Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/7.1.2
7.1.2 Het rechtmatig belang en de vordering tot inzage in medische gegevens
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS451580:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
P.P.J.N. van Ginneken, Centrale Raad wil patiënt meer rechten geven, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1983, p. 237-255.
Dit recht op volledige inzage wordt door J.L.M. van der Beek, Enkele opmerkingen over het inzagerecht, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1984, p. 80-81, een grove inbreuk (JRS: hij schrijft niet waarop, maar hij lijkt te bedoelen op de normale verhoudingen arts-patiënt) genoemd die zal leiden tot veel juridische conflicten. Dit zal een einde maken aan het harmoniemodel waarin patiënt en arts naar tevredenheid kunnen functioneren. Rb Zwolle-Lelystad 20 december 2007, BC1286, JA 2008, 24 oordeelt over een vordering van X tegen de Usselmeerziekenhuizen om hem afschrift te verschaffen van alle feitenrelazen die zijn opgemaakt in het kader van het door de ziekenhuizen gehouden interne onderzoek naar aanleiding van het overlijden van zijn vrouw na een operatie in de Usselmeerziekenhuizen. De ziekenhuizen weigeren om X inzage te geven in de verslaglegging van het interne onderzoek omdat dit onderzoek is verricht door de Melding Incidenten Patiëntenzorg Commissie (MIP-cie) en vertrouwelijk is. De rechtbank acht rechtmatig belang aanwezig omdat de echtgenote geheel onverwacht en onverklaard na een operatie is overleden. De inzage is van belang voor de verwerking van het verlies en met het oog op een eventueel te voeren procedure. De rechtbank oordeelt dat vaststaat dat er sprake is van een calamiteit, terwijl evenmin is betwist dat het operatieverslag zo summier was dat op basis daarvan geen conclusies konden worden getrokken en dat onder die omstandigheden het belang van de melder om niet bang te hoeven zijn voor repercussies, minder zwaar weegt dan het belang van X om op de hoogte te raken van de feiten. Dat de feiten ook via bijvoorbeeld een getuigenverhoor aan het licht kunnen komen, en dat een behoorlijke rechtsbedeling dus ook zonder de gevraagde gegevens is gewaarborgd maakt dit niet anders omdat voordat de betreffende getuigen feitelijk gehoord zullen zijn, er inmiddels bijna twee jaar zijn verstreken en de getuigen minder onbevangen zullen zijn dan tijdens de eerste gesprekken, terwijl inmiddels is gebleken dat bewijsvoering op deze manier erg omslachtig is. Een behoorlijke rechtsbedeling is dan ook niet gewaarborgd wanneer X niet de beschikking krijgt over deze gegevens 'uit de eerste hand'.
M.H. Elferink, Inzage in de patiëntenkaart, TVP 2003, p. 111-119, Chr.H. van Dijk, Ter beschikking stellen van de patiëntenkaart: aan wie?, TVP 2006, p. 8-17, A. Kolder en J.F. Schultz, De patiëntenkaart: knel- en strijdpunt, TVP 2007, p. 5-17, J. Ekelmans, Dient de verplichting om medische bescheiden te verstrekken gebaseerd te worden op artikel 843a Rv?, TVP 2007, p. 29-37, E.M. Deen, De patiëntenkaart en de beschikkingen van de Hoge Raad van 22 februari 2008, TVP 2009, p. 41-48.
Waar Ekelmans op p. 34 van het artikel in TVP schrijft dat hij de indruk heeft dat de discussie over artikel 6 en 8 EVRM in rechterlijke uitspraken van stal is gehaald, omdat de rechter zich er niet aan wilde wagen om klip en klaar te zeggen dat de inzichten over de wenselijke invulling van mededelings- en informatieplichten met de tijd kunnen veranderen, en dat ook hij terecht meegaat met een tijdgeest die prijs stelt op het sneller en opener oplossen van geschillen en minder discussie wil besteden aan issues die side-issues behoren te zijn, is mij niet duidelijk wat hij precies wil zeggen en evenmin is het mij duidelijk waar hij die indruk op baseert.
H.W.P.B. Taminiau en C.A.M. Swagemakers, Procedurele obstakels voor de zieke werknemer, Arbeid Integraal 2007, p. 109-124. Zie ook S.M. Christiaan en W.I. Hengeveld, Februari-arresten: de patiëntenkaart; partijen wikken, de deskundige beschikt, TVP 2008, p. 51-56 die van mening zijn dat indien inzage in de patiëntenkaart op grond van art. 843a Rv wordt gevraagd, de artikelen 6 en 8 EVRM nog een rol spelen. Alle belangen, ook die van het recht op privacy, dienen immers te worden afgewogen en uiteindelijk kan een beroep op de gewichtige redenen van lid 4 aan inzage in de weg staan.
