Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/12.2.3:12.2.3 Wat wordt terugbetaald?
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/12.2.3
12.2.3 Wat wordt terugbetaald?
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS349486:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de verkrijging van beschermingsprefs door de vennootschap paragraaf 12.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De terugbetaling houdt in dat de vennootschap het door de stichting op de beschermingsprefs gestorte bedrag – in de regel een vierde van het totale nominale bedrag van de uitgegeven beschermingsprefs – terugbetaalt aan de stichting.1 Zijn de beschermingsprefs door de vennootschap ingekocht, dan zal bij de intrekking van de ingekochte beschermingsprefs geen terugbetaling plaatsvinden van het op die aandelen gestorte bedrag. De terugbetaling heeft dan in feite al plaatsgevonden bij de inkoop, omdat de vennootschap ten tijde van die inkoop een koopprijs voor de verkrijging van de beschermingsprefs aan de stichting heeft betaald.2
Omdat met de intrekking slechts het op de in te trekken aandelen gestorte bedrag wordt terugbetaald, omvat het besluit tot kapitaalvermindering niet de uitkering van het eventueel ontbrekende preferente dividend over de periode vanaf de dag volgend op de laatste periode waarover voor het laatst preferent dividend werd uitgekeerd – dan wel indien de beschermingsprefs na die dag werden uitgegeven, vanaf de dag van uitgifte – tot en met de dag waarop de beschermingsprefs worden ingetrokken. Er zal aldus tevens een besluit tot uitkering van het ontbrekende preferente dividend genomen moeten worden.
De intrekking van de beschermingsprefs zal meestal tussentijds plaatsvinden en niet op de laatste dag van het boekjaar van de vennootschap. De uitkering van het ontbrekende preferente zal dan als een tussentijdse uitkering moeten worden beschouwd. Het ligt in de rede om in de statuten van de vennootschap met zo veel woorden te bepalen dat het bestuur – al dan niet met goedkeuring van de raad van commissarissen – tot het doen van tussentijdse uitkeringen op de beschermingsprefs kan besluiten. Zodoende hoeft geen algemene vergadering gehouden te worden om over de tussentijdse uitkering te besluiten. Voorts is in dit verband van belang dat ingevolge art. 2:105 lid 4 BW een tussentijdse vermogensopstelling opgesteld moet worden aan de hand waarvan vastgesteld moet worden of de tussentijdse uitkering van het ontbrekende preferente dividend kan plaatsvinden. Omdat de vennootschap halfjaarberichten moet opstellen en/of veelal kwartaalberichten opstelt en art. 2:105 lid 4 BW bepaalt dat de tussentijdse vermogensopstelling betrekking kan hebben op de stand van het vermogen op ten vroegste de eerste dag van de derde maand voor de maand waarin het besluit tot uitkering bekend wordt gemaakt, zal het opstellen van zo’n opstelling in het algemeen niet tot al te grote problemen leiden.
Aangezien op de beschermingsprefs in de regel een kwart van het nominale bedrag is gestort, dient de stichting continuïteit ontheven te worden van haar (resterende) stortingsplicht. De wet laat zulks toe ter uitvoering van het besluit tot kapitaalvermindering.3 Het voorstel tot kapitaalvermindering dient met zo veel woorden in te houden dat het door de stichting gestorte bedrag wordt terugbetaald en dat de stichting wordt ontheven van haar resterende stortingsplicht.