Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.2
2.2.2 Benoeming van deskundigen
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701938:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid voor de administratieve procedure: Van der Gouw & Sluysmans 2015, hoofdstuk 3; Den Drijver-van Rijckevorsel e.a. 2013, hoofdstuk 2. Zie ook de ‘Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure’, opgesteld door Rijkswaterstaat (via: https://standaarden.rws.nl/link/standaard/5389).
Ik verwijs naar mijn afbakening in voetnoot 12 omtrent het begrip ‘onteigeningsdeskundigen’.
Sluysmans 2011, p. 187; Sluysmans & Schuite 2022, p. 207; Scheltema & Storm, NTBR 2007/65 § 6; Schuite, EeR 2020/6, p. 219.
Afhankelijk van (het object van) de onteigening is het soms aangewezen een financieel deskundige als derde lid te benoemen. De benoeming van financieel deskundigen blijft in dit proefschrift verder buiten beschouwing.
In dezelfde zin: Sluysmans & Wiegerink, Gst. 2016/111, p. 610.
Verpaalen, De Pacht 1967, nr. 3/4; Verpaalen, Advocatenblad 1967 en Verpaalen 1974, p. 125-159; Wijting 1984, p. 273-274; Sluysmans, TBR 2008/5; Sluysmans 2011, p. 179-197.
De actiepunten blijken uit een brief d.d. 23 juli 2013 van mr. Hage t.a.v. de bestuursleden van de VvOR, mr. Sluysmans en (voormalig) mr. Snijders-Storm. Deze was te raadplegen via de website van de Vereniging voor Onteigeningsrecht: https://www.vvor.info/1328/documenten/documenten.
Sluysmans & Schuite 2022, p. 208; Sluysmans, O&A 2015/89, p. 177; Schuite, EeR 2020/6, p. 220.
Dat is opmerkelijk omdat de Hoge Raad in het arrest Gielen/Sittard-Geleen (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8098, NJ 2013/215) nog nadrukkelijk had overwogen dat het in strijd met het karakter van de onteigeningsprocedure zou zijn, wanneer de rechter steeds, voorafgaande aan de benoeming van deskundigen, overleg moet voeren met partijen. Zie over de verhouding tussen art. 194 lid 2 Rv en de voorhangprocedure in het onteigeningsrecht ook § 4.2.2.2.
Sluysmans & Schuite 2022, p. 211-213; Sluysmans, O&A 2015/89, p. 177-178; Schuite, EeR 2020/6, p. 220. Zie uitgebreid over de onteigeningsdeskundigen in relatie tot het LRGD § 7.3.2.
In § 7.3.2.2 beschrijf ik in hoeverre er in de praktijk ook daadwerkelijk alleen maar onteigeningsdeskundigen worden benoemd die geregistreerd staan bij het LRGD.
Onteigeningswet
In de onteigeningswet vormt deskundigenadvisering een verplicht onderdeel van de schadeloosstellingsprocedure. Krachtens art. 27 onteigeningswet moet de onteigeningsrechter – indien er geen minnelijke overeenstemming is bereikt en de administratieve onteigeningsprocedure succesvol is doorlopen1 – altijd deskundigen benoemen die hem adviseren over de omvang van de schadeloosstelling. Onder geen omstandigheid mag de rechter de zaak zelf afdoen. Zelfs niet indien de taxatie van de waarde van het onteigende betrekkelijk eenvoudig is, omdat het bijvoorbeeld meerdere onteigeningen van opvolgende, maar aan andere eigenaren toebehorende, stukjes soortelijke grond betreft (waardoor ook de rechter op den duur de waarde van die grond wel kent). Binnen het bestek van dit proefschrift, zijn de onteigeningsdeskundigen altijd rechtbankdeskundigen.2 Dat is dus anders dan in het aanverwante nadeelcompensatierecht. Daar adviseren deskundigen (in eerste instantie) het met de aanvraag om compensatie belaste bestuursorgaan.