HR 22 februari 2008, BB5626, De volgende overweging van de Hoge Raad in dit arrest brengt met zich dat de strijd niet gestreden hoeft te zijn nadat het voorlopig deskundigenbericht is uitgebracht: 'Indien in de procedure waarin het voorlopige deskundigenbericht wordt overgelegd, blijkt dat voor de beoordeling daarvan of voor een aanvullend onderzoek dergelijke gegevens nodig zijn, dan zal de rechter in de procedure op de voet van art. 22 Rv. de partij die het aangaat een bevel tot het overleggen daarvan kunnen geven. Eventueel kan, waar dat mogelijk is, art. 843a Rv. toepassing vinden.' Uit de laatste zin van het citaat kan in elk geval de conclusie worden getrokken dat de Hoge Raad het niet onmogelijk acht dat via de weg van art. 843a Rv medische bescheiden in het geding gebracht moeten worden. Zie ook HR 22 februari 2008, BC4874 en Rb Utrecht 21 oktober 2009, BK2302, NJF 2009, 505.
Zie ook E.M. Deen, De patiëntenkaart en de beschikkingen van de Hoge Raad van 22 februari 2008, TVP 2009, p. 41-48.
J.H.B.M. Willems en H.C.B. van der Meer, Uitwisseling van medische gegevens van zieke werknemers — niet alles wat kan mag, en niet alles wat mag kan —, Het Verzekeringsarchief 2009, p. 64-72. Rb Utrecht 18 april 2007, BA3557 wijst een vordering van London Verzekeringen om medische en arbeidskundige gegevens af omdat dit geen vordering is betreffende met name genoemde stukken. De rechtbank overweegt daarbij nog expliciet dat daargelaten kan worden het aan de andere partij toekomende blokkeringsrecht.
Afzonderlijke vermelding verdient hier de medische problematiek. Deze is tweeledig. Ten eerste kan de patiënt zelf inzage willen hebben in zijn gegevens. Ten tweede kan het geval zich voordoen dat, na bijvoorbeeld een ongeval waardoor de aansprakelijke partij A letsel heeft veroorzaakt bij de schadevergoeding vorderende partij B, partij A inzage wenst in de medische gegevens van partij B om te controleren of het gestelde letsel er wel is maar ook om te controleren of het gestelde letsel niet een andere oorzaak heeft dan het ongeval.
De relatie arts-patiënt in het kader van de medische behandelingsovereenkomst legt volgens Van Ginneken de hulpverlener de verplichting op om de patiënt ook ongevraagd informatie te verschaffen over onderzoek en therapie.1 Dit is een verplichting in het kader van de behandelingsovereenkomst, maar die verplichting is natuurlijk ook afdwingbaar in een procedure, voor zover al niet op grond van de enkele behandelingsovereenkomst, dan in elk geval op grond van art. 843a Rv. Hier is het de inhoud van de behandelingsovereenkomst die maakt dat het verzoek om informatie een rechtmatig belang heeft. Dit betekent dat de patiënt zijn volledige dossier rechtstreeks mag inzien.2
De tweede situatie is gecompliceerder. Dat blijkt ook uit de literatuur die inmiddels over de inzage in de patiëntenkaart van het slachtoffer door de dader bestaat.3 Bij de toetsing van de vraag of hier rechtmatig belang aanwezig is, komt het volgens Elferink aan op een belangenafweging tussen het recht op privacy en het belang dat de dader heeft bij wetenschap omtrent de mate van gezondheid van het slachtoffer. Een belangrijke mee te wegen factor is of sprake is van een relevante voorgeschiedenis bij het slachtoffer. Ook voor de beantwoording van die vraag is er echter vaak inzage in de kaart nodig. Verder lijken mee te moeten wegen de vragen of het gestelde door het ongeluk veroorzaakte letsel al dan niet atypisch is, de hoogte van de gevorderde schadevergoeding en de bewijslastverdeling.
