. 11.2.2. Op deze plek gaat het om de motivering van Hoge Raad.
Zie r.o. 4.10.
R.o. 4.10.
R.o. 4.4.
Huizink Rechtspersonen, aant. 1 bij art. 2:130 BW. HR 24 juni 1949, NJ 1949, 750 (Fokker/Spanje); voorts HR 5 november 1965, NJ 1966, 181 (Katz/De Vijf).
Art. 2:130/240 BW.
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-III, nr. 43.
Tot zover de theorie, wat komt hiervan in de praktijk terecht? De ABN AMRO-beschikking1 bevestigt mijns inziens dat de Hoge Raad de hierboven bepleitte aanpak voorstaat.2
De ABN AMRO-beschikking ging over de verkoop van een dochter van de vennootschap die voorwerp was van de enquête. De ondernemingskamer had geoordeeld dat art. 2:107a BW op deze verkoop van toepassing was. Dat betekent dat de aandeelhoudersvergadering had moeten instemmen met het besluit van het bestuur om tot deze verkoop over te gaan. Dat was niet gebeurd, maar toch was reeds een koopovereenkomst gesloten door vennootschap die voorwerp was van de enquête. Om die reden verbood de ondernemingskamer deze vennootschap om de overeenkomst na te komen.
De Hoge Raad was het om verschillende redenen niet eens met de ondernemingskamer.3 Onder meer oordeelde de Hoge Raad dat er bij een billijke afweging van belangen geen ruimte bestond voor de desbetreffende onmiddellijke voorziening,4 althans voor zover het de nakoming van de overeenkomst belemmerde. Aan dat oordeel gingen de volgende overwegingen vooraf:
“Het gaat in dit geval om een bevoegdelijk door het bestuur van ABN AMRO Bank met Bank of America gesloten koopovereenkomst. Over de (mogelijke) uitvoering daarvan mag geen onzekerheid bestaan, mede gelet op de belangen van derden. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat de eisen van behoorlijk ondernemingsbestuur meebrengen dat het bestuur van ABN AMRO Holding de voorgenomen (afsplitsing en) verkoop van LaSalle aan de algemene vergadering van aandeelhouders had moeten voorleggen, heeft een eventueel verzuim op dit punt geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de transactie. Mede gelet op het bepaalde in art. 2:107a lid 2 BW heeft een eventueel gebrek in de besluitvorming inzake de LaSalle-transactie, immers geen externe werking.”5
Eerder in de beschikking had de Hoge Raad reeds overwogen dat de in het handelsverkeer vereiste rechtszekerheid vergt dat “derden erop kunnen vertrouwen dat door het bestuur van de vennootschap in overeenstemming met de wettelijke en statutaire voorschriften verrichte rechtshandelingen in beginsel onaantastbaar zijn en dat, voorzover zij wel aantastbaar zijn, de mogelijkheid daartoe alleen bestaat op rechtsgronden die uit de wet of de statuten voor derden bekend hadden kunnen zijn.”6
Deze overwegingen bevestigen hetgeen in par. 9.2.2.2 en 9.2.2.3 werd betoogd. De overwegingen worden geheel ingekleurd door (i) de regels van de deelrechtsorde waaraan de desbetreffende onmiddellijke voorziening afbreuk deed, (ii) de ratio daarvan, (iii) algemeen erkende rechtsbeginselen en (iv) betrokken maatschappelijke en (v) persoonlijke belangen.
Het gaat in de eerste plaats om de regels die zien op de (vertegenwoordigings)bevoegdheid van het bestuur om de vennootschap aan een overeenkomst te binden. Deze regels zijn afkomstig uit de Eerste Richtlijn. Voor de implementatie daarvan kon de vennootschap in haar statuten zelf bepalen welke interne besluitvormingsperikelen in de weg stonden aan de geldigheid van vertegenwoordigingshandelingen van het bestuur.7 Na de implementatie van de Eerste Richtlijn zijn de mogelijkheden om de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur aan banden te leggen, beperkt tot een handje expliciet in de wet geregelde gevallen.8 Blijkens de considerans van die richtlijn werd daarmee beoogd de belangen van de partijen die zaken doen met de vennootschap te beschermen. Dat bevordert de door het handelsverkeer gevergde rechtszekerheid van het handelsverkeer (een maatschappelijk belang).9 Dat is precies waarmee de desbetreffende overwegingen van de Hoge Raad beginnen.
In vervolg daarop staat de Hoge Raad stil bij de vraag of de geschonden norm (art. 2:107a BW) een wettelijke uitzondering vormt op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur. De Hoge Raad wijst erop dat de wetgever in art. 2:107a lid 2 BW expliciet heeft bepaald dat dit niet het geval is. Vervolgens concludeert de Hoge Raad dat de desbetreffende onmiddellijke voorziening disproportioneel is, omdat deze de vennootschap dwingt om een rechtsgeldig gesloten overeenkomst niet na te komen. Dat is ook een uiting van het rechtsbeginsel van trouw aan het gegeven woord.
Dit alles impliceert overigens dat een door de ondernemingskamer uitgesproken verbod om overeenkomsten na te komen niet disproportioneel is in gevallen waarin wel sprake is van een aantastbare overeenkomst. Verwezen zij naar par. 11.2.2.