Krachtens de onteigeningswet “benoemt de rechter een of meer deskundigen in oneven getale” (art. 27). In de praktijk zijn er dat vrijwel altijd drie. Op grond van de wettekst zouden er ook vijf of zeven deskundigen kunnen worden benoemd. Naar mijn weten komt dat echter nooit voor. Wel komt het voor – zij het sporadisch – dat wordt volstaan met de benoeming van slechts één deskundige.3 In de literatuur heerst de consensus dat de benoeming van drie deskundigen de voorkeur verdient en dat de benoeming van een enkele deskundige gereserveerd moet blijven tot wel zeer eenvoudige kwesties. 4Argumenten die daarbij gewicht in de schaal leggen, zijn enerzijds de complexiteit van het schadeloosstellingsrecht en anderzijds dat een gedwongen eigendomsontneming met de grootst mogelijke waarborgen moet zijn omkleed. Wanneer benoeming van een drietal geschiedt, is één van de drie – doorgaans de voorzitter – onteigeningsadvocaat of -jurist. De overige twee leden hebben een voornamelijk taxatietechnische achtergrond als rentmeester en/of taxateur van onroerend goed.5
Omgevingswet
De verplichte benoeming van deskundigen blijft in de nieuwe onteigeningsregeling in de Omgevingswet ongewijzigd (art. 15.39 Omgevingswet). Ook in de toekomst zullen deskundigen dus onderdeel uitmaken van iedere schadeloosstellingsprocedure. De formulering van art. 15.39 Omgevingswet luidt:
“De rechtbank benoemt een oneven aantal deskundigen om over de schadeloosstelling een schriftelijk bericht uit te brengen.”
Theoretisch blijft het dus mogelijk dat de rechter vijf of zeven deskundigen benoemd. Bij een grammaticale wetsinterpretatie lijkt de benoeming van één deskundige daarentegen niet langer mogelijk, omdat er sprake is van de meervoudsvorm bij het woord ‘deskundigen’. 6De reden dat de wetgever voor bovenstaande formulering heeft gekozen, blijft in de parlementaire geschiedenis overigens onbelicht.
Analyse
Op het proces van de benoeming van deskundigen is door de jaren de nodige kritiek geleverd.7 Die kritiek richtte zich onder meer op de ondoorzichtigheid van het proces van de benoeming. Naar aanleiding van de kritiek – en bij blijvend ‘stilzitten’ van de wetgever – is de onteigeningspraktijk in actie gekomen.8
Allereerst heeft de expertgroep Grondzaken, het overlegorgaan van de landelijke Onteigeningskamers van de rechtbanken, de zogenaamde ‘buitenwettelijke voorhangprocedure’ geïnitieerd. Die procedure houdt in dat partijen van de griffier van de rechtbank een e-mail krijgen met daarin de namen van de deskundigen die de rechtbank voornemens is te benoemen. Partijen krijgen vervolgens (meestal) een week de tijd om gemotiveerd bezwaar aan te tekenen tegen de voorgestelde benoeming. De rechtbank beslist daarna met inachtneming van het bezwaar. Deskundigen worden dus als het ware een tijdje aan partijen ‘voorgehangen’, zowel individueel als collectief.9 Daarmee is een handelwijze gecreëerd die veel gelijkenissen vertoont met het regime van art. 194 lid 2 Rv – op grond waarvan de civiele rechter deskundigen benoemt na overleg met partijen. 10
Ten tweede heeft de expertgroep Grondzaken begin 2014 het LRGD verzocht om het voortouw te nemen bij de oprichting van een register van onteigeningsdeskundigen. Het LRGD heeft na overleg met verschillende belanghebbende organisaties kwaliteits- en ervaringseisen opgesteld. Daarbij is, wat de te stellen eisen betreft, een onderscheid gemaakt tussen de onteigeningsdeskundige-jurist en de onteigeningsdeskundige-taxateur. Met de rechtbanken is afgesproken dat met ingang van 2015 het uitgangspunt geldt om nog enkel onteigeningsdeskundigen te benoemen die als zodanig geregistreerd staan bij het LRGD. Voor de onteigeningsdeskundigen die reeds actief waren bij de Onteigeningskamers gold een overgangstermijn die eindigde per 31 december 2018.11 Thans is dus, in theorie, iedere gerechtelijke onteigeningsdeskundige geregistreerd bij het LRGD. In de praktijk kan het evenwel voorkomen dat de onteigening verlangt dat toch een deskundige buiten het LRGD moet worden gezocht, bijvoorbeeld vanwege de noodzaak aan bijzondere expertise of binnen een specifiek geografisch gebied waar zich locatieafhankelijke schades voordoen. Uiteraard kan in zo een geval van het gestelde uitgangspunt worden afgeweken. 12