Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.6.7:14.3.6.7 Veel en/of onbekende erfgenamen
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.6.7
14.3.6.7 Veel en/of onbekende erfgenamen
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232875:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Afhankelijk van de omvang van het APV-vermogen is het toe te rekenen vermogen per erfgenaam mogelijk zo gering dat de overgangsregeling voor kleine APV’s van artikel 10a.7 lid 1 Wet IB 2001 van toepassing kan zijn. In dat geval is de APV-regeling niet van toepassing. Aan deze mogelijkheid ga ik verder voorbij.
Zie paragraaf 14.4.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 2.14a Wet IB 2001 voorziet niet in een regeling voor de situatie waarin niet bekend is wie de erfgenamen zijn van (de erfgenamen van) de inbrenger, dan wel niet duidelijk is voor welk deel zij (uiteindelijk) erfgenaam zijn. Op zich komt dit niet onlogisch voor: er is een systeem voor het geval de inbrenger bekend is en, in het vijfde lid, een regeling voor het geval de inbrenger onbekend is. Indien men weet wie de inbrenger is, ligt voor de hand dat zijn erfgenamen ook te bepalen zijn.
In geval van een recent ingesteld APV lijkt deze conclusie mij ook terecht, maar dit hoeft niet te gelden voor APV’s die reeds lange tijd bestonden op het moment van invoering van de APV-regeling. Om een voorbeeld te geven: stelt dat tante X in 1900 een familiestichting in het leven heeft geroepen met oog op de ondersteuning van de afstammelingen van haar vader bij studie en in geval van behoeftigheid. De stichting kwalificeert derhalve als APV. X had zelf geen kinderen en haar erfgenamen waren haar tien neven en nichten. In 2019 zijn deze neven en nichten uiteraard niet meer in leven, noch hun kinderen, zodat de toerekening plaats zou moeten vinden aan de kleinkinderen van de neven en nichten of mogelijk zelfs hun achterkleinkinderen. Stel dat ieder van de neven en nichten en hun afstammelingen gemiddeld drie kinderen had, zijn er 90 tot 270 personen aan wie de toerekening zou moeten plaatsvinden.1 Het is wellicht niet onmogelijk om vast te stellen welk procentuele aandeel van het APV-vermogen aan ieder van hen toegerekend dient te worden, maar ten minste zeer gecompliceerd. Ook kan zich wellicht de situatie voordoen dat niet (volledig) duidelijk is wie de erfgenamen van de inbrenger zijn geweest. Voor dergelijke situaties, waarin niet bekend is wie de erfgenamen zijn, of voor welk deel zij erfgenaam zijn, biedt de APV-regeling geen oplossing. Aangezien dit vermoedelijk geen heel frequent voorkomend probleem zal zijn, ligt overigens wellicht meer voor de hand om daar per geval een praktische oplossing voor te treffen, dan om de wet hierop aan te passen. In paragraaf 15.7 ga ik hier nader op in.
Naast problemen bij het vaststellen van de verdeling van de toerekening leidt toerekening aan een groot aantal personen ook tot een administratieve last; iedere erfgenaam moet zijn “aandeel” in het APV-vermogen verantwoorden in zijn aangifte inkomstenbelasting. Daarnaast leidt iedere uitkering door het APV aan een erfgenaam in beginsel tot schenkingen door de overige erfgenamen van een pro rata deel van deze schenking.2 Voor iedere “deelschenking” dient getoetst te worden of deze leidt tot de verschuldigdheid van schenkbelasting.