Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.4.1
13.4.1 Perifere stellingen met schuldverband versus zuivere perifere stellingen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940702:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.2, paragraaf 9.3.1 en paragraaf 9.4.
Zie paragraaf 9.4.1.2.
Ook een lichtere gradatie dan aannemelijk maken zou reeds kunnen volstaan, zie paragraaf 13.3.5.2 hiervoor.
Zie paragraaf 9.3.2.2.2 en verder.
Zie paragraaf 9.4.1.
Wel is hierbij van belang, dat het EHRM in het arrest Lucky Dev heeft aangegeven dat de bewijsgradatie van ‘beyond reasonable doubt’ onder omstandigheden kan worden gerelativeerd bij schuldneutrale fiscale bestuurlijke boeten, mits daar voldoende effectieve waarborgen tegenover staan (zie paragraaf 13.3.1).
Dat geldt ook voor de bewijslastverdeling terzake, zie paragraaf 9.4.
Zie paragraaf 10.1.
Vgl. HR 15 juni 2007, V-N 2007/28.9, BNB 2007/251 (zie met name r.o. 3.3). Het betrof hier een AVAS-verweer, dat de boeteling volgens de Hoge Raad aannemelijk moest maken. De Hoge Raad behandelt een dergelijk verweer als een zuiver perifere stelling. In mijn opvatting is dat laatste, zoals hiervoor opgemerkt, niet juist. Zie ook HR 28 maart 2014, V-N 2014/16.7, BNB 2014/194, r.o. 3.4.3.
Dat is anders ten aanzien van de centrale stellingen, zie paragraaf 12.4.1.3.
In paragraaf 13.3 heb ik uiteengezet dat in de boetesfeer voor de centrale stellingen de zware bewijsgradatie van ‘beyond reasonable doubt’ geldt. De rechtsgrond voor die opvatting is de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Daaruit volgt dat de zware bewijsgradatie geen rol speelt bij het bewijs van zuiver perifere stellingen, aangezien daarvoor de onschuldpresumptie niet geldt.1 In algemene zin staat art. 6 EVRM er dan ook niet aan in de weg dat voor het bewijs van die stellingen de gradatie ‘aannemelijk maken’ voldoende is.
Voor wat betreft de perifere stellingen die in wezen het schuldverband betreffen (zoals AVAS),2 passen enige kanttekeningen. Bij vergrijpboetes vormen dergelijke stellingen tegenbewijs, gericht tegen de aanwezigheid van opzet of grove schuld. Die aanwezigheid heeft de inspecteur als centrale stelling reeds ‘beyond reasonable doubt’ moeten bewijzen. Het tegenbewijs kan vervolgens worden geleverd door de perifere stelling aannemelijk te maken.3 Bij verzuimboetes moet in mijn opvatting altijd het impliciete element ‘ten minste enige schuld’ worden ingelezen in de delictsomschrijving. Daaruit volgt dan dat het bewijs van die impliciete centrale stelling ‘beyond reasonable doubt’ moet worden geleverd.4 Net als bij vergrijpboetes vormt het stellen van AVAS door de boeteling vervolgens tegenbewijs, gericht tegen die reeds bewezen (impliciete) centrale stelling.5 In de opvatting van de Hoge Raad is dat evenwel anders, aangezien hij het stellen van AVAS als een zuivere perifere stelling heeft aangemerkt. Voor verzuimboetes betekent die opvatting dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen van het begaan van het kale beboetbare feit.6
Voor wat betreft de overige, zuiver perifere stellingen moet worden teruggegrepen op de regels van het algemene fiscale bewijsrecht.7 De Nederlandse regels zijn in dat verband leidend, aangezien het bewijsrecht volgens het EHRM in eerste instantie een nationaalrechtelijke aangelegenheid is.8 Nu de gradatie ‘aannemelijk maken’ binnen het algemene fiscale bewijsrecht de hoofdregel is, geldt die gradatie ook als uitgangspunt voor de zuiver perifere stellingen. De Hoge Raad hanteert ook inderdaad de gradatie aannemelijk maken.9 Ik merk op dat het bewijs naar die (lichte) gradatie alleen daadwerkelijk hoeft te worden geleverd als de perifere stelling ook wordt betwist. Degene op wie de primaire bewijslast rust, kan zijn perifere stelling in eerste instantie voorzien van (slechts) een begin van bewijs. Wordt de stelling niet betwist, dan kan deze als niet of onvoldoende weersproken komen vast te staan, precies zoals dat in de sfeer van de heffing het geval is.10
Nu de gradatie ‘aannemelijk maken’ ter onderbouwing van zuiver perifere stellingen voldoende is, bestaat tegen de doorwerking van in de sfeer van de heffing vastgestelde feiten naar de boetesfeer geen bezwaar. Dergelijke feiten kunnen dus probleemloos worden gebruikt ter adstructie van de perifere stellingen. Het maakt daarbij geen verschil op wie de primaire bewijslast ter zake van die perifere stellingen rust.