Van Dijk spreekt over twee grondrechten die in het geding zijn en wel de equality of arms van art. 6 EVRM en het recht op privacy van art. 8 EVRM. Waar alle medische informatie van vóór en ná het ongeval relevant kan zijn voor het beoordelen van de juridische causaliteit, brengt dit volgens hem onvermijdelijk met zich dat alle medische informatie van vóór en ná het ongeval wordt verstrekt aan de onafhankelijke deskundige. Ekelmans ziet, naar het mij voorkomt terecht, bij het antwoord op de vraag of er sprake is van rechtmatig belang op inzage in de patiëntenkaart geen verschil tussen deze kaart en een ander bescheid. Hij stelt dat het antwoord op de vraag of sprake is van schade, een vergelijking vergt van de situatie met en de situatie zonder ongeval, zodat ruimhartige inzage in de medische voorgeschiedenis voor de hand ligt. Hij komt tot de conclusie dat voor de verstrekking van bescheiden in letselzaken de weg gevolgd kan worden die ook openstaat in andere zaken. Hij lijkt daarmee van mening te zijn dat alle problemen zijn opgelost, wat volgens mij onjuist is. Dezelfde vragen die Elferink, Van Dijk en Kolder & Schultz hebben opgeworpen, dienen ook te worden beantwoord indien een vorderende partij expliciet de weg van art. 843a Rv kiest. Anders dan Ekelmans stelt, zal dan bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van rechtmatig belang, een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang op inzage en het belang op privacy. Daarmee is niet gezegd dat die afweging zonder meer kan worden beantwoord aan de hand van art. 6 en 8 EVRM, maar de in die artikelen geformuleerde rechten behoren wel in de discussie te worden betrokken.4
Taminiau en Swagemakers zijn van mening dat bij een mogelijke vordering tot inzage in de patiëntenkaart op de voet van art. 843a Rv de jurisprudentie omtrent deze problematiek, maar dan gebaseerd op art. 22 Rv, van overeenkomstige toepassing is. Er zal een afweging van de belangen van beide partijen dienen plaats te vinden. Zij vinden dat bij de vraag of er sprake is van rechtmatig belang gekeken moet worden naar de vraag of een partij die niet de beschikking krijgt over het stuk waarvan zij inzage wenst, hierdoor wordt benadeeld dan wel in een nadeligere positie komt te verkeren. Ekelmans vergelijkt volgens hen appels met peren omdat een verzoek tot overlegging van een patiëntendossier niet vergelijkbaar is met het overleggen van andere, minder privacy gevoelige gegevens. Ook een vordering tot inzage in een volledig patiëntendossier gebaseerd op art. 843a Rv dient getoetst te worden aan de artt. 6 en 8 EVRM.5
De Hoge Raad heeft zich nog slechts met deze problematiek beziggehouden in het kader van een voorlopig deskundigenbericht tijdens welk onderzoek Fortis vorderde dat X zou worden bevolen om al zijn medische gegevens van voor en na het ongeval over te leggen aan de medische adviseur van Fortis en aan de te benoemen deskundige. Volgens de Hoge Raad6 is beoogd om antwoord van de deskundige te krijgen, welk antwoord hij onpartijdig en naar beste weten moet geven. Dit brengt met zich dat hij bepaalt welke door partijen te verschaffen gegevens voor de uitvoering van zijn onderzoek noodzakelijk zijn waarbij partijen de door hem gevraagde gegevens dienen te verschaffen. Uit een weigering om hem die gegevens te verschaffen zal de rechter die gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht. In dit stelsel past het niet dat een verzoeker die de rechtbank verzoekt deskundigen te benoemen, tevens een nevenverzoek doet om de wederpartij op voorhand te bevelen bepaalde gegevens aan de deskundige te verschaffen. De slotzin van het tweede lid van art. 198 Rv (Indien een partij schriftelijke opmerkingen aan de deskundige doet toekomen, verstrekt zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij) alsmede het contradictoire beginsel, gelden niet onverkort voor medische gegevens die aan de deskundige worden verstrekt door de partij die eventueel gebruik kan maken van het blokkeringsrecht van art. 7:464 lid 2 aanhef en onder b BW. Die partij is in beginsel niet verplicht de door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan de wederpartij te verschaffen. Dit is weer anders indien de wederpartij een verzekeraar is, die beschikt over een medisch adviseur omdat die adviseur, ook ten opzichte van de verzekeraar, de medische informatie als hem onder zijn geheimhoudingsplicht toevertrouwd zal dienen te beschouwen en te behandelen. Indien een partij geen gebruik maakt van haar blokkeringsrecht, moet zij desgevraagd alle door haar aan de deskundige verstrekte medische gegevens in de procedure brengen.7
Een heel specifiek onderdeel van medische problematiek en informatieverstrekking komt voor in het arbeidsrecht en betreft de vraag welke informatie omtrent een zieke werknemer verstrekt kan worden of moet worden door de arts aan de werkgever. Deze vraag is tot op heden gesteld noch beantwoord in de sleutel van art. 843a Rv. Willems en Van der Meer hebben zich deze vraag gesteld met als grondslag de arbeidsovereenkomst.8 Zij stellen dat de arts in dit soort gevallen twee verschillende boodschappen heeft. Eén boodschap aan de werknemer die uitgebreid en volledig is; één boodschap aan de werkgever waarbij de arts alleen gerichte informatie mag verschaffen over de werkzaamheden waartoe de werknemer nog wel of niet in staat is, de verwachte duur van het verzuim, de mate waarin de werknemer arbeidsongeschikt is en de eventuele aanpassingen op de werkplek die moeten worden aangebracht. Zoals gezegd: grondslag voor een en ander is de arbeidsovereenkomst, bezien in samenhang met art. 14 van de Arbeidsomstandighedenwet, inhoudende dat de werkgever verplicht is zich te laten bijstaan door, kort gezegd, een bedrijfsarts bij de begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te verrichten. Een en ander is zo specifiek geregeld in het kader van de arbeidsovereenkomst dat art. 843a Rv hier geen rol kan spelen.