Einde inhoudsopgave
E-arbitrage (BPP nr. VI) 2009/3.3
3.3 Noorse uitspraak
Mr. J.P. Fokker, datum 04-05-2009
- Datum
04-05-2009
- Auteur
Mr. J.P. Fokker
- JCDI
JCDI:ADS397920:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Halogaland Court of Appeal, 16 augustus 1999, gepubliceerd in het Stockholm Arbitration Report (1999, nr. 2) p. 121-127 m.nt. van Gunnar Nerdrum, p. 127-129; Yearbook Comm. Arbitration XXVII (2002).
Zoals voor het Koninkrijk der Nederlanden het Verdrag van New York is goedgekeurd bij Rijkswet van 14 oktober 1963, Stb. 417. De Engelse en Franse tekst van het Verdrag zijn opgenomen in Trb. 1958, 145. De Nederlandse vertaling van het Verdrag is te vinden in Trb. 1959, 58. Tot het Verdrag zijn ruim 140 Staten toegetreden (zie www.uncitral.org).
Het hof overwoog: 'The arbitrator has regarded himself competent to try the case, and after a closer consideration of the merits of the case, come to the conclusion that a charterparty really was entered into between the parties according to English law. This does not mean, however, that the requirements of the Convention are satisfied. The arbitrator has not assessed whether Art. II of the Convention is satisfied, and he has probably not had any reason to do so. It follows from article IV(1 )(b) that a party, who wants to enforce a foreign arbitral award, shall produce 'the original agreement referred to in article II or a duly certified copy thereof. The provision does not state expressly that the local enforcement authority shall verify that the agreement satisfied the requirements of Art. II, but the Court of Appeal is of the opinion that it should be interpreted this way. The requirements in Art. IV(1 )(b) in conjunction with Art. II relating to the form of the arbitral agreement, are justified by basic considerations for legal protection. It should not be sufficient for enforcement that the arbitral award is valid to the law of the country in question. Also the requirements of the Convention should be assessed to ensure they have been complied with. This assessment is to be done by the local enforcement authoriy, and it need not coincide whith the question of the competence of the arbitrator according to his domestic law. In this case there is no express arbitral clause signed by the two parties. The Court of Appeal expresses doubt regarding the issue as to whether the existing E-mail transcripts can be held to fall within the definition in Art. 11(2), but under no circumstances can it be asserted that these transcripts contain an agreed arbitration clause. The contents of the E-mails appear obscure and incomplete and reflect just fragments of an agreement. There is no written power of attorney from the presumed principals either. The basic requirements of legal protection set up by the Convention Art. II in conjunction with Art. IV(1 )(b), for recognition and enforcement are hereby not satisfied. Consequently, there is no common basis for enforcement according to the execution Act, Sect. 41, second paragraph, letter f, and the request for enforcement is therefore dismissed.'
Nieuwe ontwikkelingen, zoals e-mail, worden niet altijd als vanzelfsprekend aanvaard door de rechter. Zo besliste in een uitspraak van 16 augustus 1999 een Noors appelgerecht dat e-mails geen arbitrageovereenkomst 'in writing' tot stand brachten.1
De zaak zat als volgt in elkaar.
Een Noorse zakenman wilde een schip charteren om haring naar de Oekraïne te verschepen. Zijn makelaar in St. Petersburg nam contact op met een makelaar in Limasol op Cyprus, die een schip beschikbaar wist, toebehorend aan een Russische eigenaar. Op 4 december 1997 bediscussieerden de twee makelaars verschillende belangrijke kwesties per e-mail. Zij gebruikten een bepaald gebruikelijk contract (GENCON-charterparty) als basis voor de onderhandelingen. Aan het eind van die dag waren wat hen betreft alle vragen beantwoord en waren ze het eens. De makelaar van de Noorse zakenman mailde opgelucht naar zijn collega in Limasol ter bevestiging: 'So we clean fixed. Awaiting C/P. Thank you for fixture'. De Cypriotische collega antwoordde tevreden: 'Thanks for confirmation as well. Suppose it's first one of ours which have done via E-mail. Just imagine how much we saved on tlxs/faxes! ! ! Although the C/P should be done by you (as per rules because you're chr's brokers) but keeping in mind that You have a lot of things to be done will do it tomorrow'.
Er ontstond een geschil tussen de Russische scheepseigenaar en de Noor betreffende de charter. De Rus vroeg arbitrage aan in Londen met een beroep op de arbitrageclausule in de charterparty. De Noor betwiste echter de bevoegdheid van de arbiter en onderwierp zich niet aan de arbitrale procedure. De arbiter verwees in zijn vonnis naar het e-mailverkeer tussen de twee makelaars en oordeelde dat een contract tot stand was gekomen. Hij verklaarde zich bevoegd op grond van het arbitragebeding. Het feit dat er geen ondertekend contract op papier was vond de arbiter niet belangrijk, omdat dit vaak het geval is bij het charteren van schepen. Hij achtte de Noor aansprakelijk en veroordeelde hem tot betaling van het gevorderde bedrag (US dollar 176,647.76). De scheepseigenaar wilde het vonnis ten uitvoer leggen in Noorwegen en vroeg daartoe verlof aan de rechter in de districtsrechtbank op de Lofoten. De Noor wierp tegen dat er geen overeenkomst 'in writing' was aangezien hij niets had ondertekend, noch instructie daartoe had gegeven aan zijn makelaar.
De rechtbank oordeelde allereerst dat het Verdrag van New York van 1958 toepasselijk was. Dit verdrag vormde volgens de rechtbank de basis voor tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis zoals vereist door de Noorse wet betreffende de toepassing van het Verdrag2; zowel Noorwegen als Engeland hadden het Verdrag geratificeerd. De rechtbank was van oordeel dat de eis in art. II van het Verdrag betreffende de 'agreement in writing' niet in de weg stond aan de geldigheid van de arbitrale overeenkomst. De volgende stap in de redenering van de rechtbank was dat art. III elke lidstaat verplicht arbitrale vonnissen te erkennen en tenuitvoerlegging mogelijk te maken. Volgens de rechtbank voldeden de partijen met het produceren van de e-mails en de charterparty aan art. IV van het Verdrag, dat overlegging eist van het vonnis ('duly authenticated original award or a duly certified copy thereof ) en van de overeenkomst ('the original agreement referred to in article II or a duly certified copy thereof ).
Het hof van beroep vernietigde echter het vonnis van de rechtbank op grond dat de partijen niet de originele overeenkomst of een kopie ervan, als bedoeld in art. II, hadden geproduceerd; een uitdrukkelijke arbitrale clausule, ondertekend door beide partijen ontbrak en het hof betwijfelde of met de elektronische post werd voldaan aan de eis van art. II (2), nog afgezien van het feit dat de e-mails geen arbitrale clausule omvatten.3
De appelrechters keken dus anders aan tegen de zaak dan de eerste rechter, zoals wel vaker het geval is. Het zou echter wel prettig zijn als rechters over een zo belangrijk onderwerp als het gebruik van moderne communicatiemiddelen voldoende houvast hadden om één lijn te trekken. Deze uitspraak roept dan ook de vraag op aan welke eisen een arbitrage-overeenkomst moet voldoen, vooral of is voorzien in de toelating van elektronische hulpmiddelen. Bestaat daar internationaal overeenstemming over? Hoe is het in Nederland geregeld?
In 3.4 eerst iets over de internationale kijk op de zaak, voor zover tot uitdrukking komend in de Model Law on International Commercial Arbitration, daarna in 3.5 Nederland.