Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.4.3
13.4.3 Bewijsgradatie perifere stellingen van de inspecteur
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940466:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een voorbeeld (in de sfeer van het onrechtmatig verkregen bewijs): Conclusie A-G Wattel bij HR 21 maart 2008, BNB 2008/159, par. 5.3.
Zie paragraaf 9.4.17 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie. Vgl. ook HR 19 mei 2020 (strafkamer), V-N 2020/27.27, r.o. 2.3.2.
In de specifieke context van de – inmiddels gewijzigde – beoordeling van ontvankelijkheidsvraagstukken in de boetesfeer gold voor de inspecteur de zware gradatie (‘buiten redelijke twijfel’, ‘overtuigend aantonen’), zie HR 5 november 2021, V-N 2021/48.15, BNB 2022/3, r.o. 2.7.2, HR 17 juni 2022, V-N 2022/27.15, BNB 2022/119, r.o. 2.5.1 en HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, BNB 2023/73, r.o. 3.4.2. Zie over deze specifieke context nader paragraaf 15.4.3.3.
Zie paragraaf 9.4.7.
Ten tijde van het opleggen van de eerdere verzuimboete zijn het kale beboetbare feit en de kwaliteit immers reeds (‘beyond reasonable doubt’) bewezen. Zie ook paragraaf 13.3.5.1.3.
Vgl. hetgeen over de bewijslastverdeling is opgemerkt in paragraaf 9.4.7.
Omdat het een constitutief vereiste is om de vergrijpboete te kunnen opleggen, sluit ik echter niet geheel uit dat het element ‘nieuw’ toch ‘beyond reasonable doubt’ moet worden bewezen. Op dat punt kan een analogie worden onderkend met de uitnodiging en de aanmaning (zie daarover paragraaf 13.3.2 en paragraaf 13.3.5.4.1 hiervoor). Een verschil is evenwel dat een directe verwijzing naar dit vereiste in de delictsomschrijving van de vergrijpboete ontbreekt.
Wanneer de inspecteur een perifere stelling inneemt, geldt ook voor hem als uitgangspunt dat hij deze aannemelijk moet maken.1 Hierbij valt vooral te denken aan de aanwezigheid van strafverzwarende omstandigheden, zoals recidive of de plaats in de verzuimenreeks.2 Ook de inspecteur kan zich beroepen op het bestaan of de inhoud van een vaststellingsovereenkomst en stellingen innemen ten aanzien van de ontvankelijkheid.3
Een bijzonderheid moet nog worden vermeld ten aanzien van de boete van art. 67q AWR (vergrijpboete na verzuimboete wegens hetzelfde feit bij aangiftebelastingen).4 Voor het opleggen van deze boete moeten ‘nieuwe bezwaren’ bekend zijn geworden, die naar de aard der zaak slechts de mate van verwijtbaarheid zullen betreffen.5 In dit verband moet nadrukkelijk onderscheid worden gemaakt tussen het ‘nieuwe’ aspect enerzijds en de inhoud van de bezwaren anderzijds.6 Voor wat betreft de eis dat de gerezen bezwaren inderdaad ‘nieuw’ zijn is er naar mijn mening sprake van een zuiver perifere stelling, die de inspecteur dus slechts aannemelijk hoeft te maken.7 De inhoud van de bezwaren (waarmee de opzet of grove schuld alsnog wordt onderbouwd), vormt per definitie een centrale stelling, zodat de inspecteur die inhoud ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen.