Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.4.1
8.3.4.1 De norm waaraan de onpartijdigheid moet worden getoetst
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702114:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, AB 2016/399 (Overzichtsuitspraak planschade), r.o. 8.3. Zie verder bijvoorbeeld: ABRvS 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2528, r.o. 11.1; ABRvS 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3196, r.o. 6.1, ABRvS 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1656, r.o. 11.1; ABRvS 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:423, r.o. 5.
HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523, NJ 2015/254, r.o. 3.4.1 (Jennissen/Staat).
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, AB 2016/399 (Overzichtsuitspraak planschade), r.o. 8.2.
Verwant – maar niet gelijk – aan de onafhankelijkheid van de adviseur, is de onpartijdigheid van de adviseur. Dat de nadeelcompensatie- of planschadeadviseur, behalve onafhankelijk, ook onpartijdig moet zijn volgt nogmaals nadrukkelijk uit de ‘overzichtsuitspraak planschade’:1
“Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige [onderstreping SS] deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.”2
Uit de jurisprudentieanalyse van het onteigeningsrecht (§ 8.2.2.1) kwam naar voren dat volgens de Hoge Raad de norm aan de hand waarvan twijfels over de onpartijdigheid moeten worden beoordeeld inhoudt dat aan de vrees van een procespartij, dat er sprake is van partijdigheid, weliswaar enige betekenis toekomt, maar dat doorslaggevend is of de twijfels die door de schijn van partijdigheid worden gewekt, objectief gerechtvaardigd zijn.3
Uit de overzichtsuitspraak planschade vloeit tevens de norm voort waarlangs de Afdeling bestuursrechtspraak de onpartijdigheid van de adviseur wil leggen. Die onpartijdigheidsnorm is – in ieder geval op papier – strenger is dan de norm van de Hoge Raad. De Afdeling overweegt:
“Indien een bestuursorgaan zich ter onderbouwing van een besluit op een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade beroept op een advies van een onafhankelijke deskundige, ligt het op de weg van dit bestuursorgaan zich te vergewissen van de onpartijdigheid van de geraadpleegde deskundige. Een aanvrager mag er in beginsel op vertrouwen dat een bestuursorgaan hieraan voldoet. Hierbij is van belang dat een bestuursorgaan beter in staat is dan een aanvrager om na te gaan of de (beoogde) adviseur en/of zijn kantoorgenoten het bestuursorgaan, de rechtspersoon waarvan het bestuursorgaan deel uit maakt en/of een ander bestuursorgaan dat deel uitmaakt van dezelfde rechtspersoon in het nabije verleden hebben geadviseerd en/of bijgestaan in juridische procedures. Wanneer de schijn is gewekt [onderstreping SS] dat de door het bestuursorgaan benoemde planschadeadviseur niet onpartijdig is, mag het bestuursorgaan het advies van deze adviseur niet aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen.”4
De Afdeling trekt – blijkens haar bewoordingen – de grens dus al bij de enkele schijn van partijdigheid. Zodra ook maar de schijn is gewekt dat de door het bestuursorgaan benoemde adviseur niet onpartijdig is, mag het advies niet aan de besluitvorming ten grondslag liggen. Dat de gewekte schijn naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd moet zijn, is geen eis die de Afdeling bestuursrechtspraak op grond van de tekst van de uitspraak stelt.